Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ5762

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
09-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/248
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/248 6 december 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te X, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: ing. G.C.J. van Rooijen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 16 maart 2006, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 februari 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, waarbij verweerder zijn eerdere besluit op de aanvraag akkerbouwsteun 2002 van appellante in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft herzien en reeds uitbetaalde akkerbouwsteun heeft teruggevorderd.

Appellante heeft bij brief van 12 april 2006 de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 19 april 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 12 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 20 oktober 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt nader hebben toegelicht. Voorts was van de zijde van verweerder drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas, aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen “blijvend grasland”, “blijvende teelten”, “meerjarige gewassen” en “herstructureringsprogramma” de in bijlage I opgenomen definities.”

In bedoelde bijlage staat:

“Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 32

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(...)

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 49

Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In haar aanvraag oppervlakten 2003 heeft appellante voor 11,09 ha korrelmaïs steun aangevraagd; daaronder het perceel nummer 3 met een oppervlakte van 3.11 ha.

- Op basis van een teledetectieonderzoek heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, aan verweerder gerapporteerd dat perceel 3 gemeten is op 3.06 ha en niet voldoet aan de definitie akkerland.

- Bij besluit van 14 november 2003 heeft verweerder op de aanvraag 2003 beslist. Daarbij is het perceel 3, conform de bevindingen van GeoRas, als niet geconstateerd aangemerkt.

- Een tegen dit besluit gericht bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij het College.

- Het College heeft dit onder zaaknummer AWB 04/411 ingenomen beroep bij uitspraak van 14 december 2005 ongegrond verklaard.

- Aangezien appellante het perceel onder volgnummer 3 ook heeft opgegeven in haar bij verweerders besluit van 23 november 2002 goedgekeurde aanvraag 2002, heeft verweerder bij besluit van 17 mei 2004 het besluit van 23 november 2002 herzien en de reeds uitbetaalde steun van € 4194,79 teruggevorderd.

- Tegen dit besluit tot terugvordering heeft appellante bij brief van 14 juni 2004 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, zonder appellante te hebben gehoord, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Door GeoRas is bij een teledetectiecontrole op de aanvraag 2003 vastgesteld dat perceel 3 niet voldoet aan de definitie akkerland. Tegen deze door verweerder overgenomen conclusie heeft appellante een bezwaarschrift ingediend dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens heeft appellante beroep ingesteld bij het College. Dit beroep is bij uitspraak van 14 december 2005 ongegrond verklaard, waarmee vaststaat dat van dit perceel 3 een oppervlakte van 3.06 ha niet voldoet aan de definitie akkerland.

Nu appellante ditzelfde perceel 3 - ditmaal met een oppervlakte van 3.11 ha - ook in haar aanvraag 2002 heeft opgegeven voor steun wordt dit perceel in die aanvraag alsnog voor 3.06 ha als niet geconstateerd aangemerkt. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 38,11 % bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 was verweerder daarom gehouden de aanvraag 2002 alsnog af te wijzen. Op grond van artikel 49, eerste lid, van deze Verordening was verweerder vervolgens gehouden de reeds uitbetaalde steun ad € 4149,79 terug te vorderen.

Van terugvordering kan alleen worden afgezien indien er sprake is van een door de bevoegde instantie gemaakte fout die als zodanig niet voor de aanvrager kenbaar was. Daarvan is geen sprake nu appellante zelf verantwoordelijk is voor het indienen van een juiste aanvraag.

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat appellante dezelfde grieven heeft aangevoerd als in de zaak betreffende de aanvraag 2003, waarin het College bij uitspraak van 14 december 2005 het beroep ongegrond heeft verklaard. Daarom is van het horen van appellante is afgezien.

Nieuw is dat appellante heeft gesteld dat bij de beoordeling ten onrechte niet gekeken is naar de beelden van najaar 1986 en voorjaar 1992. Een specifieke reden waarom dat had moeten gebeuren is echter niet aangevoerd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Ten onrechte is appellante niet gehoord op haar bezwaar. Dit is onzorgvuldig nu de terugvordering ook gevolgen heeft voor de vaststelling van de waarde van de toeslagrechten.

Onder verwijzing naar hetgeen appellante in de zaak betreffende de aanvraag 2003 heeft aangevoerd meent appellante dat verweerder, en ook het College in zijn uitspraak van 14 december 2005, onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de verklaring van de verpachter dat in de referentieperiode groenbemester als volgteelt na de maïs is toegepast. Appellante is voorts van mening dat de grond die in 1991 zwart lag ten behoeve van de teelt van een akkerbouwgewas in 1992, mede in relatie tot de toegepaste volgteelt groenbemester, eveneens aan de definitie akkerland voldoet. Verweerder heeft nagelaten satellietbeelden uit najaar 1986 en voorjaar 1992 bij het uitgevoerde teledetectieonderzoek te betrekken. Dit is met name van belang omdat de volgteelt op het satellietbeeld als een grasgewas is waar te nemen. Het mee- of nagezaaide graszaadmengsel loopt uit na de oogst van de maïs en levert op het satellietbeeld eenzelfde kleurenschakering op als normaal grasland.

Ter zitting heeft appellante voorts nog aangevoerd dat op het satellietbeeldmateriaal tijdelijk grasland niet te onderscheiden is van blijvend grasland. Het staat vast dat het perceel in 1992 beteeld is geweest met een akkerbouwgewas. In de optiek van appellante maakt het perceel dan ook deel uit van een vruchtwisseling. Van de vier voorgaande oogstjaren kan gesteld worden dat er dan sprake is van tijdelijk grasland en niet van blijvend grasland, gelet op de door verweerder in diverse besluiten aangehaalde definities van tijdelijk en blijvend grasland.

Appellante meent dat haar geen schuld treft, en derhalve haar ingevolge artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 geen korting had mogen worden opgelegd. Er is navraag gedaan over de premiewaardigheid bij de verpachter ten aanzien van het perceel en vanaf het aanvraagjaar 1996 is gebleken dat premie is toegekend voor dit perceel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Bij uitspraak van 14 december 2005 (AWB 04/411;<www.rechtspraak.nl>, LJN: AU8645) heeft het College het beroep van appellante tegen de beslissing van verweerder op haar aanvraag 2003 in het kader van de Regeling ongegrond verklaard. Dit ontneemt appellante niet het recht om, als verweerder aan zijn bevindingen met betrekking tot perceel 3 uit die aanvraag vervolgens de conclusie verbindt, dat de ten onrechte toegekende premie over een eerder jaar teruggevorderd moet worden, alsnog deze bevindingen ter discussie te stellen. Het College stelt vast dat het in voornoemde uitspraak reeds is ingegaan op de vraag of perceel 3 voldoet aan de definitie akkerland. Appellante heeft in onderhavige zaak nagenoeg dezelfde argumenten aangevoerd als in de procedure over de aanvraag 2003. Het College heeft in voornoemde uitspraak uitvoerig overwogen dat op grond van de interpretatie van de satellietbeelden door Georas en de door appellante overgelegde stukken geconcludeerd kan worden dat perceel 3 in de referentiejaren als grasland in gebruik is geweest. De verklaring van de verpachter dat in de referentiejaren op het perceel met enige regelmaat groenbemester als volgteelt na de maïs is ingezaaid, is niet met nadere stukken onderbouwd. Ook gaat deze verklaring in tegen de bevindingen van GeoRas en het contra-expertiserapport van NEO. Het College verwijst voor zijn overwegingen naar voornoemde uitspraak. Voorts oordeelt het College als volgt.

5.2 Nieuw in de onderhavige zaak is de opmerking dat sprake is van tijdelijk grasland en dat bij de beoordeling van perceel 3 de satellietbeelden uit het najaar 1986 en het voorjaar 1992 betrokken hadden moeten worden. Het College oordeelt hierover als volgt. Appellante heeft slechts gesteld dat perceel 3 eind 1991 wellicht zwart heeft gelegen en dat in 1992 een akkerbouwgewas op het perceel heeft gestaan. De eerste stelling is niet met enig nader bewijs onderbouwd. Iedere aanwijzing dat het perceel na het beeld van september 1991, maar voor 31 december 1991 is bewerkt, ontbreekt. In dit geval kan een voorjaarsbeeld van 1992, zoals het College ook al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 september 2006 (AWB 06/83, <www.rechtspraak.nl> LJN: AY9789) niet bijdragen aan het bewijs dat het land aan het einde van de referentieperiode niet langer in gebruik was als grasland. Overigens heeft verweerder in de zaak AWB 04/411 wel degelijk een satellietopname uit het voorjaar van 1992 bij de beschouwing betrokken, waaruit is gebleken dat het betreffende perceel in het voorjaar van 1992 beteeld was met gras en van een akkerbouwteelt geen sprake was. Appellantes grief faalt derhalve.

5.3 Appellantes betoog dat verweerder haar had moeten horen kan eveneens niet slagen. In de bezwaarprocedure over de aanvraag 2003 is appellante gehoord omtrent haar bezwaar en in beroep heeft het College vastgesteld dat perceel 3 niet premiewaardig is. In onderhavige zaak heeft appellante in bezwaar dezelfde argumenten aangevoerd als in de procedure over de aanvraag 2003. Nu appellantes betoog in bezwaar volstrekt duidelijk was en geen nadere vragen opriep, kon verweerder, gelet op artikel 7:3 van de Awb, zonder appellante te horen tot de eenduidige conclusie komen dat de aangevoerde bezwaren niet konden slagen en op basis daarvan het bezwaar ongegrond verklaren.

5.4 In artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is onder andere bepaald dat geen sancties worden opgelegd wanneer de aanvrager kan bewijzen dat hem geen schuld treft. Het College acht het denkbaar dat een aanvrager, die gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 niet als eigenaar, pachter of anderszins bij het gebruik van een perceel betrokken was en die zich aanwijsbaar omtrent het gebruik van een perceel in de bewuste periode geïnformeerd heeft en in dat kader vóór de indiening van zijn aanvraag schriftelijke bescheiden verkregen heeft, waaruit in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat het perceel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet, op grond van deze bepaling aan oplegging van een sanctie kan ontkomen. Appellante heeft dergelijke bescheiden echter niet overgelegd. Het enkel navraag doen omtrent de premiewaardigheid van het perceel bij de verpachter is onvoldoende voor toepassing van voornoemd artikel 44.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz