Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ6194

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/806
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 06/806 15 december 2006

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoekster,

gemachtigde: mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen,

tegen

de burgemeester van Groningen, verweerder,

gemachtigden: de heren J.P. Wemes en A.O. Broere, beiden werkzaam bij gemeente Groningen.

1. De procedure

Bij besluit van 13 oktober 2006 heeft verweerder op grond van artikel 74 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) besloten de hond van verzoekster te laten doden.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 10 november 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij verzoekschrift van 3 november 2006, naderhand op 10 november 2006 opnieuw ingediend, heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat het bestreden besluit wordt geschorst.

Bij brief van 20 november 2006 heeft verweerder een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ingediend, onder overlegging van op de zaak betrekking hebbende stukken.

De voorzieningenrechter van het College heeft het verzoek behandeld ter zitting van 13 december 2006, waar verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder bij gemachtigden zijn verschenen. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen de heer H. Meijer (hierna: Meijer), werkzaam bij de regiopolitie Groningen, en aan de zijde van verzoekster is tevens verschenen de heer G. Kuiper (hierna: Kuiper), voorzitter van de United Kennel Club Europe.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 73

1.Het is verboden dieren, behorende tot door Onze Minister aangewezen soorten of categorieën van dieren te fokken, in Nederland te brengen, te koop aan te bieden of te verkopen.

2.Het is verboden dieren behorende tot ingevolge het eerste lid aangewezen soorten of categorieën van dieren voorhanden te hebben.

3.Ingevolge het eerste lid worden slechts aangewezen soorten of categorieën, waarvan de dieren een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens of dier.

Artikel 74

1.De burgemeester van de gemeente waar een dier dat in strijd met het bepaalde in artikel 73 is gefokt of voorhanden wordt gehouden, zich bevindt, kan bepalen dat dat dier naar een nader door hem aangewezen plaats moet worden vervoerd en aldaar moet worden gedood.

2. De burgemeester legt een maatregel als bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft het doden van het dier, niet ten uitvoer indien binnen zes weken, nadat de desbetreffende beschikking aan de houder van het dier is bekendgemaakt, de houder een verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht heeft ingediend en op dat verzoek niet afwijzend is beslist.

Artikel 121

1.Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 36, eerste lid, 37, 40, 43, 61, eerste lid, en 73, tweede lid, zijn misdrijven. (…).”

In de op grond van de artikelen 73 en 107 van de Gwd vastgestelde Regeling agressieve dieren van 11 januari 1993 (Stcrt. 1993, 11; hierna: Regeling) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2

Als diersoorten en categorieën van dieren, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet worden aangewezen de soorten en categorieën van dieren als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Artikel 3

(…).

2. Het in artikel 73, tweede lid, van de wet bepaalde is voorts niet van toepassing, indien:

a. de houder beschikt over een dierenpaspoort dan wel een geldig ontvangstbewijs als bedoeld in artikel 7, derde lid, dat is voorzien van een identificatiemerk waaruit blijkt dat sprake is van een dier dat behoort tot de desbetreffende in bijlage 1 bedoelde soort of categorie;

b. het dier is voorzien van een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, dat gelijk is aan het in het dierenpaspoort, bedoeld in onderdeel a, aangebrachte identificatiemerk, en

c. het dier ingeval het zich op een voor het publiek toegankelijk terrein of op het terrein van een ander bevindt, kort is aangelijnd en is voorzien van een muilkorf en de houder het dierenpaspoort of ontvangstbewijs bij zich draagt.

(…).

In bijlage 1 van de Regeling is onder meer het volgende bepaald:

"Bijlage 1. Honden van het Pit-bull-Terriër-type, waaronder wordt verstaan honden die in belangrijke mate voldoen aan de navolgende karakteristieken of in belangrijke mate gelijkenis vertonen met de navolgende afbeeldingen

Algemene omschrijving:

- gespierde gladharige hond

- straalt kracht uit

- atletisch, maar niet zeer slank

- een zwaar front met in vergelijking een lichte achterhand

- van opzij gezien maakt de hond een vierkante indruk

- hoogte (schoft): 35-50 cm

Hoofd:

- geblokt, doosvormig, zwaar in verhouding tot het lichaam

- brede kaaktakken

- brede schedel

- sterk ontwikkelde neusbrug

- het gebied onder de ogen is opmerkelijk breed

- sterk ontwikkelde kauwspieren

Voorsnuit:

- geen spitse snuit

Oren:

- hoog aan het hoofd geplaatst

- tippend of gecoupeerd

- geen rimpels

Ogen:

- rond, diepliggend en betrekkelijk klein

- breed uit elkaar geplaatst

Hals:

- gespierd tot aan de schedel

- kort

Borst:

- diep

- ruim gebogen ribben, naar onderen taps toelopend

- breed

Rug:

- gespierd

- kort

Benen:

- de voorbenen zijn recht en maken een zware, solide indruk

- de heupen zijn breed en lang en lopen af in betrekkelijk lange achterbenen

Vacht:

- kortharig

Staart:

- laag aangezet

- dun

- vrij kort in relatie tot het lichaam

- taps toelopend tot een fijne punt

- of gecoupeerd.”

2.2 Bij de beoordeling van de zaak gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoekster is eigenaar van de hond Madjoe.

- Van deze hond is geen stamboom afgegeven door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied (hierna: Raad) en/of dierenpaspoort aanwezig.

- In de periode voorafgaand aan 14 juni 2006 is de regiopolitie, naar aanleiding van klachten over het loslopen van de hond en een bijtincident, diverse malen bij verzoekster aan de deur geweest, doch zij was telkenmale niet thuis. Tijdens deze bezoeken rees bij de regiopolitie het vermoeden dat het een hond betrof met de uiterlijke kenmerken van een Pit-bull-Terriër.

- Op 14 juni 2006 is de hond door de regiopolitie Groningen, afdeling Levende Have, in beslag genomen.

- Op 21 juni 2006 heeft B.S.J. Ludema (hierna: Ludema), ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst Noord en Oost Nederland (hierna: AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de hond op verzoek van verweerder geschouwd om te beoordelen of deze tot het Pit-bull-Terriër-type gerekend moet worden. Hiervan is door Ludema een expertiseverslag opgemaakt. Volgens dit expertiseverslag, dat aan de hand van bijlage 1 van de Regeling is opgesteld, voldoet de hond in overwegende mate aan de kenmerken van een hond van het Pit-bull-Teriër-type. Voorts heeft hij vastgesteld dat in de hond geen chip of tatoeage was aangebracht.

- Bij brief van 28 juni 2006 heeft verweerder verzoekster bericht dat de inbeslagname van de hond berust op de artikelen 73 en 74 Gwd en artikel 125 Gemeentewet.

- Hiertegen heeft verzoekster bij brief van 7 juli 2006 bezwaar gemaakt.

- Op 11 juli 2006 heeft verweerder aan verzoekster zijn voornemen kenbaar gemaakt de hond te laten doden. Hierbij is verzoekster in de gelegenheid gesteld haar zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken.

- Bij brief van 17 juli 2006 heeft verzoekster verweerder bericht dat zij met betrekking tot de hond een contra-expertise wil laten uitvoeren.

- Op 19 augustus 2006 heeft een tot op heden anoniem gebleven functionaris, die als pitbull-deskundige is aangewezen door de directeur Landbouw van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, op verzoek van verweerder de hond geschouwd om te beoordelen of deze tot het Pit-bull-Terriër-type gerekend moeten worden. Hiervan is door deze functionaris op 21 augustus 2006 een expertiseverslag opgemaakt. Volgens dit expertiseverslag, dat aan de hand van bijlage 1 van de Regeling is opgesteld, zijn bij de hond de uiterlijke kenmerken die in de Regeling staan aangegeven in ruime mate aanwezig en moet de hond tot het Pit-bull-Terriër-type gerekend worden. Voorts is door de functionaris vastgesteld dat in de hond geen tatoeage of chip is aangebracht.

- Op 22 augustus 2006 heeft Kuiper de hond op verzoek van verzoekster geschouwd om te beoordelen of deze tot het Pit-bull-Terriër-type gerekend moeten worden. Hiervan is door Kuiper een verslag opgemaakt. Volgens dit verslag voldoet de hond aan 9 van de kenmerken van bijlage 1 van de Regeling en valt daarmee niet onder de Regeling.

- Op 29 augustus 2006 is verzoekster naar aanleiding van haar bezwaarschrift gehoord door een ambtelijke commissie. Ten behoeve van deze hoorzitting heeft verweerder bij brief van 31 juli 2006 gereageerd op het bezwaarschrift. Tijdens de hoorzitting zijn evenbedoelde (expertise)verslagen ingebracht. Vervolgens zijn verweerder en verzoekster in de gelegenheid gesteld schriftelijk op deze verslagen te reageren. Bij brief van 11 september 2006 heeft verweerder een reactie gegeven; verzoekster heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Van de hoorzitting is een verslag opgemaakt. Op 15 september 2006 heeft de ambtelijke commissie verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

- Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de ambtelijke commissie, het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

- Vervolgens heeft verweerder het besluit tot het laten doden van de hond genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen en besloten:

"(…)

Op 11 juli 2006 heb ik mijn voornemen tot het euthanaseren van de hond van uw cliënt, mevrouw A, kenbaar gemaakt. De hond is op 21 juni 2006 geschouwd door de heer Ludema van de Algemene Inspectiedienst (AID) en daarbij aangemerkt als Pitbullterrier-type. Het expertiseverslag heeft u als bijlage bij mijn voornemen tot euthanaseren ontvangen. Gedurende twee weken bent u in de gelegenheid geweest uw zienswijzen over dit voornemen kenbaar te maken en eon contra-expertise uit to laten voeren. Ik heb van u geen zienswijze over mijn voornemen ontvangen. Wel heb ik van uw client op 18 juli 2006 een verzoek voor het uitvoeren van een contra-expertise ontvangen.

Contra-expertise 1.

Op 22 augustus 2006 heeft u een contra-expertise laten uitvoeren door de heer Kuiper, voorzitter van United Kennel Club Europe. In de rapportage van de schouw komt de heer Kuiper tot de conclusie dat de hond aan 9 van de kenmerken van bijlage 1 van de Regeling agressieve dieren (RAD) is voldaan en daarmee niet onder de RAD valt.

Contra-expertise 2.

Aangezien de heer Kuiper niet bij mij bekend was en niet behoort tot een van de drie door de minister van Landbouw Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV) aangewezen pitbulldeskundigen, heb ik zelf door een van deze drie onafhankelijke deskundigen op 19 augustus 2006 een contra-expertise laten uitvoeren. Dit omdat ik wilde voorkomen dat er bij de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften – waar uw bezwaar over de inbeslagname van de hond aan de orde was – twee tegenstrijdige oordelen over de hond voor zouden liggen. Uit het expertiseverslag blijkt dat de hond geen erkende rashond met een erkende stamboom van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied kan zijn, aangezien de hond niet is voorzien van een chip of tatoeage. De deskundige komt tot de conclusie dat de hond in ruime mate de uiterlijke kenmerken bezit zoals die vermeld staan in bijlage I van de RAD en daarom tot het Pitbullterrier-type gerekend moet worden. Daarbij zijn de karakteristieken van het hoofd de belangrijkste kenmerken van dit type hond. Tot op heden is geen stamboom overgelegd waaruit blijkt dat sprake zou zijn van een ander type hond dan een Pitbullterrier.

Door twee onafhankelijke deskundigen is geconstateerd dat de hond behoort tot het Pitbullterrier-type. De heer Kuiper komt tot de conclusie dat de hond daar niet toe behoort. De heer Kuiper heeft echter de schouw niet uitgevoerd aan de hand van de RAD. Hij heeft de hond slechts op 25 van de 33 punten onderzocht en er zijn geen foto's van de hond gemaakt. Uit de rapportage blijkt niet om welke hond het gaat. Tevens wordt niet duidelijk op grond waarvan de heer Kuiper als deskundige gezien zou moeten worden. Ik zie dan ook geen reden om af te zien van mijn voornemen.

Het voor handen hebben van honden van het Pitbullterrier-type is op grond van artikel 73, 2e lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (verder te noemen: wet) verboden. Uw cliënt heeft dit verbod overtreden door een Pitbullterrier-type hond te houden. Ik kan op grond van artikel 74, 1e lid van de wet bepalen dat een dergelijke hond wordt gedood.

Omdat de hond is geschouwd door een onafhankelijke deskundige die heeft vastgesteld dat de hond in overwegende mate voldoet aan de kenmerken van de regeling hoeft geen individuele belangenafweging meer te worden gemaakt. Uit de toelichting op de regeling blijkt dat onverkorte toepassing van het houdverbod voor honden van het Pitbullterrier-type de bedoeling is. Belangrijk is dat deze honden zich niet eerst hoeven te misdragen voordat er tegen kan worden opgetreden.

Het blijkt dat honden van het Pitbullterrier-type al tientallen jaren worden gefokt op agressie. Als het dier zich eenmaal heeft vastgebeten in zijn slachtoffer laat het niet meer los. Hierdoor en door de vorm van de kaak is de letselschade per incident groot. Een dergelijke hond kan aanvallen zonder aanwijsbare reden en zonder voorafgaande signalen die wijzen op een aanval. Gebleken is dat dergelijke honden zeer gevaarlijk kunnen zijn voor mens en dier, terwijl het door de onvoorspelbaarheid van zijn gedrag moeilijk is dit gevaar uit de weg te gaan. Door het doden van dergelijke honden wordt de grootste bescherming voor mens en dier gecreëerd.

Vanwege bovenstaande redenen besluit ik de hond te euthanaseren. Deze maatregel zal uitgevoerd worden na verloop van 6 weken na bekendmaking van dit besluit.

(…). ”

In de schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening en ter zitting is vanwege verweerder nog het volgende opgemerkt.

Verweerder heeft zich bij de beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake is van een hond van het Pit-bull-terriër-type uitgebreid laten adviseren en de conclusie kan niet anders zijn dan dat het hier een verboden hond betreft. Verzoekster heeft ruimschoots gelegenheid gehad om aan te tonen dat haar hond geen verboden hond is.

4. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft met betrekking tot haar verzoek om een voorlopige voorziening het volgende naar voren gebracht.

Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat haar hond een Pit-bull-Terriër-type is. Op basis van de Regeling kunnen enkel een drietal personen contra-expertise uitvoeren over de vraag of er al dan niet sprake is van een Pit-bull-terrier. Kuiper behoort niet hiertoe. Het is om deze reden dat verweerder de conclusies van de heer Kuiper verder buiten beschouwing laat.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, nr. 154) recht heeft op een "faire" procesgang. Dit betekent dat zij in de gelegenheid moet worden gesteld om haar stellingen te bewijzen door middel van het inschakelen van een deskundige. Deze deskundige komt tot de conclusie dat de hond geen Pit-bull-Terriër is, mede omdat de hond te groot is.

Verweerder had niet op voorhand de conclusie van Kuiper buiten beschouwing moeten laten, met als argument dat het hier geen officiële door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: Minister) aangewezen schouwer is. Door een beroep te doen op deze regeling wordt de faire procesgang op onredelijke wijze geschonden, omdat een ieder het recht heeft om zijn stellingen te laten bewijzen door deskundigen. Dat betekent dat naar het oordeel van appellante verweerder wel degelijk de schouwing van Kuiper in zijn besluitvorming had moeten betrekken en had moeten aangeven waarom hij de schouwing van de heer Kuiper verder buiten beschouwing laat.

Het op voorhand al verwerpen van het rapport van Kuiper, omdat hij geen officiële door de Minister aangewezen schouwer is en zijn rapportage niet zou voldoen aan de daarvoor gestelde criteria, is dan ook in strijd met artikel 6 EVRM en zou dus moeten leiden tot vernietiging van dat besluit.

