Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:AZ6205

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/696
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/696 3 januari 2007

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 30 augustus 2005 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 juli 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Verweerder heeft op 8 november 2005 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 8 november 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006. Namens appellante hebben hierbij B en C het woord gevoerd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, luidde ten tijde van belang:

"Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97."

Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad luidt, voorzover hier van belang:

"Artikel 4

1. Alle dieren op een bedrijf die na 31 december 1997 zijn geboren of na 31 december 1997 worden bestemd voor het intracommunautaire handelsverkeer, worden geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor. (…) Beide oormerken zijn voorzien van dezelfde identificatiecode aan de hand waarvan elk individueel dier kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het is geboren. In afwijking van het voorgaande mogen dieren die vóór 1 januari 1998 zijn geboren, en na die datum bestemd worden voor het intracommunautaire handelsverkeer, tot 1 september 1998 overeenkomstig Richtlijn 92/102/EEG worden geïdentificeerd.

In afwijking van de eerste alinea mogen dieren die vóór 1 januari 1998 zijn geboren en na die datum bestemd worden voor het intracommunautaire handelsverkeer met het oog op onmiddellijke slachting, tot 1 september 1999 overeenkomstig Richtlijn 92/102/EEG worden geïdentificeerd.

(…)

Artikel 24

1. Verordening (EG) nr. 820/97 wordt ingetrokken.

2. Verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 820/97 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening (…)."

Artikel 4.6 van de Regeling dierlijke EG premies (hierna: Regeling) luidde ten tijde en voorzover van belang als volgt:

"Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

(…)

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft zich door middel van het toezenden van een door haar ingevuld deelnameformulier op 15 april 2003 aangemeld als deelnemer aan de slachtpremieregeling.

- In 2004 zijn namens appellante door het slachthuis op diverse data aanvragen voor slachtpremie ingediend voor in totaal achttien runderen.

- Bij besluit van 15 april 2005 heeft verweerder appellante voor 2004 voor twee runderen een totale slachtpremie van

€ 234,60 toegekend. Voor zestien aangevraagde runderen is de slachtpremie geweigerd.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 mei 2005 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 15 mei 2005 heeft appellante verweerder medegedeeld af te zien van de mogelijkheid haar bezwaar mondeling toe te lichten.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Om in aanmerking te komen voor toekenning van slachtpremie dienen runderen te zijn geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens Verordening (EG) nr. 1760/2000. Runderen dienen in beide oren van een oormerk in de zin van de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 te zijn voorzien vanaf het moment dat de dieren op het bedrijf aanwezig zijn. Op nationaal niveau is met de tijdelijke toepassing van een alternatief voor het ontbreken van oormerken tegemoet gekomen aan de principiële bezwaren van een geregistreerde groep gewetensbezwaarden tegen het oormerken van runderen. In het bezwaarschrift heeft appellante aangegeven gebruik te maken van een alternatief merksysteem. De Europese Commissie heeft echter te kennen gegeven het alternatieve merksysteem niet op te nemen in de op de Regeling van toepassing zijnde verordeningen.

Slachtpremie is een premie die beschikbaar wordt gesteld door de Europese Unie. De Regeling is gebaseerd op regelgeving van de Europese Unie en biedt geen ruimte om hiervan af te wijken. Derhalve dient een rund te zijn voorzien van een door de bevoegde instantie goedgekeurd merk in elk oor om zo voor premie, in het kader van de slachtpremieregeling, in aanmerking te komen.

Op grond van jurisprudentie dienen runderen die vóór 1 januari 1998 op het bedrijf van appellante zijn geboren of aangevoerd en sindsdien op dit bedrijf verblijven pas van oormerken te worden voorzien op het moment dat de runderen ná die datum in het intracommunautair handelsverkeer worden gebracht. Runderen die ná 31 december 1997 zijn geboren of worden bestemd voor het intracommunautaire handelsverkeer, dienen te worden geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor.

Appellante heeft niet ontkend dat haar runderen niet worden voorzien van oormerken. Doordat zij niet op de hoorzitting is verschenen, heeft verweerder niet kunnen vaststellen of sprake is van contra-indicaties.

Aangezien zestien van de achttien aangevraagde runderen blijkens gegevens uit het I&R systeem rund ná 31 december 1997 op het bedrijf van appellante zijn geboren en vervolgens tot aan het moment van afvoer naar de slacht op haar bedrijf zijn gehouden, waren deze dieren wegens het ontbreken van oormerken niet premiewaardig en is voor deze runderen terecht geen slachtpremie toegekend.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van haar beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Niet duidelijk is waarom sommige runderen wel en andere runderen niet voor slachtpremie in aanmerking komen. Appellante behoort tot een groep van erkende oormerk gewetensbezwaarden. Zij hanteert een officieel erkend alternatief registratiesysteem, bestaande uit foto's met levensnummers op de registratiekaart en haarmonsters voor controle door middel van DNA onderzoek. Dit systeem is zeer diervriendelijk, betrouwbaar en spaart het milieu vanwege het uitblijven van oormerkverlies. Bij afvoer van de te slachten runderen van het bedrijf worden de oormerken aangebracht.

Appellante voldoet dan ook aan de gestelde eisen voor identificatie en registratie, zodat de slachtpremie ten onrechte is geweigerd.

Nu verweerder zelf de regeling voor gewetensbezwaarden in het leven heeft geroepen, gaat appellante ervan uit dat deze regeling in overeenstemming is met de Europese regelgeving. Dit dient als consequentie te hebben dat de slachtpremie aan haar niet kan worden geweigerd. De besluiten zijn onzorgvuldig genomen, onvoldoende gemotiveerd en in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Appellante heeft er begrip voor dat niet zonder meer van bestaande verordeningen kan worden afgeweken, maar hoopt dat de slachtpremieregeling zodanig kan worden aangepast dat in gevallen als deze van appellante wel slachtpremie kan worden toegekend. De morele kant van de zaak moet worden benadrukt.

5. De beoordeling van het geschil

Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat zestien van de in 2004 door appellante voor slachtpremie in aanmerking gebrachte runderen ná 31 december 1997 op het bedrijf van appellante zijn geboren, vervolgens tot aan het moment van afvoer voor de slacht op haar bedrijf zijn gehouden en niet van oormerken waren voorzien.

Dit brengt mee dat deze zestien runderen niet overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd en dat voor deze dieren op grond van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 geen slachtpremie kon worden toegekend. Appellantes alternatieve registratiesysteem kan, wat hier ook van zij, niet tot een andere conclusie leiden.

Verweerder heeft terecht en op juiste gronden gesteld dat hij geen ruimte heeft om van voornoemde communautaire bepalingen af te wijken en verplicht was de slachtpremie voor de zestien dieren te weigeren. Anders dan appellante heeft aangevoerd, is het bestreden besluit niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur genomen.

Appellantes hoop op een andere slachtpremieregeling en appellantes opvatting dat de morele kant van de zaak moet worden benadrukt, kunnen er niet aan afdoen dat verweerder verplicht was aan de hand van de geldende communautaire regels op appellantes premieaanvraag te beslissen.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2007.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.S. Hoppener