Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ5816

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-12-2006
Datum publicatie
09-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/177
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/177 14 december 2006

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A V.O.F., te X, appellante,

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. M.W. Oomen en R. Scholten, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 8 maart 2005, bij het College binnengekomen op 9 maart 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 februari 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen twee besluiten van verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 13 mei 2005 een verweerschrift ingediend en op 23 mei 2005 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

"Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie voor het aanhouden van zoogkoeien worden verleend (zoogkoeienpremie). Het betreft een premie per jaar en per producent, toegekend binnen individuele maxima.

2. De zoogkoeienpremie wordt toegekend aan alle producenten:

(…)

op voorwaarde dat zij gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de dag van indiening van de aanvraag een aantal zoogkoeien houden dat ten minste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen dat ten hoogste gelijk is aan 40% van het aantal waarvoor de premie is aangevraagd.

Voor 2002 en 2003 moet het aantal vaarzen dat moet worden gehouden ten minste 15% uitmaken van het totale aantal dieren waarvoor de premie wordt aangevraagd.

(…)

Een veehouder die voor minder dan 14 zoogkoeien premies aanvraagt, is vrijgesteld van de voorwaarde inzake het minimumaantal vaarzen.

(…)"

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

p) "aanhoudperiode": periode waarin een dier waarvoor steun is aangevraagd, op grond van de onderstaande voorschriften op het bedrijf moet worden aangehouden:

(…)

- wat de zoogkoeienpremie betreft, artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2342/1999;

(…)

s) "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan;

(…)

Artikel 10 - Voorwaarden met betrekking tot de steunaanvragen "dieren"

1. Een steunaanvraag "dieren" moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of op steun aanspraak kan worden gemaakt, en met name:

(…);

c) het aantal en de soort dieren waarvoor steun wordt aangevraagd en, wat runderen betreft, hun identificatiecode;

(…)

Artikel 37 - Vervanging

1. Op het bedrijf aanwezige runderen worden alleen als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag zijn geïdentificeerd. Een zoogkoe of een vaars waarvoor een premie op grond van artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 wordt aangevraagd, of een melkkoe waarvoor steun op grond van artikel 13, lid 4, van die verordening wordt aangevraagd, mag in de aanhoudperiode binnen de in de genoemde artikelen vastgestelde grenzen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun verbeurd wordt.

2. De in lid 1 bedoelde vervangingen moeten plaatsvinden binnen 20 dagen na de datum waarop het feit waardoor het dier moet worden vervangen zich voordoet, en worden uiterlijk drie dagen na de dag van de vervanging in het register aangetekend. De bevoegde instantie waarbij de steunaanvraag is ingediend, wordt hiervan binnen tien werkdagen na de vervanging in kennis gesteld.

Artikel 38

Kortingen en uitsluitingen met betrekking tot runderen waarvoor steun wordt aangevraagd

1. Wanneer met betrekking tot een steunaanvraag in het kader van de steunregelingen voor rundvee een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het geconstateerde aantal dieren in de zin van artikel 36, lid 3, wordt het totaalbedrag van de steun waarop het bedrijfshoofd voor de betrokken premieperiode op grond van die regelingen aanspraak kan maken gekort met het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage, wanneer ten aanzien van niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld.

2. (…)

3. Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt het totaal van de dieren waarvoor in de betrokken premieperiode op grond van alle steunregelingen voor rundvee steun wordt aangevraagd en ten aanzien waarvan onregelmatigheden worden vastgesteld, gedeeld door het totaal van alle in de betrokken premieperiode geconstateerde runderen.”

Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 16

Periode gedurende welke de dieren moeten worden aangehouden

De in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde aanhoudperiode van zes maanden gaat in op de dag volgende op die van de indiening van de aanvraag.

Artikel 23 - Gebruik van de premierechten

1. Een producent mag de rechten waarover hij beschikt gebruiken door deze zelf te doen gelden en/of door tijdelijke overdracht aan een andere producent.

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

- (…)

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

(…)

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

(…)”

De Regeling luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 6.1

Voor een premie komen slechts zoogkoeienproducenten in aanmerking die:

(…)

c. gedurende tenminste zes maanden, te rekenen vanaf de dag volgend op die van ontvangst door LASER van de aanvraag, op het bedrijf een aantal zoogkoeien houden dat tenminste gelijk is aan 60% en een aantal vaarzen houden dat tenminste gelijk is aan 15% van het aantal zoogkoeien waarvoor de premie is aangevraagd.

(…)

Artikel 6.2a

(…)

2. Indien gedurende de aanhoudperiode de in de aanvraag vermelde zoogkoeien en vaarzen worden vervangen, wordt de vervanging:

a. binnen drie dagen na de dag van de vervanging aangetekend op een daartoe door LASER vastgesteld formulier; en

b. binnen tien werkdagen na de dag van vervanging gemeld aan LASER middels een daartoe door LASER vastgesteld formulier.

Artikel 6.3

Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90.”

2.2 In de “Interpretatienota nr. 51” is opgenomen een brief van 30 april 1996 van de directeur-generaal Landbouw van de Europese Commissie in antwoord op de vraag van het Britse ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening of er in de drie door dit ministerie genoemde voorbeelden sprake is van ”naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen” als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 3886/92, nadien artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999.

Het eerste voorbeeld betreft een producent die honderd premierechten voor zoogkoeien heeft, slechts vijftig koeien houdt en daardoor minder dan 70% van zijn rechten heeft gebruikt.

Het tweede voorbeeld betreft een producent die premies aanvraagt op grond van meer dan een veehouderijregeling en een deel van zijn premierechten voor zoogkoeien niet (meer) kan gebruiken omdat hij als gevolg van de toekenning van premie voor de andere veehouderijregeling(en) onvoldoende GVE’s over heeft.

Het derde voorbeeld betreft een producent die de dieren op zijn bedrijf heeft, maar te laat een premieaanvraag indient.

Het antwoord van de directeur-generaal luidt als volgt:

" Laten wij beginnen met het eerste voorbeeld. (…) Mijn diensten stellen voor dat in een dergelijke situatie, om te voorkomen dat voor dezelfde onjuiste aanvraag een dubbele sanctie wordt opgelegd, het gebruikte percentage van het quotum wordt vastgesteld aan de hand van de in Interpretatienota nr. 26 uiteengezette methode voor de berekening van individuele maxima. Hierin is bepaald dat, "wanneer door de toepassing van strafmaatregelen geen of een lagere premie voor het betrokken verkoopseizoen [kalenderjaar] uitbetaald wordt, voor de bepaling van het individuele maximumaantal dieren wordt uitgegaan van het aantal dat is geconstateerd bij de controle op grond waarvan deze strafmaatregelen zijn toegepast". Dit betekent dat met ingang van 1996 in het als voorbeeld genomen geval niet 100% maar 50% van de rechten aan de producent moet worden ontnomen overeenkomstig het bij de inspectie geconstateerde gebruik van het quotum, aangezien dit gebruik minder dan 70% bedraagt.

Wat het tweede voorbeeld betreft is de Commissie van mening dat in principe de nieuwe 70%-regel voor quotumgebruik met ingang van het verkoopseizoen/kalenderjaar 1996 integraal van toepassing is en dat, mede gelet op de aangebrachte wijzigingen, de voorschriften voor overdracht/tijdelijke overdracht van rechten de producenten nog steeds voldoende gelegenheid bieden om hun quotum aan te passen aan hun premie-aanvragen. (…)

Wat het derde voorbeeld betreft (…). Ook hier verwijst de Commissie naar Interpretatienota nr. 26, waarin is bepaald dat, "wanneer niet kan worden aangetoond dat de betrokken producent geen dieren heeft gehouden, een zo strenge strafmaatregel als het niet toewijzen van een individueel maximumaantal rechten bezwaarlijk kan worden toegepast", en zij preciseert dat zij dezelfde aanpak zou volgen wanneer de mogelijke sanctie wegens het niet tijdig indienen van een aanvraag zou bestaan in totale intrekking van het quotum. Mijn diensten stellen dan ook voor dat de autoriteiten van de Lid-Staat in dergelijke gevallen bijvoorbeeld de producent van tevoren in kennis stellen van hun voornemen de rechten wegens het niet ontvangen van een aanvraag in te trekken, waarbij zij de producent voldoende tijd geven om te reageren. De bevoegde autoriteiten zouden kan kunnen besluiten de nodige controles uit te voeren om na te gaan of een producent die heeft nagelaten een aanvraag in te dienen, op het moment waarop hij dat had kunnen doen wel voor premies in aanmerking kwam, en om het aantal aangehouden dieren dat in aanmerking zou zijn gekomen, te verifiëren. Dit aantal zou dan worden gebruikt voor de berekening van het gebruikte deel van het quotum. (…)"

2.3 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 26 juni 2003 heeft appellante bij verweerder op grond van de Regeling voor het premiejaar 2003 zoogkoeienpremie aangevraagd voor 34 zoogkoeien en zes vaarzen.

- Bij brief van 14 augustus 2003 heeft verweerder appellante de ontvangst van deze aanvraag bevestigd en appellante meegedeeld dat er voor het seizoen 2003 39,90 premierechten op haar naam geregistreerd staan.

- Bij besluit van 23 juni 2004 heeft verweerder appellante voor 2003 voor twaalf zoogkoeien premie verleend.

- Bij besluit van 9 juli 2004 heeft verweerder op grond van onderbenutting in 2003 27,90 op naam van appellante geregistreerde premierechten overgedragen aan de nationale reserve.

- Bij brieven van 14 juli 2004 heeft appellante tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

- Op 25 januari 2005 is appellante over haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

De runderen met ID-code NL 194527655, NL 245040986 en NL 278429853 zijn vroegtijdig van appellantes bedrijf afgevoerd, zodat voor deze dieren terecht geen premie is verleend.

Appellante heeft een premieaanvraag ingediend voor 34 zoogkoeien en zes vaarzen. Op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 diende appellante ten minste zes vaarzen aan te houden. Uit het I&R-systeem rund is gebleken dat zes aangevraagde vaarzen binnen de aanhoudperiode hebben gekalfd. Gesteld noch gebleken is dat appellante voor deze runderen vervangende dieren aan verweerder heeft gemeld. Het aantal vaarzen dat appellante heeft aangehouden, bedraagt derhalve niet ten minste 15 % van het totale aantal aangevraagde dieren. Nu appellante onvoldoende vaarzen heeft aangehouden, zijn 27 runderen verwijderd uit de aanvraag. Voor deze 27 runderen kan geen premie worden uitgekeerd.

Per 1 januari 2003 beschikte appellante over 39,90 premierechten, waarvan zij in 2003 twaalf premierechten heeft benut. Derhalve zijn er 27,90 premierechten niet benut en aan de nationale reserve toegevoegd. Er zijn geen feiten en of omstandigheden gebleken, welke tot de conclusie zouden kunnen leiden dat één van de in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999, genoemde uitzonderingsgevallen op appellante van toepassing is.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Zij erkent dat de runderen met ID-code NL 194527655, NL 245040986 en NL 278429853 niet premiewaardig zijn.

Materieel heeft appellante wel degelijk voldaan aan de verplichting ten minste 15% vaarzen aan te houden. Uit de bedrijfskalflijst blijkt dat er in de periode hier van belang ruim voldoende vervangende vaarzen op het bedrijf van appellante aanwezig waren. Voorzover verweerder dit niet uit het I&R-systeem rund kan afleiden, dient hij nader onderzoek te doen en moet hij bijvoorbeeld ook genoegen nemen met daartoe strekkend bewijs uit bijvoorbeeld de bedrijfsadministratie.

Op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 behoeft de producent ook enkel en alleen een “aantal” niet nader gespecificeerde vaarzen aan te houden. Aan deze verplichting heeft appellante voldaan.

Aldus heeft verweerder ten onrechte premie voor een aantal dieren geweigerd en daardoor eveneens ten onrechte geconcludeerd dat appellante minder dan 90% van de op haar naam geregistreerde premierechten heeft benut.

Zo al een grondslag bestaat om de gegevens uit het I&R-systeem rund te betrekken bij de beoordeling van de onderhavige premieaanvraag, heeft verweerder bij zijn besluit tot premieweigering en vermindering van het aantal op naam van appellante geregistreerde premierechten gehandeld in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Tegenover het belang van appellante bij verkrijging van de gevraagde premie en het behoud van haar premierechten, valt geen overwegend belang aan de zijde van verweerder te onderscheiden. Het belang van appellante dient derhalve te prevaleren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 6, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999, in samenhang gelezen met de artikelen 2, onder p en s, 10, eerste lid, aanhef en onder c, 37 en 38, eerste en derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, dienen de voor zoogkoeienpremie in de aanvraag opgegeven en geïdentificeerde dieren voor minimaal 15% uit vaarzen te bestaan en dienen zowel de opgegeven zoogkoeien als de opgegeven vaarzen gedurende ten minste zes maanden vanaf de indiening van de aanvraag te worden gehouden.

Indien een voor premie opgegeven vaars niet (meer) premiewaardig is, kan deze vaars ingevolge artikel 37, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 worden vervangen, zonder dat het recht op betaling van de aangevraagde steun wordt verbeurd. Ingevolge artikel 37, tweede lid, laatste volzin, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 wordt de bevoegde instantie binnen tien werkdagen na de vervanging van de vervanging in kennis gesteld. Overeenkomstig dit communautairrechtelijk vereiste is in artikel 6.2a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling bepaald dat de vervanging binnen tien werkdagen na de dag van vervanging wordt gemeld aan LASER (thans Dienst Regelingen).

5.2 Het voorgaande brengt mee dat de opvatting van appellante, dat zij op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 slechts een “aantal” niet nader gespecificeerde vaarzen hoeft aan te houden, niet kan slagen. Het gaat om de in de aanvraag opgegeven en geïdentificeerde dieren, die zonodig door andere opgegeven en geïdentificeerde dieren zijn vervangen. Dat appellante feitelijk voldoende vaarzen op zijn bedrijf had die aan de premievoorwaarden voldeden, zoals hij heeft gesteld, kan hem aldus niet baten.