Verweerder kent derhalve ten onrechte geen, althans te weinig waarde aan de rapportage van Kuiper. Deze rapportage staat nog steeds recht overeind. Weliswaar staan daar twee andersluidende rapportages tegenover, maar dat is onvoldoende om het verstrekkende besluit tot het laten doden van de hond te dragen. De hond dient derhalve het voordeel van de twijfel te krijgen. Voorts bestaat aanleiding de hond opnieuw te laten schouwen, omdat klaarblijkelijk deskundigen het er niet over eens zijn of de hond al dan niet als een hond met pitbullachtige kenmerken moeten worden aangemerkt en dus valt onder de Regeling.

5. De beoordeling van het verzoek

Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder de hond terecht heeft aangemerkt als hond van het Pit-bull-Terriër-type.

Artikel 73, tweede lid, Gwd bevat een verbod op het voorhanden hebben van dieren, behorende tot nader aangewezen soorten of categorieën van dieren. Blijkens de toelichting bij artikel 73 is voor de aanwijzing van categorieën van agressieve honden gekozen voor een stelsel waarbij deze categorieën door wetsduiding als gevaarlijk worden aangeduid, ongeacht of honden binnen deze categorieën aanwezig zijn die mogelijk deze agressiviteit niet bezitten.

Bij de Regeling is op grond van artikel 73 Gwd de categorie van het Pit-bull-Terriër-type aangewezen. In bijlage 1 van de Regeling zijn de karakteristieken van dit type hond opgesomd. Volgens de Regeling worden honden die in belangrijke mate voldoen aan de opgesomde karakteristieken, als honden van het Pit-bull-Terriër-type aangemerkt. Uit de Toelichting op de Regeling volgt dat een hond niet aan alle kenmerken behoeft te voldoen om als zodanig te worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gezien het expertiseverslag van Ludema en het expertiseverslag van de anonieme functionaris, genoegzaam aannemelijk te achten dat de hond in belangrijke mate voldoet aan de karakteristieken opgesomd in bijlage 1 van de Regeling. In verband hiermede is de conclusie gerechtvaardigd dat het hier gaat om een hond van het Pit-bull-Terriër-type.

Hetgeen verzoekster hiertegen heeft ingebracht leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Het betoog van verzoekster dat verweerder in zijn besluitvorming het verslag van Kuiper buiten beschouwing heeft gelaten omdat hij niet als deskundige door de Minister is aangewezen en zij om die reden geen faire procesgang heeft gehad, mist feitelijke grondslag. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de conclusies van Kuiper immers in zijn oordeelsvorming betrokken, maar zich evenwel op het standpunt gesteld dat daar niet de waarde aan kan worden toegekend die verzoekster daaraan gehecht wenst te zien. Van strijd met artikel 6 EVRM zoals door verzoekster bepleit is derhalve geen sprake.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op evenbedoeld standpunt heeft kunnen stellen. Kuiper heeft de hond niet aan de hand van de volledige bijlage 1 van de Regeling beoordeeld, nu hij de hond blijkens zijn verslag slechts op 25 van de in totaal 33 karakteristieken die zijn vermeld in bijlage 1 van de Regeling heeft beoordeeld. Dat de schofthoogte van de hond vier centimeter hoger is dan vermeld in bijlage 1 van de Regeling, betekent niet dat de hond niet in belangrijke mate voldoet aan meergenoemde karakteristieken. Uit de Toelichting op de Regeling volgt immers dat een hond niet aan alle kenmerken behoeft te voldoen om als Pit-bull-Terriër-type aangemerkt te worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het laten verrichten van een contra-expertise.

Met betrekking tot de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de hem op grond van artikel 74, eerste lid, Gwd toekomende bevoegdheid de hond te laten doden, overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat het bij Pit-bull-Terriërs gaat om honden waarvan in verband met agressieve eigenschappen aangenomen moet worden dat zij gevaarlijk zijn, en waarvan het voorhanden hebben verboden is en strafbaar is gesteld als misdrijf. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen aanleiding te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van voornoemde bevoegdheid.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het daartoe strekkende verzoek zal dan ook worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Venekamp