Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ4848

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
AWB 06/210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 06/210 1 december 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te X, appellante,

gemachtigde: mr. M.J.G. Wijers FB, werkzaam bij Accon accountants en adviseurs,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 1 maart 2006, bij het College binnengekomen op 2 maart 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 februari 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 6 december 2005, waarbij verweerder zijn eerder besluit op de aanvraag akkerbouwsteun 2002 van appellante in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft herzien en reeds verleende steun heeft teruggevorderd.

Bij brief van 4 april 2006 heeft appellante de gronden voor haar beroep aangevuld.

Bij brief van 12 april 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 1 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 20 oktober 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

"Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was."

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

"Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen" en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities."

In bedoelde bijlage staat:

"Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft."

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“ Artikel 32 - Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(…)

Artikel 44 - Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 48 - Overmacht en buitengewone omstandigheden

1. Gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden moeten binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geacht bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld.

2. Als buitengewone omstandigheden kan de bevoegde instantie bijvoorbeeld aanvaarden:

a) het overlijden van het bedrijfshoofd;

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in belangrijke mate beïnvloedt;

d) het door een ongeval verloren gaan van stallen;

e) een epizoötie die de gehele veestapel van het bedrijfshoofd of een

deel ervan heeft getroffen.

Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

(...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft in haar aanvraag oppervlakten 2002 12 ha maïs voor akkerbouwsteun opgegeven; daaronder het perceel met volgnummer 2 met een oppervlakte van 3.09 ha.

- Bij besluit van 17 december 2002 heeft verweerder deze aanvraag goedgekeurd en appellante akkerbouwsteun toegekend voor een bedrag van € 4539,02.

- In een aanvraag akkerbouwsteun 2004 heeft een derde genoemd perceel 2 uit de aanvraag 2002 ook voor steun opgegeven.

- Op basis van een teledetectiecontrole heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, verweerder gerapporteerd dat het perceel gemeten is op 3.10 ha en dat het in zijn geheel niet voldoet aan de definitie akkerland. Verweerder heeft deze conclusie van GeoRas overgenomen.

- Naar aanleiding van de bevindingen van GeoRAs heeft verweerder bij besluit van 6 december 2005 zijn beslissing van 17 december 2002 op de aanvraag 2002 herzien. Bij dit herzieningsbesluit heeft verweerder alsnog perceel 2 voor de volledige aangevraagde oppervlakte van 3.09 ha als niet geconstateerd aangemerkt. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte dat meer dan 30% bedraagt. Verweerder heeft vervolgens met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 de aanvraag alsnog afgewezen en het volledige reeds uitbetaalde steunbedrag van €4539,02 teruggevorderd.

- Tegen dit besluit tot terugvordering heeft appellante bij brief van 11 januari 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Nu aan de hand van teledectieonderzoek door GeoRas is vastgesteld dat perceel 2 niet voldoet aan de definitie akkerland is verweerder gehouden om op grond van de toepasselijke Europese regelgeving geen steun toe te kennen op de aanvraag 2002. Ingevolge artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is hij vervolgens gehouden het onverschuldigd uitbetaalde bedrag terug te vorderen.

Dat appellante de opgelegde sanctie buitensporig en disproportioneel vindt doet niet af aan het feit dat verweerder geen bevoegdheid heeft om af te wijken van de in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voorgeschreven sanctie.

Van een fout van de bevoegde instantie of een andere instantie als bedoeld in artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) 2419/2001 was bij de aanvankelijke toekenning van steun, anders dan appellante meent, geen sprake. Appellante heeft nagelaten zich er van tevoren van te vergewissen dat het opgegeven perceel 2 inderdaad aan de voorwaarden voor steunverlening voldeed. Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat appellante feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of dat zij anderszins heeft bewezen dat haar geen schuld treft. Aan artikel 44 van genoemde Verordening is dan ook op goede gronden geen toepassing gegeven.

Appellantes stelling dat geen sprake is van opzet, bestrijdt verweerder niet. Dit is echter geen aanleiding om het bestreden besluit te herzien. In appellantes geval is de sanctie toegepast die geldt voor aanvragers die te goeder trouw hebben gehandeld. Voor aanvragers die opzettelijk een onjuiste opgave van hun percelen akkerland hebben gedaan geldt ingevolge artikel 33 van voornoemde Verordening, een zwaardere sanctie.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft perceel 2 in 2002 op basis van een grondruil met een buurman in gebruik gehad. Zij ging er volkomen te goeder trouw vanuit dat de grond steunwaardig was.