5.3 Vaststaat dat alle zes vaarzen, waarvoor appellante in 2003 zoogkoeienpremie heeft aangevraagd, binnen de aanhoudperiode van zes maanden hebben gekalfd. Aangezien deze vaarzen als gevolg van het kalven zoogkoe waren geworden, dienden deze dieren door andere vaarzen op de voorgeschreven wijze te worden vervangen teneinde nog te kunnen voldoen aan het vereiste dat 15% van de voor premie in aanmerking gebrachte dieren uit vaarzen bestaat. Nu appellante dit niet heeft gedaan, kon, gelet op artikel 6, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999, nog maar voor maximaal dertien zoogkoeien premie worden verleend.

Het College stelt vast dat verweerder slechts voor twaalf dieren zoogkoeienpremie heeft verleend. Verweerder hanteert bij de verwijdering van dieren uit de aanvraag als gevolg van het niet voldoen aan het 15%-vereiste de beleidslijn dat eerst de dieren worden verwijderd die niet aan de voorwaarden voldoen. Het is, gelet op deze beleidslijn, niet duidelijk waarom in het bestreden besluit niettemin voor slechts twaalf in plaats van dertien dieren zoogkoeienpremie is verleend. Ook ter zitting heeft verweerder hiervoor geen verklaring kunnen geven.

De conclusie is dat het bestreden besluit op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert.

5.4 Voorzover appellante van opvatting is dat verweerder haar op grond van artikel 3:4 Awb voor meer dan dertien dieren zoogkoeienpremie had moeten verlenen, deelt het College deze opvatting niet. De communautaire regels staan voor de vaststelling van de premiewaardigheid van dieren geen afwijkingen toe op grond van een nationaalrechtelijke bepaling. Voor de door appellante gewenste belangenafweging door verweerder is dan ook geen plaats.

5.5 Het College oordeelt vervolgens over de overdracht van 27,90 premierechten van appellante aan de nationale reserve.

Gebleken is dat verweerder zich bij de beantwoording van de vraag of sprake is van “uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen” als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 hoofdzakelijk laat leiden door de Interpretatienota’s 26 en 51 van de directeur-generaal Landbouw van de Europese Commissie. Hoewel aanvaardbaar is dat deze interpretatienota’s ter zake als richtsnoer worden gehanteerd, heeft verweerder, zoals het College reeds eerder heeft geoordeeld (onder meer in zijn uitspraak van 30 november 2006, AWB 05/160, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AZ3571), een eigen verantwoordelijkheid om aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval te beoordelen of sprake is van een “uitzonderlijk, naar behoren gemotiveerd geval”. Bedoelde interpretatienota’s behelzen naar hun aard geen bindende regels doch hebben betrekking op enkele voorgelegde voorbeeldsituaties.

Het College is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten om alle 27,90 niet-gebruikte premierechten aan de nationale reserve toe te voegen en overweegt hiertoe als volgt.

Appellante heeft zoogkoeienpremie aangevraagd voor 34 zoogkoeien en zes vaarzen. Gelet op het eerdergenoemde 15%-vereiste had appellante gedurende de gehele aanhoudperiode van zes maanden zes vaarzen moeten aanhouden, waarvoor in de aanvraag dan wel door middel van het insturen van een vervangingskaart zoogkoeienpremie was gevraagd. Nu dit ten aanzien van deze zes vaarzen niet is gebeurd, zijn voor deze dieren terecht zes premierechten aan de nationale reserve toegevoegd. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de voor zoogkoeienpremie opgegeven runderen met ID-code NL 194527655, NL 245040986 en NL 278429853 niet premiewaardig zijn, zodat ook voor deze dieren terecht premierechten aan de nationale reserve zijn toegevoegd. Het rund met ID-code NL 278429853 betreft echter één van de zes opgegeven vaarzen. Dit brengt mee dat in totaal voor acht runderen terecht premierechten aan de nationale reserve zijn toegevoegd.

Ten aanzien van de overige opgegeven dieren zijn geen afwijkingen geconstateerd. Aangezien aldus moet worden aangenomen dat appellante deze dieren conform de geldende voorwaarden heeft aangehouden, is, mede gelet op het eerste en derde genoemde voorbeeld in interpretatienota nr. 51, het enkele niet voldoen aan het 15%-vereiste onvoldoende grond voor toevoeging van de overige 19,90 niet-gebruikte premierechten aan de nationale reserve. Verweerder had in zoverre dan ook moeten vaststellen dat sprake is van een uitzonderlijk, naar behoren gemotiveerd geval als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999.

5.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5.7 Het College acht ten slotte termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op de bezwaren van appellante te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,-- (zegge:

tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006

w.g. E.J.M. Heijs De griffier is buiten staat deze

uitspraak te ondertekenen.