Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ9438

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/860 21 december 2006

20120 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: raad van tucht), zaak 1107/04.41, gewezen op 17 oktober 2005.

1. De procedure

Bij brief van 18 oktober 2005 heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, bij brief van 20 augustus 2004 door appellante ingediend tegen B RA, kantoor houdende te Y (hierna: betrokkene).

Bij een op 29 november 2005 ingediend beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld. Bij brief van 12 december 2005 heeft appellante nadere conclusies en producties ingezonden.

De raad van tucht heeft bij brief van 20 december 2005 stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 13 februari 2006 heeft mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam, namens betrokkene het College een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 16 november 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij betrokkene, bijgestaan door zijn gemachtigde, is verschenen. Tevens is verschenen C, evenals betrokkene werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. te Amsterdam. Appellante is – hoewel daartoe deugdelijk uitgenodigd bij aangetekende brief van 11 oktober 2006 – niet verschenen. In de omstandigheid dat D AA – naar op 16 november 2006, alvorens de behandeling van de zaak was uitgeroepen, telefonisch ingewonnen informatie – heeft gesteld dat deze uitnodiging hem niet persoonlijk heeft bereikt, heeft het College geen aanleiding gezien om de behandeling van de zaak uit te stellen, nog daargelaten dat daarom niet is verzocht.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht tegen betrokkene in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellante heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat enkele volgens de raad van tucht tussen partijen "vaststaande feiten" onjuist zijn dan wel enige kanttekening behoeven. Het betreft hier het collegiaal overleg in verband met de overgang van accountant (punt 2.2 van de bestreden tuchtbeslissing), de geheimhoudingsplicht van betrokkene in relatie tot het collegiaal overleg in verband met een onderzoek door D AA (punt 2.6) en de omzetting van een controleopdracht in een samenstellingsopdracht (punt 2.7).

3.2 Wat betreft punt 2.2 heeft appellante de vaststelling van de raad van tucht niet bestreden, maar opgemerkt dat deze "kort door de bocht is" en dat er in dat verband nog wel meer feiten als vaststaand moeten worden aangemerkt. Zulks kan echter niet leiden tot een gegrondverklaring van het beroep, aangezien het de raad van tucht vrij staat een selectie uit het feitenmateriaal te maken. Voor zover een partij van mening is dat feiten ten onrechte onvermeld zijn gebleven, kan zij dit aan de orde stellen bij grieven tegen de beoordeling van de klacht.

3.3 Ook de opmerking van appellante ten aanzien van punt 2.6 heeft niet betrekking op de vaststelling door de raad van tucht, maar op de waardering ervan. Ook dit punt dient bij de grieven tegen de beoordeling van de klacht te worden betrokken.

3.4 De klacht over punt 2.7 mist feitelijke grondslag. In dit punt heeft de raad van tucht immers, anders dan appellante meent, geen eigen oordeel gegeven over de vraag of sprake is geweest van een wijziging van de opdracht, maar heeft hij slechts vastgesteld – welke vaststelling ook niet door appellante is bestreden – dat betrokkene in een bespreking op 28 juli 2004 bepaalde mededelingen heeft gedaan.

3.5 Het vorenstaande brengt mee dat ook in hoger beroep kan worden uitgegaan van de vaststaande feiten, zoals door de raad van tucht vermeld in rubriek 2 van de bestreden tuchtbeslissing. Bij de beoordeling van de inhoudelijke grieven zullen, voor zoveel nodig, de opmerkingen van appellante ten aanzien van die feiten aan de orde komen.

3.6 Appellante heeft voorts kritiek geleverd op de oordelen van de raad van tucht met betrekking tot de diverse klachtonderdelen. Het betreft hier het uitbrengen van het jaarrapport van E B.V. over 2001 (klachtonderdeel A), de omzetting van een controleopdracht in een samenstellingsopdracht (klachtonderdeel B), het achterwege gebleven zijn van publicatie van de jaarrekening 2001 (klachtonderdeel D), de behandeling van de continuïteitsproblematiek (klachtonderdeel E) en de vermelding van de voorraden in de balans (klachtonderdeel F).

3.7 Met de raad van tucht oordeelt het College ten aanzien van klachtonderdeel A dat het betrokkene niet kan worden verweten dat het jaarrapport op “blanco papier” is uitgebracht. Het door appellante aangeboden getuigenbewijs is derhalve niet ter zake dienend. De op dit onderdeel betrekking hebbende grief dient te worden verworpen.

3.8 Met betrekking tot klachtonderdeel B staat vast dat aan betrokkene oorspronkelijk een controleopdracht is verstrekt. Volgens betrokkene is deze opdracht in een later stadium omgezet in een samenstellingsopdracht. Een dergelijke omzetting is niet in strijd met wettelijke bepalingen, ook niet indien zou komen vast te staan dat zij heeft plaatsgevonden nadat de opdrachtnemer de opdrachtgever ervan in kennis had gesteld dat het moeilijk zo niet onmogelijk zou zijn een goedkeurende verklaring af te geven. In dit geding is niet gebleken dat E B.V. als opdrachtgever zich op enig moment op het standpunt heeft gesteld dat geen omzetting van de opdracht heeft plaatsgevonden. Er is derhalve geen plaats voor het oordeel dat de raad van tucht ten onrechte heeft vastgesteld dat bedoelde omzetting heeft plaatsgevonden. Ook hier geldt dat het aangeboden getuigenbewijs niet ter zake dienend is.

Ook deze grief faalt derhalve.

3.9 De grief ten aanzien van klachtonderdeel D is vergeefs voorgesteld. Er zijn in casu geen wettelijke of tuchtrechtelijke bepalingen van toepassing op grond waarvan de accountant verantwoordelijk kan worden gehouden voor de publicatie van de jaarrekening.

3.10 Met betrekking tot de continuïteitskwestie (klachtonderdeel E) overweegt het College als volgt.

Appellante heeft geen expliciete grief gericht tegen het oordeel van de raad van tucht dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Wel acht appellante het onbegrijpelijk dat de raad van tucht geen consequenties heeft verbonden aan het feit dat betrokkene tijdens de mondelinge behandeling heeft beweerd in het bezit te zijn van e-mails van de ABN-AMRO waaruit zou blijken dat er een forse kapitaalinjectie zou komen, maar dat hij dat niet heeft kunnen staven.

Volgens het proces-verbaal van de zitting van de raad van tucht van 4 juli 2005 heeft betrokkene onder meer het volgende verklaard:

"De status quo van de maatregelen, genoemd in de toelichting bij het rapport, was dat schulden zouden worden kwijtgescholden en het vermogen aldus op nihil zou komen (…) Ik had correspondentie van de ABN Amro Bank die inhield dat het zou gebeuren."

Nadat de voorzitter had meegedeeld dat de raad de overlegging wenste van stukken die betrekking hebben op de maatregelen, genoemd op bladzijde 8 in de jaarrekening, zulks in verband met het feit dat in de samenstellingsverklaring geen toelichtende paragraaf is opgenomen, heeft de gemachtigde van betrokkene verklaard dat hij twee e-mails daarover heeft gevonden.

Bij brief van 15 juli 2005 heeft de gemachtigde van betrokkene een aantal documenten aan de raad van tucht toegezonden, waaronder e-mails van F van ABN AMRO Participaties van 12 april 2002 en van 17 april 2002. Op grond van onder meer deze e-mails is de raad van tucht tot het oordeel gekomen dat de continuïteitsparagraaf in de toelichting bij de jaarrekening de situatie correct weergaf en dat de onderhandelingen, op het moment dat de samenstellingsverklaring werd afgegeven, weliswaar nog niet waren afgerond, maar in een zeer ver stadium waren gevorderd, waarbij de toezegging van de bankier in de vermelde e-mails is gedocumenteerd.

Het College verenigt zich met dit oordeel. Betrokkene heeft, anders dan appellante stelt, wel degelijk kunnen staven hetgeen hij bij de mondelinge behandeling heeft meegedeeld.

3.11 De laatste grief betreft de waardering van de voorraden op de balans (klachtonderdeel F). De raad van tucht heeft hieromtrent het volgende overwogen:

"Anders dan in de klacht is vermeld, heeft verweerder een zekere mate van voorraadcontrole toegepast. Het op dit punt gevoerde verweer is door klager bij repliek niet weersproken.

Gelet op het feit dat verweerder een samenstellingsopdracht diende uit te voeren, lag het niet op de weg van verweerder om terzake controlewerkzaamheden uit te voeren."

Appellante heeft hiertegen de grief gericht dat de raad van tucht zich er met een Jantje van Leiden vanaf heeft gemaakt door te stellen dat betrokkene geen voorraadcontrole heeft toegepast en niet in het bezit is van voorraadlijsten en dat terwijl betrokkene expliciet het tegendeel heeft verklaard in woord en geschrift.

Het College is van oordeel dat de grief berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van de raad van tucht. De raad heeft immers gesteld dat betrokkene in het kader van de samenstellingopdracht niet verplicht was om controlewerkzaamheden uit te voeren, maar dat hij wel degelijk enige voorraadcontrole heeft toegepast. In het licht van de gedingstukken zijn deze oordelen juist. De grief van appellante moet dus worden verworpen.

3.12 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

3.13 Deze beslissing berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.A. Hagen en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.

w.g. B. Verwayen w.g. P.M. Beishuizen

1107/04.41

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A,

gevestigd te X,

vertegenwoordigd door haar vennoot D AA,

klaagster,

C O N T R A:

B RA,

kantoorhoudende te Y,

verweerder,

gemachtigde mr. J.W. van Rijswijk,

advocaat te Amsterdam.

1. PROCEDUREVERLOOP

3.1 De Raad heeft kennisgenomen van de gewisselde stukken te weten de klacht van 20 augustus 2004, het verweer van 26 oktober 2004, de repliek van 7 januari 2005, de dupliek van 9 maart 2005 en de brief van klaagster van 24 mei 2005.

1.1 De klacht is behandeld ter openbare zitting van 4 juli 2005. Ter zitting is namens klaagsterDAA verschenen. Voorts is verweerder verschenen tezamen met C RA, vergezeld van de gemachtigde.

3.3 Na de zitting en naar aanleiding van het aldaar verhandelde heeft de Raad kennisgenomen van de volgende stukken: de brief van 15 juli 2005 van (de gemachtigde van) verweerder, de brief van 25 juli 2005 van klaagster en de brief van 2 september 2005 van (de gemachtigde van) verweerder.

2. VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, of op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan.

2.1 Tot omstreeks juli 2001 heeft D AA, verbonden aan klaagster, hierna: D, opdracht gehad tot controle van de jaarrekening van de besloten vennootschap E B.V., gevestigd te X, hierna: E.

2.2 E heeft begin juli 2001 de opdracht aan D ingetrokken. Ingaande juli 2001 heeft E aan verweerder, verbonden aan PricewaterhouseCoopers N.V. te Eindhoven, opdracht verleend tot het verrichten van accountancywerkzaamheden. De opdracht behelsde aanvankelijk de controle van de jaarrekening van E. Later is deze opdracht gewijzigd in een samenstellingsopdracht.

In verband met de overgang van accountant is collegiaal overleg gevoerd.

2.3 Op 2 december 2002 is E in staat van faillissement geraakt.

2.4 Klaagster heeft van enkele gedupeerden opdracht gekregen om een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken rondom het faillissement van E.

2.5 Bij brief van 30 maart 2004 heeft klaagster aan de directie van PricewaterhouseCoopers N.V. te Breda verzocht informatie te verstrekken aangaande E, waartoe klaagster in die brief een aantal vragen heeft geformuleerd.

3.6 Bij brief van 13 april 2004 heeft PricewaterhouseCoopers N.V., hierna: PwC, aan klaagster meegedeeld dat het op grond van de geheimhoudingsplicht niet mogelijk was te reageren op vijf van de door klaagster gestelde vragen. Voorts is PwC in die brief ingegaan op een vraag van klaagster aangaande collegiaal overleg.

2.6 Op 28 juli 2004 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen D, verweerder en mr. J.W. van Rijswijk. In deze bespreking heeft verweerder onder meer meegedeeld dat de aanvankelijk verleende controleopdracht mondeling is omgezet in een samenstellingsopdracht.

3. KLACHT

3.1 De klacht omvat de volgende verwijten:

A. Verweerder heeft het jaarrapport 2001 van E uitgebracht op blanco papier.

D. Verweerder heeft geen accountantsverklaring afgegeven, terwijl er sprake was van een controleopdracht, gegeven door aandeelhouders. Verweerder beweert dat de controleopdracht mondeling is omgezet in een samenstellingsopdracht, maar kon niet duidelijk aangeven wie dan wel de initiatiefnemer was van deze wijziging in de opdracht.

E. De jaarrekening 2001 is opgesteld buiten de statutair bepaalde termijn.

F. Er heeft geen publicatie van de jaarrekening 2001 plaatsgevonden.

B. Hoewel verweerder op de hoogte was van de discontinuïteitsdreiging bij E heeft hij hiervan geen melding gemaakt aan R.v.C. of Aandeelhouders.

H. Op de door verweerder samengestelde en/of gecontroleerde balans is de voorraad kunstmatig opgehoogd met een bedrag van € 2.000.000 om de cijfers te flatteren. Verweerder heeft geen voorraadcontrole toegepast en zegt niet in het bezit te zijn gesteld van een voorraadlijst.

4. VERWEER

Verweerder heeft tot zijn verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Ad A

4.1 De jaarrekening in kwestie is opgesteld door E. Daarom is evident dat deze niet is uitgebracht op briefpapier van een ander dan van E. De samenstellingsverklaring is uitgebracht op PwC-papier.

Ad B

3.2 Uit de samenstellingsverklaring blijkt dat sprake was van een samenstellingsopdracht. Aan verweerder kan niet worden verweten deze opdracht te hebben uitgevoerd.

Ad C

3.3 De samenstellingsverklaring dateert van 29 april 2002, welke datum is gelegen binnen de wettelijke vijfmaandsperiode.

Ad D

3.4 Niet de accountant, maar het bestuur van de betrokken vennootschap is verantwoordelijk voor de publicatie van de jaarrekening. Indien publicatie achterwege is gebleven, is klaagster met haar verwijt aan het verkeerde adres.

Ad E

4.2 In het hoofdstuk toelichting algemeen van de jaarrekening 2001 van E is de continuïteitsproblematiek expliciet behandeld. Daar er geen sprake was van ernstige onzekerheid omtrent de continuïteit van E behoefde de samenstellingsverklaring geen toelichtende paragraaf te bevatten.

Ad F

4.3 Verweerder heeft terzake de voorraden die werkzaamheden uitgevoerd die noodzakelijk zijn in het kader van een samenstellingsopdracht. De interne voorraadtellingen van E zijn getoetst. Van de door klaagster gestelde ophoging is daarbij niet gebleken.

5. BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klachtonderdeel A

5.1 Vaststaat dat ingevolge de geldende voorschriften de jaarrekening is uitgebracht door de directie van E. Niet valt in te zien waarom aan verweerder zou kunnen worden verweten dat de jaarrekening op blanco papier is uitgebracht. De Raad merkt op dat de bij de jaarrekening behorende samenstellingsverklaring is uitgebracht op papier van PricewaterhouseCoopers.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel B

3.2 Blijkens het verweer, dat in zoverre niet door klager is bestreden, had verweerder aanvankelijk een opdracht tot controle van de jaarrekening en is deze, op instigatie van verweerder, door mondelinge overeenstemming gewijzigd in een samenstellingsopdracht. Geen voor registeraccountants geldende regel brengt mee dat verweerder de aanpassing van de opdracht schriftelijk had moeten bevestigen. Voor een tuchtrechtelijk verwijt is derhalve geen plaats.

Dit neemt niet weg dat de Raad het, mede gelet op Richtlijn RAC 210, onverstandig acht dat verweerder de wijziging van de opdracht niet schriftelijk heeft bevestigd.

Klachtonderdeel C

3.3 Naar aanleiding van het verweer heeft klager bij repliek het verwijt terzake van de overschrijding van de publicatietermijn laten vervallen. De Raad beschouwt dit klachtonderdeel als ingetrokken.

Klachtonderdeel D

3.4 De publicatie van de jaarrekening in de wettelijk voorgeschreven vorm is niet de wettelijke verplichting van de accountant, maar van de directie van de betrokken vennootschap. Ook indien juist mocht zijn dat tijdige publicatie achterwege is gebleven, valt terzake aan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Klachtonderdeel E

5.2 Terzake van de discontinuïteitsproblematiek heeft verweerder verwezen naar de algemene toelichting bij de jaarrekening 2001, waarin een paragraaf aan de continuïteit is gewijd. In die toelichting is vermeld dat in 2002 maatregelen zijn getroffen welke het eigen vermogen significant en structureel moesten versterken, als hoedanig zijn genoemd het omzetten van een deel van het langlopend vreemd vermogen in aandelenkapitaal, het emitteren van nieuw aandelenkapitaal en het bereiken van een akkoord met financiers over kwijtschelding van schulden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat zulks gebaseerd is op e-mails van de bankier, ABN Amro, waaruit bleek dat het de intentie was om maatregelen, bestaande uit kwijtschelding, uit te voeren.

Uit de door verweerder na de zitting overgelegde stukken, waaronder de e-mails van de bankier van 12 april 2002 en 17 april 2002, blijkt genoegzaam dat de continuïteitsparagraaf in de toelichting bij de jaarrekening de situatie correct weergaf. Op het moment dat de samenstellingsverklaring werd afgegeven, op 29 april 2002, waren de onderhandelingen over de herstructurering weliswaar nog niet afgerond, maar in een zeer ver stadium gevorderd, waarbij de toezegging van de bankier in de vermelde e-mails is gedocumenteerd.

De Raad is van oordeel dat, gelet op het voorhanden materiaal, een toelichtende paragraaf in de samenstellingsverklaring niet nodig was.

Daarnaast was blijkens het dossier de Raad van Commissarissen voldoende op de hoogte van de situatie en was er voor verweerder, zo hij dat al niet gedaan zou hebben, geen reden om de Raad van Commissarissen of de aandeelhouders over dit onderwerp apart te informeren.

Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

De Raad merkt overigens op dat verweerder zorgvuldiger met zijn dossier had kunnen omgaan. Er is immers geen definitieve jaarrekening 2001 met samenstellingsverklaring voorhanden. Dat leidt tot onduidelijkheid, die een accountant dient te voorkomen.

Klachtonderdeel F

3.6 Tegenover het verweer met betrekking tot dit klachtonderdeel heeft klaagster niet onderbouwd dat, zoals zij in de klacht heeft gesteld, de voorraad op de balans kunstmatig is opgehoogd met een bedrag van twee miljoen euro. Uit geen van de in het geding zijnde stukken is zulks gebleken.

Anders dan in de klacht is vermeld, heeft verweerder een zekere mate van voorraadcontrole toegepast. Het op dit punt gevoerde verweer is door klager bij repliek niet weersproken.

Gelet op het feit dat verweerder een samenstellingsopdracht diende uit te voeren, lag het niet op de weg van verweerder om terzake controlewerkzaamheden uit te voeren. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

3.7 De hierna vermelde uitspraak berust op artikel 33 Wet op de Registeraccountants en artikel 17 GBR-1994.

6. BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te ’s-Gravenhage:

- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.P.H.M. van den Wildenberg, voorzitter, W. de Bruijn RA en P.A.S. van der Putten RA, leden, in aanwezigheid van mr. P. Rijpstra, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 oktober 2005 door mr. S.C.H. Koning, plaatsvervangend voorzitter.

secretaris voorzitter