Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ4731

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
AWB 04/941
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Zesde enkelvoudige kamer)

AWB 04/941 1 december 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. B.F. de Jong, werkzaam bij Ditmar’s De Jong Belastingadvies te Liessel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 16 november 2004, bij het College binnengekomen op 17 november 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 oktober 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen drie besluiten van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, waarbij verweerder zijn eerdere besluiten op appellants aanvragen om akkerbouwsteun op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) over de jaren 2000, 2001 en 2002 heeft herzien en reeds betaalde steun heeft teruggevorderd.

Bij brief van 17 januari 2005 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld.

Bij brief van 2 februari 2005 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 22 februari 2005 heeft hij een verweerschrift ingediend.

Op 3 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt nader hebben toegelicht. Het College heeft de zitting geschorst en verweerder verzocht aanvullende satellietbeelden en een toelichtende nota van GeoRas alsnog toe te zenden aan appellant en het College.

Bij brief van 3 februari 2006 heeft verweerder de gevraagde stukken toegezonden.

Bij brief van 9 oktober 2006 heeft appellant het beroepschrift aangevuld en nadere stukken toegezonden.

Op 20 oktober 2006 is het onderzoek ter zitting voortgezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

"Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was."

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

"Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen" en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities."

In bedoelde bijlage staat:

"Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft."

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.

(…)

3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:

- (…)

- 5 % van de steunaanvragen "oppervlakten".

(…)

Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(…)

Artikel 14

1.In geval van onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht tot terugbetaling van deze bedragen (...).”

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

“ Artikel 18 - Controlepercentages

1. De controles ter plaatse betreffen jaarlijks ten minste:

a) 5 % van alle bedrijfshoofden die een steunaanvraag "oppervlakten" indienen;

(…)

3. Wanneer is bepaald dat onderdelen van een controle ter plaatse door middel van een steekproef mogen worden uitgevoerd, moet deze steekproef een betrouwbaar en representatief controleniveau waarborgen. De lidstaten bepalen de criteria voor de samenstelling van de steekproef. Komen bij de steekproeven onregelmatigheden aan het licht, dan wordt de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Artikel 23 - Teledetectie

1. Onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden kunnen de lidstaten voor de in artikel 18, lid 1, onder a), bedoelde steekproef teledetectie gebruiken in plaats van traditionele middelen voor een controle ter plaatse. (…)

(…)

Artikel 32 - Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. (…)

Artikel 44 - Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

(...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In zijn aanvraag akkerbouwsteun 2003 heeft appellant onder meer een maïsperceel met volgnummer 7 met een oppervlakte van 2.25 ha voor steun opgegeven.

- Naar aanleiding van een teledetectiecontrole heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, in een op 15 oktober 2003 opgemaakt rapport vastgesteld dat genoemd perceel 7, door GeoRas opgemeten op 2.35 ha, niet aan de voorwaarden voor subsidiëring voldoet. Aan deze rapportage lag de bevinding ten grondslag dat het perceel in de jaren 1987 tot en met 1991 niet anders dan als grasland in gebruik geweest was.

- Om commentaar gevraagd op deze bevindingen van GeoRas heeft appellant bij brief van 26 november 2003 verweerder meegedeeld het perceel in 1994 in gebruik te hebben gekregen als bouwland. Appellant weet niet anders dan dat het perceel ook in de referentieperiode bouwland was. De vorige eigenaar heeft geen bewijsstukken uit de referentieperiode bewaard.

- Bij besluit van 16 december 2003 heeft verweerder conform de bevindingen van GeoRas op de aanvraag beslist. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

- Aangezien eerdergenoemd perceel ook in de aanvragen om akkerbouwsubsidie voor 2000 (als perceel 12), 2001 (als perceel 11) en 2002 (als perceel 9) was opgegeven, heeft verweerder bij drie afzonderlijke besluiten van 17 mei 2004, verzonden op 4 juni 2004, zijn besluiten tot toekenning van subsidie voor de jaren 2000, 2001 en 2002 voor de gewasgroep maïs herzien.

Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte binnen de gewasgroep maïs in het jaar 2000 niet groter was dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, heeft verweerder op grond van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 de steun herberekend op basis van de geconstateerde oppervlakte minus tweemaal het vastgestelde verschil en een bedrag van € 2.637,50 op grond van artikel 14 van die verordening teruggevorderd. Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte in het jaar 2001 groter was dan 20% van de geconstateerde oppervlakte (20,09%), heeft verweerder voor dat jaar op grond van artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 de steun voor de gewasgroep maïs alsnog geweigerd en de voor dat jaar uitbetaalde steun, zijnde € 5.614,65, op grond van artikel 49 van die verordening teruggevorderd. Omdat het verschil tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte binnen de gewasgroep maïs in het jaar 2002 niet groter was dan 20% van de geconstateerde oppervlakte (19,74%), heeft verweerder op grond van artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 de steun herberekend op basis van de geconstateerde oppervlakte minus tweemaal het vastgestelde verschil en een bedrag teruggevorderd van € 2.553,24.

- Bij brieven van 8 juli 2004 heeft appellant tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat, het volgende overwogen.

“ (…)

De teammanager heeft van u bedragen van respectievelijk € 2.637,50 € 5.614,65 en € 2.553,24 teruggevorderd, omdat hem is gebleken, dat perceel 12 in 2000, perceel 11 in 2001 en perceel 9 in 2002 (…) met een oppervlakte van telkens 2,25 ha. niet voldeden aan de definitie akkerland, zoals bepaald in artikel 1 onder l van de Regeling, terwijl voor deze percelen wel een bijdrage is verleend en is uitbetaald.

Door middel van satellietbeelden en de interpretatie daarvan door Georas is gebleken, dat de hiervoor genoemde percelen in de referentieperiode 1987 t/m 1991 niet met een akkerbouwgewas beteeld waren. Anders dan u veronderstelt, telt ‘zwart land’ niet mee als akkerbouwgewas. Georas is het bedrijf dat voor LASER o.a. de controles uitvoert op het al dan niet voldoen aan de definitie akkerland en heeft hiervoor een erkenning van de Europese Commissie.

Op grond van het bepaalde in artikel 14, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 3887/92, artikel 49, lid 1, 4 en 5 van Verordening (EEG) nr. 2419/2001 en artikel 52 bis van Verordening (EG) nr. 118/2004 is de teammanager verplicht de ten onrechte uitbetaalde bedragen terug te vorderen. Hij kan hiervan alleen afwijken als de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen. Gesteld noch gebleken is, dat dit voor u van toepassing is.

Anders dan u stelt is mij niet gebleken, dat aan sommige aanvragers die in de periode 2000 tot en met 2003 percelen hebben opgegeven die niet voldeden aan de definitie akkerland alleen in 2003 een sanctie is opgelegd, maar dat werd afgezien van verdere terugvordering. Dit is beslist niet het geval. Alle aanvragers die in deze periode percelen hebben opgegeven die niet aan de definitie akkerland voldeden en waarvan het verschil tussen de opgegeven en goedgekeurde percelen meer dan 3% was zijn met terugvorderingen geconfronteerd.

Uw stelling dat de overheid zeer onbetrouwbaar overkomt, als zij eerst aanvragen goedkeurt en pas na vele jaren deze goedkeuring weer terugdraait, kan niet tot een andere beslissing leiden. U heeft namelijk door het ondertekenen van het aanvraagformulier verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met voorwaarden en verplichtingen zoals vermeld in de Regeling. U had er dus van op de hoogte moeten zijn, dat elk perceel afzonderlijk aan de definitie akkerland, zoals opgenomen in artikel 1 onder l van de Regeling diende te voldoen. Het opgeven van een perceel dat niet aan de voorwaarden van de Regeling voldoet komt derhalve geheel voor uw rekening en risico, ondanks het feit dat de bijdrage ten onrechte al enige tijd geleden aan u is uitbetaald.

Bovendien werd het LASER pas in november 2003 door een rapportage van het bedrijf Georas bekend, dat het door u opgegeven perceel met topografisch perceelsnummer 198.60.403.78 niet aan de definitie akkerland, zoals bepaald in artikel 1 onder l van de Regeling voldeed. Op dat moment had u de aanvragen oppervlakten voor de seizoenen 2000, 2001 en 2002 al ingediend, zodat niet gesteld kan worden, dat u door de late terugvordering schade heeft geleden, omdat LASER vezuimd zou hebben om u eerder op de hoogte te stellen van het feit dat uw aanvragen niet aan de voorwaarden van de Regeling voldeden.”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft samengevat het volgende aangevoerd.

In de referentieperiode was perceel 7 eigendom van de heer B, die het perceel heeft verpacht aan zijn neef C. C was ook eigenaar van het perceel gelegen ten zuiden van perceel 7. C heeft deze percelen vervolgens verpacht aan zijn schoonzoon D. D heeft in de jaren 1988 en 1989 bieten geteeld op perceel 7. De bieten zijn in het jaar 1988 en 1989 niet precies op dezelfde plaats op het perceel ingezaaid om de mislukking van de oogst te voorkomen. D had een bietenquotum voor 50 ton bieten, waarbij rond 1,5 ha werd bebouwd om de benodigde bieten met de goede kwaliteit suiker te kunnen behalen en te kunnen oogsten. Als bewijsstukken heeft appellant overlegd, bankschriften waaruit blijkt dat D betaald heeft voor het gebruik van de grond, stukken van de Coöperatieve Suikerbietentelersvereniging die het telen van de bieten door D in haar systeem heeft opgenomen, een nota van de loonwerker terzake van het rooien van de bieten en een verklaring van de heer D dat hij op het betreffend perceel in de referentieperiode bieten heeft geteeld.

De satellietbeelden laten duidelijk zien dat er sprake is van een verschil in teelt op het perceel, een verschil in de kleuren rood en groen. Het verschil in deze kleuren zou kunnen worden veroorzaakt door onkruid en gras tussen de bieten. Bij de bestrijding van onkruid tussen de bieten kan het zijn dat de wortels van het gras niet worden vernietigd. Nadat een veld met bieten gerooid is, komt ook veelal meteen weer grasgroei terug.

De naastliggende percelen zijn niet in de fotorapportage van Georas begrepen. Deze percelen zijn net als appellants perceel benut voor het verbouwen van bieten. De eigenaren van deze percelen kunnen bevestigen dat ook op het perceel van appellant bieten zijn verbouwd in de referentieperiode. Georas heeft geen foto’s gemaakt in de periode oktober 1988 tot mei 1989. Er is geen overzicht van de grond in deze periode, zodat appellant niet op de foto een verschil kan laten zien van benutting.

De naastliggende percelen hebben geen correcties van verweerder ontvangen. Indien verweerder in zijn standpunt volhardt, is er sprake van rechtsongelijkheid.

Aan appellant is geen gelegenheid gegeven om zijn situatie uit te leggen. Laser heeft tijdens de bezwaarfase appellant niet met de beelden geconfronteerd en de stellingen van appellant niet geanalyseerd aan de hand van de beelden en aan de hand van een mondelinge toelichting.

Appellant mocht, gelet op de positieve beoordelingen van de aanvragen in de jaren 2000, 2001 en 2002, er op vertrouwen dat het perceel voldeed aan de subsidievoorwaarden. De tweede beoordeling van dezelfde aanvragen onder dezelfde omstandigheden is bijzonder. Nu deze uitkomst negatief is, terwijl de eerste beoordeling positief was, is er sprake van willekeur. De foto’s zijn gemaakt in de referentieperiode. Aangenomen wordt dat de foto’s al op een eerder moment ter beschikking stonden van verweerder, maar pas in 2003 zijn opgevraagd. Verweerder heeft beschikking gehad over de foto’s dan wel de mogelijkheid gehad de foto’s in te zien. Er is geen sprake van een nieuw objectief feit dat de tweede beoordeling rechtvaardigt.

Appellant is tot slot van mening dat GeoRas zich niet onafhankelijk opstelt, nu GeoRas verweerder advies geeft en optreedt namens verweerder.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat bij besluit van 16 december 2003 verweerder appellants aanvraag voor akkerbouwsteun over het jaar 2003 heeft afgewezen omdat perceel 7 niet aan de voorwaarden voor steunverlening zou voldoen. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Dat ontneemt appellant niet het recht om, als verweerder aan zijn bevindingen vervolgens de conclusie verbindt dat de toegekende premies over eerdere jaren moeten worden teruggevorderd, alsnog deze bevindingen ter discussie te stellen. In dit opzicht staat ieder besluit op zich. Derhalve komt appellant de vrijheid toe om te bewijzen, dat de percelen uit de aanvragen voor 2000, 2001 en 2002 aan de voorwaarden voor toekenning van akkerbouwsteun voldoen. Verweerder is van mening dat appellant hierin niet is geslaagd.

5.2 Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 30 september 2005 (AWB 04/374, www.rechtspraak.nl, LJN AU4088), vergt de interpretatie van satellietbeelden een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.3 Het College is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de satellietbeelden van de in geding zijnde percelen verkeerd zijn geïnterpreteerd en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als grasland. In reactie op de stelling van appellant dat er na de bietenrooi veelal meteen weer grasgroei terugkomt, is namens GeoRas (ter zitting) naar voren gebracht dat bietengrond in het voorjaar altijd de blauwe kleur van kale grond heeft, zoals ook duidelijk te zien is op de beschikbare satellietbeelden van 1988 en 1989 in de omgeving van perceel 7. Perceel 7 laat op alle beelden echter de herkenbare kleur van gras zien. Indien op perceel 7 bieten waren ingezaaid, had ook dit perceel in het voorjaar blauw moeten kleuren op de satellietbeelden. Appellant heeft deze stellingen niet overtuigend kunnen bestrijden.

Daarnaast heeft appellant nagelaten perceelsgebonden tegenbewijs over te leggen waaruit blijkt dat er in de jaren 1987 tot en met 1991 wel degelijk sprake is geweest van een ander gebruik van het perceel dan als grasland. De verklaring van de voormalige gebruiker dat er in de referentieperiode bieten zijn geteeld is in dit verband onvoldoende. Uit de overgelegde nota’s, bankafschriften en stukken van de Coöperatieve Suikerbietentelersvereniging kan slechts worden afgeleid dat de heer D bieten heeft geteeld. Niet kan worden vastgesteld dat de bietenteelt heeft plaatsgevonden op perceel 7.

5.4 Ten aanzien van appellants stelling dat GeoRas zich niet onafhankelijk opstelt, oordeelt het College als volgt. GeoRas is een instantie die zich bezighoudt met de interpretatie van satellietbeelden. Zij verricht werkzaamheden in opdracht van verweerder op basis van een specifieke deskundigheid. In gevallen waarin verweerder zijn besluit baseert op een advies van GeoRas acht het College het vanzelfsprekend dat verweerder, als zo’n besluit in bezwaar en beroep ter discussie gesteld wordt, bij de beoordeling daarvan de hulp van GeoRas inroept. De rol van GeoRas in de procedure bij het College is dan ook niet die van een deskundige in de zin van artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maar van degene die de gemachtigde van verweerder bijstaat. Van een dergelijke bijstand wordt gerept in artikel 8:61, vierde lid, Awb. De eis van onafhankelijkheid is op een dergelijke bijstandverlener niet van toepassing. De rechter toetst de geloofwaardigheid van de verklaringen van dergelijke bijstandverleners naar bevind van zaken.

5.5 Appellants grief dat geen hoorzitting is gehouden kan niet slagen. Appellant heeft in bezwaar niets aangevoerd waaruit kon worden afgeleid dat hij meende dat de het betreffend perceel wel voldeed aan de definitie akkerland omdat er bieten zouden zijn geteeld. Pas in beroep heeft appellant heeft appellant aangegeven dat op perceel 7 in de referentieperiode bieten zijn geteeld. Nu appellants betoog in bezwaar volstrekt duidelijk was en geen nadere vragen opriep, kon verweerder zonder appellant te horen tot de eenduidige conclusie komen dat de aangevoerde bezwaren niet konden slagen en op basis daar van het bezwaar ongegrond verklaren.

5.6 Het betoog van appellant dat de aanvankelijke toekenning van akkerbouwpremie voor het bewuste perceel bij hem het te honoreren vertrouwen heeft opgewekt dat het perceel steunwaardig was, wijst het College van de hand. Aan toekenning van akkerbouwpremie ligt niet steeds een compleet onderzoek van alle van belang zijnde voorwaarden ten grondslag. Slechts een percentage van 5% van alle in een jaar ingediende aanvragen moet ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan een controle ter plaatse onderworpen worden. Daarvan maakt bovendien een historisch teledetectieonderzoek niet altijd deel uit. Verweerder is in het onderhavige geval pas in oktober 2003 op de hoogte geraakt van het feit dat het betrokken perceel niet voldeed, nadat GeoRas een teledetectiecontrole had uitgevoerd.

5.7 Nu aan appellant voor de jaren 2000, 2001 en 2002 premie is verstrekt, terwijl achteraf is komen vast te staan dat hij hierop geen aanspraak kon maken, was verweerder ingevolge artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 respectievelijk artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gehouden de premietoekenningen ongedaan te maken en de op basis van die toekenningen uitbetaalde bedragen terug te vorderen.

Het gaat hier, zoals het College ook in zijn uitspraak van 24 juni 2005 (AWB 04/633; www.rechtspraak.nl, LJN AT8929) heeft overwogen, om een verplichting tot terugvordering, die rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en geheel daardoor gereguleerd wordt.

5.8 Gelet op al het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz