Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:AZ7168

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/265
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/265 10 januari 2007

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. L.C. Commandeur, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 20 maart 2006, bij het College binnengekomen op 23 maart 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van 10 februari 2006, dat is ondertekend door: “De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Voorzitter van het Productschap Zuivel, voor dezen: De teammanager juridische zaken Dienst Regelingen”.

Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 oktober 2005 van het Productschap Zuivel, waarbij appellant voor het jaar 2005 melkpremie is toegekend tot een bedrag van € 12830,92, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft bij brief van 22 mei 2006 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 29 november 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door H. Zonderland te Espel, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 luidt voorzover hier van belang:

“Artikel 22

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in (…)

2. Een lidstaat kan besluiten dat in de steunaanvraag alleen de veranderingen ten opzichte van de in het voorgaande jaar ingediende steunaanvraag hoeven te worden opgegeven. Een lidstaat verspreidt voorbedrukte formulieren die zijn gebaseerd op de in het voorgaande jaar geconstateerde oppervlakten en levert grafisch materiaal dat de ligging van die oppervlakten aangeeft.

Artikel 40

1. (…)

3. Een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de betrokken landbouwer, samen met relevant bewijsmateriaal ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk ter kennis van de autoriteit gebracht binnen een door elke lidstaat vast te stellen termijn.

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover hier van belang:

“Artikel 11

Uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag

1. Een landbouwer die steun aanvraagt in het kader van welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook, mag slechts één verzamelaanvraag per jaar indienen. (…)

2. De verzamelaanvraag wordt ingediend uiterlijk op een door de lidstaten vast te stellen datum die niet later is dan 15 mei. (…)

Artikel 12

1. (…)

3. Ten behoeve van de identificatie van alle percelen landbouwgrond op het bedrijf als bedoeld in lid 1, onder d), van het onderhavige artikel wordt op de overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren melding gemaakt van de oppervlakte per referentieperceel die maximaal voor steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling in aanmerking komt. Voorts worden op het grafische materiaal dat overeenkomstig het genoemde lid 2 aan de landbouwer wordt bezorgd, de grenzen en de unieke identificatie van de referentiepercelen aangegeven en geeft de landbouwer daarop de ligging van elk perceel landbouwgrond aan. (…)

Artikel 21

Te late indiening

1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 72 wordt bij indiening van een steunaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de desbetreffende termijn een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. (…)

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)

Artikel 72

Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

Gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 moeten, samen met de relevante bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit worden gemeld binnen tien werkdagen na de dag vanaf welke dit voor de landbouwer mogelijk is.”

Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs - en vervaltijden luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 2

1. De voor de toepassing van deze verordening in aanmerking te nemen feestdagen zijn alle dagen die als zodanig zijn erkend in de Lid-Staat of bij de Instelling van de Gemeenschappen waar een handeling dient te worden verricht. (…)

2. De voor de toepassing van deze verordening in aanmerking te nemen werkdagen zijn alle dagen, die niet feestdagen, zondagen of zaterdagen zijn .

Artikel 3

1. (…)

4 . Indien de laatste dag van een anders dan in uren omschreven termijn een feestdag , een zondag of een zaterdag is , dan loopt deze termijn af bij het einde van het laatste uur van de daaropvolgende werkdag.”

De Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Artikel 105

1. De landbouwer die aanspraak maakt op subsidie in het kader van een van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel a en b, bedoelde steunregelingen en de melkpremieaanvraag, maakt gebruik van de verzamelaanvraag.

2. Voor de verzamelaanvraag maakt de landbouwer gebruik van een door de minister vastgesteld formulier dat door de landbouwer volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

3. De verzamelaanvraag wordt in de periode van 1 april tot en met 15 mei ingediend bij DR.

(…)”

Artikel 117

Onverminderd de Regeling superheffing en melkpremie 2004 is PZ belast met de uitvoering van de melkpremieaanvraag met inachtneming van deze Regeling.”

Het mandaatbesluit PZ Dienst Regelingen 2005 van 1 december 2005 luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 3

1. De (…) teammanagers juridische zaken (…) van de Dienst Regelingen zijn gemachtigd om namens de Voorzitter te beslissen en stukken te ondertekenen betreffende beslissingen op bezwaar ten aanzien van

- (…)

- het overeenkomstig artikel 21, lid 1, eerste alinea van Verordening (EG) 796/2004 toepassen van een verlaging met 1 % per werkdag;

- (…)

Artikel 5

De ondertekening bedoeld in de artikelen 2 en 3, luidt:

‘De Voorzitter van het Productschap Zuivel, voor deze’:

gevolgd door:

(…)

‘De teammanager juridische zaken Dienst Regelingen’

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met het op 26 mei 2005 bij de Dienst Regelingen ontvangen formulier “Gecombineerde Opgave 2005” heeft appellant een verzamelaanvraag als bedoeld in artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingediend. In rubriek 1 van het formulier heeft appellant aangekruist dat hij in aanmerking wenst te komen voor melkpremie. Op het formulier heeft hij in de ruimte bestemd voor het maken van op- en aanmerkingen handgeschreven het volgende vermeld:

“Kaarten ontbreken nog worden nagestuurd i.v.m. toezending verkeerde kaarten”

- Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft verweerder naar aanleiding van de bij de Dienst Regelingen ingediende verzamelaanvraag de grondslag voor appellants melkpremie voor het jaar 2005 vastgesteld op € 14233,39. Het besluit vermeldt dat de aanvraag zeven werkdagen te laat werd ontvangen en dat daarom een korting is toegepast

€ 995,64 ( 7% van € 14233,39). De door appellant te ontvangen melkpremie bedraagt daarom, na toepassing van de modulatiekorting van 3 %, € 12830,92.

- Op 11 november 2005 heeft verweerder een bezwaarschrift tegen dit besluit ontvangen.

- Bij brief van 11 november 2005 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en meegedeeld dat het noodzakelijk is dat verweerder voor de beoordeling van het bezwaar beschikt over informatie van de Dienst Regelingen.

- Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit wordt het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt, samengevat, de volgende redenering ten grondslag.

De aanvraag had ingevolge artikel 105 van de Regeling uiterlijk op 15 mei 2005 bij verweerder moeten zijn ontvangen. Rekening houdend met het feit dat 15 mei een zondag was en dat vervolgens maandag 16 mei Tweede Pinksterdag was, zou een op dinsdag 17 mei ingediende aanvraag nog tijdig zijn geweest. De aanvraag is evenwel pas op donderdag 26 mei 2005 bij de Dienst Regelingen ontvangen, waarmee deze 7 werkdagen te laat werd ingediend. Verweerder was daarom gehouden om ingevolge artikel 21, eerste lid van Verordening (EG) nr. 796/2004 op het aan appellant toekomende bedrag aan basispremie plus extra betaling van totaal € 14223,65 een korting toe te passen van 7 keer 1%.

De gevolgen van de te late indiening komen voor risico van de aanvrager, tenzij er sprake is van overmacht of buitengewone omstandigheden. Het feit dat appellant tot vier keer toe verkeerde bedrijfskaarten kreeg toegestuurd levert geen overmacht of een bijzondere omstandigheid op. Appellant heeft immers pas op 11 mei 2005 bij het LNV Loket aangegeven dat hij een verkeerde bedrijfskaart had ontvangen. Door aldus met het nemen van actie te wachten tot de indieningstermijn bijna was verstreken heeft hij het risico genomen dat hij niet tijdig over de juiste bedrijfskaart zou beschikken en dus gekort zou worden op zijn melkpremie. Overigens is het toezenden van bedrijfskaarten een service van de Dienst Regelingen waaraan geen rechten kunnen worden ontleend.

Daarenboven had appellant, nog voor hij over de juiste bedrijfskaarten beschikte, een pro-forma-aanvraag kunnen indienen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Hij was er niet van op de hoogte dat hij ook een pro-forma-aanvraag had kunnen indienen. Hij heeft, toen hij ontdekte dat hem geen juiste bedrijfskaarten waren toegezonden, telefonisch bij het LNV-loket een nieuwe correcte kaart aangevraagd en gewacht met het indienen van zijn aanvraag totdat hij daarover beschikte. Vervolgens heeft de Dienst Regelingen hem tot drie maal toe wederom een verkeerde kaart toegezonden. Toen hij voor de derde keer belde om de juiste bedrijfskaarten aan te vragen werd voor het eerst gewezen op de mogelijkheid een pro-forma-aanvraag in te dienen. Van die mogelijkheid heeft hij direct gebruik gemaakt.