Appellante bestrijdt niet dat perceel 2 niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet. Wel meent zij dat de opgelegde sancties draconisch zijn. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat deze strijd met name daarin te vinden is dat er geen voorziening is getroffen voor overmacht. Voorts is sprake van strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Dit klemt te meer omdat de sanctie ook nog eens doorwerkt naar volgende jaren en leidt tot een korting op de in de toekomst toe te kennen toeslagrechten. Het bestreden besluit is daarom strijdig met het Europees Verdag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) en het EG-Verdrag.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat verweerder aan de hand van teledetectieonderzoek door Georas heeft geconstateerd dat perceel 2 niet voldoet aan de definitie akkerland. Appellante heeft dit in haar beroepschrift niet tegengesproken. Nu aan appellante voor het jaar 2002 premie is verstrekt, terwijl achteraf is komen vast te staan dat zij hierop geen aanspraak kon maken, was verweerder ingevolge artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gehouden de premietoekenning ongedaan te maken en het op basis van die toekenning uitbetaalde bedrag terug te vorderen.

Het gaat hier, zoals het College ook in zijn uitspraak van 24 juni 2005 (AWB 04/633; www.rechtspraak.nl, LJN AT8929) heeft overwogen, om een verplichting tot terugvordering, die rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en geheel daardoor gereguleerd wordt.

Anders dan appellante meent voorziet artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 wel degelijk in een mogelijkheid een beroep te doen op overmacht. Deze moet dan wel bij de bevoegde autoriteit worden gemeld. Appellante heeft zelf geen beroep gedaan op een overmachtssituatie of bijzondere omstandigheden zoals genoemd in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001.

Verweerder is verplicht de sanctie ex artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 toe te passen. De bij het communautaire recht voorgeschreven sanctie is in het onderhavige geval terecht toegepast. Verweerder is gebonden aan het in de verordening neergelegde sanctiestelsel, waarin rekening is gehouden met proportionaliteit en evenredigheid, en heeft niet de bevoegdheid ervan af te wijken. Dit gedifferentieerde sanctiestelsel kan, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-354/95, Jur. 1997, blz I- 4559 van 17 juli 1997 (National Farmers Union), niet in strijd geacht worden met het door appellante ingeroepen proportionaliteitsbeginsel.

Dat verweerders beslissing, zoals appellante heeft gesteld, doorwerkt naar volgende jaren en leidt tot een korting op de in de toekomst toe te kennen toeslagrechten, kan niet tot het oordeel leiden dat verweerder in strijd met artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 dient te beslissen.

Ten aanzien van appellantes stelling dat zij te goeder trouw heeft gehandeld, oordeelt het College als volgt. In artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is onder andere bepaald dat geen sancties worden opgelegd wanneer de aanvrager kan bewijzen dat hem geen schuld treft. Het College acht het denkbaar dat een aanvrager, die gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 niet als eigenaar, pachter of anderszins bij het gebruik van een perceel betrokken was en die zich aanwijsbaar omtrent het gebruik van een perceel in de bewuste periode geïnformeerd heeft en in dat kader vóór de indiening van zijn aanvraag schriftelijke bescheiden verkregen heeft, waaruit in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat het perceel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet, op grond van deze bepaling aan oplegging van een sanctie kan ontkomen. Appellante heeft dergelijke bescheiden echter niet overgelegd.

Voorts kent de verordening naast het sanctiesysteem voor aanvragers die een te hoge aangifte doen, een strenger sanctiesysteem dat wordt toegepast als sprake is van opzettelijk onjuiste aangifte. Van toepassing van dit laatste systeem is in het onderhavige geval geen sprake, hetgeen betekent dat ook verweerder niet heeft willen stellen dat appellante niet te goeder trouw zou zijn geweest.

Gelet op het voorgaande ziet het College geen grond om te oordelen dat het zeer summierlijk onderbouwde betoog dat sprake zou zijn van strijd met het EG-verdrag en/of het EVRM, kan slagen.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz