Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:AZ6807

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/498
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/498 11 januari 2007

5196 Regeling verbod handel met bepaalde stoffen

behandelde dieren en producten

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 19 juni 2006, bij het College binnengekomen op 20 juni 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van het College van 7 maart 2006, AWB 03/1383, <www.rechtspraak.nl> LJN AX2054 opnieuw beslist op het bezwaarschrift van appellant tegen een besluit van verweerder van 20 februari 2001.

Bij brief van 18 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift alsmede één stuk ingediend en voor de overige op de zaak betrekking hebbende stukken verwezen naar die welke aan het College zijn overgelegd in zaak AWB 3/1383.

Op 30 november 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving luidt als volgt:

Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (Pb. 1996, L125, blz. 10; hierna: richtlijn) bevat controlemaatregelen met betrekking tot de aanwezigheid in dieren en producten van ingevolge deze richtlijn verboden stoffen waaronder, voor zover hier van belang, de verboden stof 16ß-hydroxystanozolol, hierna: stanozolol. In de richtlijn is onder meer het volgende bepaald.

" Artikel 13

De bevoegde autoriteit

a)(…);

b) verricht, wanneer de illegale behandeling door dit onderzoek wordt bevestigd of wanneer niet-toegestane stoffen of produkten worden gebruikt, dan wel wanneer een gegronde verdenking betreffende het gebruik van dergelijke stoffen of produkten bestaat, de onderstaande controles of laat deze verrichten:

- steekproefcontroles bij de dieren in het bedrijf van herkomst, met name om het gebruik van die stoffen of produkten, en met name eventuele sporen van implantaten op te sporen die controles kunnen een officiële monsterneming omvatten,

(…)

Artikel 15

(…)

3. Wanneer bij onderzoek van een officieel monster sprake is van een illegale behandeling, gelden de artikelen 16 tot en met 19, alsmede de in hoofdstuk V bedoelde maatregelen.

(…)

Artikel 16

De Lid-Staten zien erop toe dat bij een positieve uitkomst die volgens artikel 15 is verkregen,

(...)

de bevoegde autoriteit de volgende onderzoeken verricht:

a) op het bedrijf van herkomst c.q. van oorsprong een onderzoek om de redenen voor de aanwezigheid van residuen vast te stellen

b) in geval van niet-toegestane stoffen of produkten of van illegaal gebruikte toegestane stoffen, illegale behandeling in het stadium van de vervaardiging, de hantering, de opslag, het vervoer, de toediening, de distributie of de verkoop, een onderzoek naar de bron(nen) van de betrokken stoffen of produkten

c) alle overige door haar noodzakelijk geachte aanvullende onderzoeken.

(…)

Artikel 17

In geval van aanwezigheid van niet-toegestane stoffen of produkten of illegale behandeling moet de bevoegde autoriteit zich ervan vergewissen dat de veehouderij(en) die bij de in artikel 13, onder b), bedoelde onderzoeken in het geding is (zijn) onverwijld onder officieel toezicht wordt (worden) geplaatst. De bevoegde autoriteit dient zich er tevens van te vergewissen dat alle betrokken dieren worden voorzien van een officieel merk- of identificatieteken en dat bij het nemen van officiële monsters in eerste instantie met statistisch representatieve aantallen op internationaal erkende wetenschappelijke basis wordt gewerkt.

(…)

Artikel 19

1. De kosten voor de in artikel 16 bedoelde onderzoeken en controles komen ten laste van de eigenaar of de houder van de dieren.

Wanneer het onderzoek de juistheid van het vermoeden bevestigt, komen de kosten voor de analyses die op grond van het bepaalde in de artikelen 17 en 18 worden verricht ten laste van de eigenaar of de houder van de dieren.

(...)

HOOFDSTUK V Maatregelen bij overtredingen

(…)

Artikel 23

(…)

2. Aansluitend op de monsterneming overeenkomstig artikel 17 worden de positief bevonden dieren, wanneer bevestigd wordt dat er sprake is van illegale behandeling, onmiddellijk ter plaatse gedood of, vergezeld van een officieel veterinair certificaat, rechtstreeks naar het aangewezen slachthuis of een destructiebedrijf gebracht om er te worden gedood. De gedode dieren worden vervolgens afgevoerd naar een bedrijf voor de verwerking van hoog-risicomateriaal als bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG (…).

Bovendien moeten, op kosten van het bedrijf, van alle partijen dieren die tot het gecontroleerde bedrijf behoren en mogelijk verdacht zijn, een monster genomen worden.

3. Indien echter de helft of meer dan de helft van de monsters die genomen zijn van een representatief percentage, overeenkomstig artikel 17, positief is, heeft de veehouder de keuze tussen een controle op alle dieren van het bedrijf die mogelijk verdacht zijn en het laten doden van de betrokken dieren.

(…)"

De Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten (hierna ook: regeling) strekt onder meer ter uitvoering van richtlijn 96/23/EG. Ten tijde van belang was in de regeling onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

1. Indien op een bedrijf de aanwezigheid wordt geconstateerd van diergeneesmiddelen of substanties die ingevolge de communautaire regelgeving niet aan landbouwhuisdieren (…) mogen worden toegediend alsmede indien in monsters residuen worden aangetroffen van dergelijke stoffen, wordt het betrokken bedrijf onder officieel toezicht van de minister geplaatst.

(...)

Artikel 6

1. Indien in een monster residuen van diergeneesmiddelen of substanties die niet aan landbouwhuisdieren (…) mogen worden toegediend, worden aangetroffen, worden de kosten van onderzoeken als bedoeld in artikel 16 van richtlijn 96/23/EG in rekening gebracht bij de eigenaar of houder van de bemonsterde dieren dan wel van de dieren, waarvan de bemonsterde producten afkomstig zijn.

2. De in het eerste lid bedoelde kosten hebben betrekking op:

a. het onderzoek naar de redenen voor de aanwezigheid van residuen in de onderzochte monsters op enig bedrijf waar de bemonsterde dieren of producten van afkomstig zijn of zijn;

b. het nemen van monsters;

c. de analyse van de genomen monsters;

d. overige onderzoeken.

(...)"

2.2 In deze zaak kan, mede op grond van het door appellant in zoverre niet bestreden proces-verbaal (---) van verweerders Algemene Inspectiedienst (AID), van de volgende feiten en omstandigheden worden uitgegaan.

- Op 9 maart 2000 is door het Controle Bureau Dierlijke Sector (CBD) een steekproefsgewijze controle uitgevoerd op 26 op het bedrijf van appellant aanwezige dieren. Op 20 april 2000 is gebleken dat één van de acht tot dan toe op de daartoe voorgeschreven wijze onderzochte urinemonsters positief was op stanozolol.

- Appellant had destijds een samenwerkingsovereenkomst met C, slager en boer te D, waarbij door hem uit België geïmporteerde (drachtige) runderen op het UBN nummer van de laatstgenoemde werden geregistreerd tegen een financiële vergoeding. Appellant verzorgde de dieren.

- Op 20 april 2000, de datum waarop voormelde positieve uitslag bekend werd, stonden negen runderen op het bedrijf van appellant op naam van C. Op 21 april 2000 zijn deze runderen overgeschreven op naam van appellant.

- Bij besluit van 25 april 2000 is het bedrijf van appellant op grond van artikel 4, eerste lid, van de regeling onder toezicht geplaatst (hierna: OTP).

- Op 26 april 2000 zijn vervolgens door de AID van vier op het bedrijf aanwezige runderen monsters genomen. Deze monsterneming betrof vier van de negen runderen die op 20 april 2000 nog op naam van C stonden. In het terzake opgemaakte proces verbaal, wordt melding gemaakt van toepassing van de zogenoemde wortel +1 formule op de runderen van C.

- De op 26 april 2000 genomen monsters zijn alle vier op 12 mei 2000 door het RIKILT positief bevonden op de aanwezigheid van stanozolol.

- Ambtenaren van de AID hebben op 12 mei 2000 op het bedrijf van appellant urinemonsters van in totaal 14 runderen genomen. Volgens het te dier zake opgemaakte proces-verbaal betrof deze monsterneming 12 runderen, zijnde het

"wortel +1" aantal runderen dat op 20 april 2000 op naam van appellant stond. Tevens zijn twee nog niet bemonsterde runderen die op 20 april 2000 op naam van C stonden, onderzocht.

- Vervolgens vond op 26 mei 2000 een bemonstering plaats van 62 nog niet bemonsterde runderen, die alle geregistreerd waren op naam van appellant.

- Bij besluit van 21 juni 2000 is de OTP op het bedrijf van appellant opgeheven.

- Tegen de bij het primaire besluit van 20 februari 2001 aan appellant in rekening gebrachte kosten voor de OTP ter hoogte van fl. 103.263,78 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend. Hangende bezwaar heeft verweerder dit bedrag teruggebracht tot fl. 90.103,78 (= € 40.887,31) onder mededeling aan appellant dat hem de onderzoekskosten voorafgaand aan de OTP ten onrechte in rekening waren gebracht. Dit bedrag omvatte de tijdens de OTP genomen 80 monsters à fl 800, - per stuk + 17,5% BTW, de ter uitvoering van het onderzoek in rekening gebrachte administratiekosten ten bedrage van

fl. 165,-- (€74,87), de reis-, verblijf- en arbeidsloonkosten alsmede overige kosten.

- Voormelde gecorrigeerde rekening heeft verweerder bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2003 gehandhaafd. Deze beslissing is bij de uitspraak van het College van 7 maart 2006 vernietigd.

- Daarop heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder op het eerder aan appellant in rekening gebrachte bedrag de kosten van de monsternemingen in het kader van artikel 23, tweede lid, van de richtlijn in mindering gebracht, evenals de reis-, verblijf- en arbeidsloonkosten van de AID-ambtenaren en de overige in rekening gebrachte kosten, aangezien, "niet meer kan worden vastgesteld welk gedeelte van de totale kosten die op het bedrijf van appellant zijn besteed aan de monsterneming en behandeling, is gemaakt in het kader van onderzoeken en controles als bedoeld in artikel 16 van de richtlijn". Zo resteert een bedrag van fl. 3.760,-- (= € 1706,21) voor de vier op de dag na de oplegging van de OTP genomen monsters en de administratiekosten ad fl. 165,-- (= € 74,87), opgeteld derhalve € 1781,08. Dit zijn volgens verweerder kosten van onderzoeken en controles als bedoeld in artikel 16 van de richtlijn.

Verweerder heeft de aanspraak van appellant op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten ingevolge artikel 7:15, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang met de artikelen 1, onderdeel a, en 2, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op één punt. Onder bepaling van het gewicht van de zaak op één bedraagt de vergoeding aldus € 322,--.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd.

De kosten die verweerder in rekening heeft gebracht zijn te beschouwen als kosten voor "alle overige noodzakelijk geachte onderzoeken". Zij zijn dus gemaakt in het kader van artikel 16, onder 2, sub c, van de richtlijn. Onder verwijzing naar de door het College vernietigde beslissing op bezwaar, handhaaft verweerder zijn standpunt dat artikel 16 van de richtlijn het basisartikel is voor de onderzoeken die moeten worden verricht indien het vermoeden van de aanwezigheid van (een) verboden stof(en) bij dieren op een bedrijf is bevestigd.

Verweerder heeft erop gewezen dat de onderhavige monsternemingen op 26 april 2000 zijn uitgevoerd, dat wil zeggen, nadat een positieve uitkomst was verkregen van het onderzoek als bedoeld in artikel 15 van de richtlijn. Dat onderzoek was aangevangen op 9 maart 2000.

Verweerder is van mening dat de kosten met inachtneming van de uitspraak van het College van 7 maart 2003 thans op grond van artikel 6 van de Regeling op juiste wijze in rekening zijn gebracht.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft aangevoerd dat uit het nieuwe besluit niet kan worden afgeleid dat het hier gaat om onderzoeken in het kader van artikel 16 van de richtlijn. Volgens appellant hangen de in artikel 16, onder 2, van de richtlijn bedoelde onderzoeken met elkaar samen. De in dit artikelonderdeel onder c bedoelde onderzoeken slaan terug op de onderzoeken bedoeld in artikel 16, onder 2, sub a (onderzoeken op het bedrijf van herkomst) en sub b (onderzoeken naar de bron). Artikel 19 van de richtlijn ziet op monsternemingen krachtens de artikelen 17 en 18 en niet op monsternemingen krachtens artikel 16 van de richtlijn, omdat deze niet bestaan. Onderzoeken in het kader van artikel 16 van de richtlijn, kunnen ingevolge dit artikel wel ten laste van de eigenaar of houder worden gebracht, maar deze zijn nu eenmaal niet uitgevoerd.

Evenmin is overigens volgens appellant sprake geweest van onderzoeken in de zin van de artikelen 17 en 18 van de richtlijn, aangezien ook het tweede lid van artikel 19 van de richtlijn niet anders kan worden gelezen dan dat pas na bevestiging van het vermoeden van aanwezigheid op het bedrijf van de in artikel 4 richtlijn bedoelde stoffen, de kosten van analyses die worden gedaan op grond van de artikelen 17 en 18 van de richtlijn kunnen worden verhaald. Appellant is van mening dat ook het nieuwe besluit van verweerder moet worden vernietigd omdat het niet berust op een juiste interpretatie van de richtlijn dan wel de uitvoering daarvan, noch van enig artikel in de nationale regeling op grond waarvan deze kosten in rekening kunnen worden gebracht.

Ook meent appellant dat verweerder hem ten onrechte slechts één punt voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft toegekend. Alleen al door het belang dat appellant bij de procedure heeft, is het gewicht van de zaak veel groter geworden. Dit blijkt onder andere uit het grote verschil tussen de beide door appellant in beroep bestreden besluiten, waarvan één beroep reeds gegrond is verklaard.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Partijen zijn – voorzover van belang - verdeeld over de vraag of de in rekening gebrachte kosten kunnen worden beschouwd als kosten voor noodzakelijk vervolgonderzoek als bedoeld in artikel 16, onder 2, en sub c, van de richtlijn. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

5.2 Voorop staat dat artikel 19 van de richtlijn voor wat betreft het kostenverhaal een onderscheid maakt tussen in het kader van artikel 16 enerzijds, en van artikelen 17 en 18 van de richtlijn gemaakte kosten anderzijds.

5.3 De gang van zaken op het bedrijf van appellant, voor zover van belang, is als volgt geweest. Het bedrijf van appellant is op 25 april 2000 onder toezicht geplaatst. Daags na de onder toezichtplaatsing zijn monsters genomen van vier van de negen runderen die op 20 april 2000 nog op naam stonden van C. Zoals blijkt uit het terzake opgemaakte proces-verbaal is bij deze monsterneming de "wortel +1" formule toegepast. In dit verband kan dat niets anders zeggen dat bij het nemen van deze monsters met statistisch representatieve aantallen op internationaal erkende wetenschappelijke basis is gewerkt, zoals vereist krachtens artikel 17 van de richtlijn. Bij de monsterneming van de op naam van appellant geregistreerde runderen op 12 mei 2000, is blijkens het proces-verbaal hetzelfde gebeurd.

5.4 Naar het oordeel van het College bestaat, gelet op de wijze waarop de AID bij de monsternemingen op resp. 26 april en 12 mei 2000 tewerk is gegaan, onvoldoende aanleiding deze te onderscheiden in die zin dat het ene onderzoek zou moeten worden aangemerkt als een aanvullend onderzoek in de zin van artikel 16, tweede lid, aanhef en sub c, van de richtlijn en het andere niet. Het College acht daarbij doorslaggevend dat beide onderzoeken na oplegging van de OTP hebben plaatsgevonden en beide keren de "wortel +1 formule" is toegepast. Voorts acht het College van belang dat bij de uitvoering van de daarop gevolgde onderzoeken de volgorde van de richtlijn is aangehouden, tot op 21 juni 2000 de OTP op het bedrijf van appellant is opgeheven.

5.5 Verweerders betoog dat het onderzoek op de runderen van C is gedaan ter bevestiging van de op grond van artikel 15 van de richtlijn verkregen positieve uitkomst kan gelet op het vorenstaande niet worden staande gehouden. Weliswaar valt naar het oordeel van het College niet uit te sluiten dat onderzoeken als bedoeld in artikel 16,

onder 2 en sub c van de richtlijn mede monsternemingen omvatten, maar een bevestiging als door verweerder bedoeld, zou in het systeem van de richtlijn, in de tijd vooraf moeten gaan aan de oplegging van de OTP. De na oplegging van de OTP genomen monsters op het onder toezicht geplaatste bedrijf zijn dan ook niet te beschouwen als onderzoek in de zin van artikel 16, maar als analyse op grond van artikel 17 van de richtlijn.

5.6 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de monsternemingen en de daaraan verbonden administratiekosten aanvullende onderzoeken zijn in de zin van artikel 16, onder 2 en sub c, van de richtlijn. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit moet in zoverre worden vernietigd.

5.7 Het betoog van appellant dat verweerder hem ten onrechte slechts één punt heeft toegekend als vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte proceskosten faalt. Niet kan worden gezegd dat verweerder hiermee een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de terzake toepasselijke bepalingen van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op dit punt dient het bestreden besluit in stand te worden gelaten.

5.8 Het College vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt ter waarde van € 322,- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met toepassing van een wegingsfactor 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voorzover daarbij aan appellant in het kader van artikel 16, onder 2, en sub c van de richtlijn

een bedrag van € 1781,08 in rekening is gebracht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellant, welke kosten worden vastgesteld op € 644,--

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro) onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat het door appellant betaalde griffierecht ad € 141, - (zegge: honderdeenenveertig euro) aan hem

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. M van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Bruining