Appellant is op deze wijze het slachtoffer geworden van het toezenden van onjuiste kaarten door verweerder. Daarom is hem ten onrechte een korting opgelegd.

Ter zitting heeft appellant hier nog aan toegevoegd dat het toezenden van onjuist kaartmateriaal in 2005 bij veel aanvragers van subsidie heeft plaatsgevonden. Mede hierom is in 2006 de indieningstermijn voor de verzamelaanvraag verlengd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 117 van de Regeling is verweerder bevoegd tot het beslissen op aanvragen melkpremie. Het bestreden besluit is echter, in afwijking van het onder 2.1 van deze uitspraak geciteerde mandaatbesluit, niet alleen namens verweerder genomen, maar ook namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Deze laatste is niet bevoegd om terzake van aanvragen melkpremie te beslissen.

Namens verweerder heeft de gemachtigde ter zitting desgevraagd verklaard dat de Minister mede- ondertekenaar van het besluit is, gelet op zijn hiërarchische positie ten opzichte van de Dienst Regelingen.

Het College gaat aan de onjuiste ondertekening van het bestreden besluit voorbij nu aan de onjuiste ondertekening in dit geval geen materiële betekenis kan worden toegekend.

Toepassing gevend aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het College vast dat sprake is van schending van een vormvoorschrift, maar dat appellant daardoor niet is benadeeld.

5.2 Uit artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 juncto artikel 12 van Verordening 796/2004 blijkt dat het toezenden van formulieren en bedrijfskaarten in het kader van de verzamelaanvraag niet een kwestie van serviceverlening is, maar een op de lidstaat rustende wettelijke verplichting. Appellant mocht op grond daarvan verwachten dat verweerder hem met het aanvraagformulier, maar in ieder geval naar aanleiding van zijn verzoek van 11 mei 2005, juist kaartmateriaal zou verstrekken. Uit de voorlichting die verweerder heeft verschaft in zijn brochure “Toelichting op de Gecombineerde Opgave 2005”, pagina 24, onder het kopje bedrijfskaart aanvragen, citeert het College:

“Het is mogelijk, (…), dat niet al uw gewaspercelen op de ontvangen bedrijfskaart(en) staan, of dat een gewasperceel maar gedeeltelijk op de bedrijfskaart staat. In dat geval kunt u extra bedrijfskaarten bestellen bij het LNV-loket (….).

Bij uw telefonische bestelling is het belangrijk dat u uw relatienummer bij de hand heeft(…) Om te bepalen waar de ontbrekende percelen liggen, worden aanvullende gegevens gevraagd. Daarnaast geeft u aan dat u de bedrijfskaart nodig heeft voor de gecombineerde Opgave 2005. Houd er rekening mee dat het aanvragen van een nieuwe bedrijfskaart en het werkelijk ontvangen daarvan, minimaal drie werkdagen duurt. Wacht daarom niet tot het laatste moment met bestellen.”

5.3 Verweerder is er ten onrechte van uitgegaan dat het verstrekken van bedrijfskaarten een onverplichte service is. Anderzijds ontneemt het feit dat verweerder in de meeste gevallen verplicht is bedrijfskaarten te leveren appellant niet de verantwoordelijkheid om er voor te zorgen, dat tijdige indiening van de aanvraag ondanks een administratieve onvolkomenheid toch plaatsvindt.

In het onderhavige geval is de verstrekking van de juiste bedrijfskaarten enkele malen achtereen misgelopen. Verweerder heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift niet vastgesteld of hij in dit geval verplicht was de bedrijfskaarten te leveren en zo ja, om welke redenen hij aan die verplichting niet heeft kunnen voldoen.

Het College verbindt daaraan de conclusie dat het bestreden besluit genomen is in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, dat een bestuursorgaan verplicht om, alvorens een besluit te nemen, de nodige kennis te verwerven omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Het College ziet, nu daarom niet is gevraagd, geen aanleiding verweerder te veroordelen in een vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht, te weten € 141.-, vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas