Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ3702

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-10-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
AWB 06/44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 06/44 24 oktober 2006

11200 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T. Stevens, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 11 januari 2006, bij het College binnengekomen op 16 januari 2006, beroep ingesteld tegen een ongedateerd, op 14 december 2005 verzonden besluit van verweerder.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van schade in verband met in de silo´s van zijn bedrijf aanwezige voer, zulks in verband met de ingevolge de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) plaatsgevonden ruiming van het bedrijf.

Verweerder heeft bij brief van 13 februari 2006 op de zaak betrekking hebbende stukken aan het College doen toekomen, bij schrijven van 15 februari 2006 een verweerschrift ingediend en op 16 februari 2006 een nader stuk aan het College doen toekomen.

Op 12 september 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunt nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

"Artikel 86

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood;

b. produkten of voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;

(…).

Artikel 87

Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood of producten en voorwerpen op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt, danwel producten en voorwerpen op grond van artikel 22, tweede lid, onderdeel f, worden vernietigd of onschadelijk gemaakt (…) wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 88

(…)

2. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.

3. Indien Onze Minister of de eigenaar of diens gemachtigde geen genoegen neemt met de waardevaststelling verzoekt Onze Minister de kantonrechter (…) drie beëdigde deskundigen te benoemen, waaronder de krachtens het tweede lid aangewezen deskundige.

(…)

Artikel 89

Terstond nadat de waarde is vastgesteld deelt Onze Minister aan de eigenaar het bedrag van de waardevaststelling mede.

Artikel 90

Indien door het onschadelijk maken van dieren, produkten of voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22 schade wordt toegebracht aan gebouwen, terreinen of voorwerpen, wordt aan de eigenaar of gebruiker van deze gebouwen, terreinen of voorwerpen uit het Diergezondheidsfonds een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd.

Artikel 91

Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen, als bedoeld in artikel 17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden vergoed."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 31 maart 2003 heeft verweerder appellant meegedeeld dat alle voor Aviaire Influenza (AI) gevoelige dieren op diens bedrijf in verband met de ligging van het bedrijf met ingang van 29 maart 2003 als verdacht van AI worden aangemerkt en maatregelen genomen op grond van artikel 22 Gwd. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel(en) aangewend.

- Nadat appellant het formulier tot waardevaststelling niet voor akkoord had getekend en bij brief van 25 april 2003 om hertaxatie had verzocht, heeft hij dat verzoek bij op 14 juli 2003 ondertekende verklaring ingetrokken.

- Bij besluit van 30 juli 2003 is aan appellant op grond van artikel 86 Gwd een tegemoetkoming van € 26.871,36 (excl. BTW) toegekend (vergoeding voor pluimvee, producten en voorwerpen, alsmede een dagvergoeding voor de (on)kosten gemaakt voor de verzorging van de dieren tussen screening en ruiming).

- Bij besluit van 20 november 2003 is aan appellant voorts een tegemoetkoming toegekend op de voet van artikel 90 Gwd (vergoeding van op het bedrijf tijdens de screening, taxatie, ruiming, reiniging of ontsmetting veroorzaakte schade).

- Bij besluit van 21 juli 2004 heeft verweerder - voorzover hier van belang - de tegen de beide voormelde besluiten door appellant gemaakte bezwaren met betrekking tot de (niet verpakte) eiertrays en platen ongegrond, en zijn bezwaren inzake expertisekosten in verband met door de ruiming veroorzaakte schade gegrond verklaard. Voorzover het bezwaar van appellant betrekking had op het ten tijde van de ruiming in de silo's aanwezige voer, heeft verweerder er op gewezen dat daarmee verband houdende schade gelet op het bepaalde in artikel 86 Gwd niet in de tegemoetkoming is betrokken, zodat het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk is.

- Appellant heeft tegen voormeld besluit geen rechtsmiddel aangewend. Wel heeft hij, overeenkomstig de mogelijkheid die verweerder in dat besluit heeft genoemd, op 27 augustus 2004 verzocht om een zelfstandig schadebesluit terzake van het voer in de silo's.

- Bij brief van 17 september 2004 heeft appellant, onder verwijzing naar een eerdere brief van 4 augustus 2004, verweerder aansprakelijk gesteld voor bedrijfsschade ter grootte van € 378.778,77 in verband met de zijns inziens onrechtmatige ruiming.

- Verweerder heeft die aansprakelijkheid bij brief van 14 oktober 2004 van de hand gewezen.

- Nadat appellant bij brief van 22 oktober 2004 wederom heeft gesteld dat verweerder een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zijn bedrijf, dat volgens appellant buiten de 1 km-zone van de dichtstbijzijnde besmettingshaard lag, te ruimen en op die grond heeft gepersisteerd bij de door hem gestelde schade, heeft verweerder hem bij brief van 11 juli 2005 meegedeeld niet tot betaling van deze schadepost te zullen overgaan.

- Op het verzoek om een zelfstandig schadebesluit in verband met het voer in de silo´s heeft verweerder op 12 augustus 2005 beslist.

- In het daartegen ingediende bezwaarschrift, dat bij verweerder op 7 september 2005 is ingekomen, heeft appellant naast de gestelde schade in verband met het voer ad € 4.128,76, wederom € 378.778,77 als bedrijfsschade aangevoerd.

- Daarop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - samengevat - als volgt overwogen.

Aan het bestreden besluit ligt het door appellant ingediende verzoek om een zelfstandig schadebesluit met betrekking tot het voer in de silo´s ten grondslag, welk verzoek bij beslissing van 12 augustus 2005 is afgewezen.

De door appellant gestelde schade komt op grond van het gesloten stelsel van tegemoetkomingen in schade ingevolge de artikelen 86 en 90 Gwd niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 91 Gwd opent voor verweerder de mogelijkheid om, in door hem te bepalen bijzondere gevallen, schade die niet op grond van de artikelen 86 en 90 Gwd kan worden vergoed, toch te vergoeden. Het is aan verweerder te bepalen wat een bijzonder geval is. Uitgangspunt van verweerder is dat pluimveehouders er naar de aard van hun beroep voor hebben gekozen ondernemersrisico te dragen. Tot dat risico behoort de onderhavige schade als gevolg van het niet kunnen vervoederen van het voer in de silo’s, zodat deze op grond van artikel 91 Gwd niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Voorzover het bezwaar van appellant in wezen is gericht tegen de ruiming van zijn bedrijf, is het niet-ontvankelijk, aangezien appellant tegen het besluit tot verdachtverklaring en ruiming van 31 maart 2003 niet - tijdig - bezwaar heeft gemaakt. Dit besluit is derhalve in rechte onaantastbaar geworden.

4. Het standpunt van appellant

Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de eiertrays. Voorts diende het voer volgens hem vernietigd te worden, omdat het onder artikel 87 Gwd viel.

Voorts stelt appellant dat zijn pluimvee na onderzoek niet besmet is gebleken en dat zijn bedrijf buiten de 1 km zone lag en dat hij in verband hiermee wel degelijk meerdere keren bezwaar heeft gemaakt; zowel op 31 maart 2003 na de telefonische mededeling dat zijn bedrijf geruimd zou worden als op 8 april 2003. Daarom heeft verweerder de schade onmogelijk als ondernemersrisico kunnen aanmerken.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerder heeft het bezwaar, voorzover het betrekking heeft op schade in verband met de volgens appellant onterechte verdachtverklaring en ruiming van zijn bedrijf, terecht niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft immers tegen het besluit tot verdachtverklaring en ruiming niet - tijdig - bezwaar ingevolge de Algemene wet bestuursrecht gemaakt.

Dat besluit is derhalve in rechte onaantastbaar, zodat ervan uit moet worden gegaan dat die verdachtverklaring en ruiming rechtmatig zijn. Aan een beoordeling van de in dit verband door appellant gestelde schade komt het College dan ook niet toe.

Voorts is reeds bij de beslissing op bezwaar van 21 juli 2004 het bezwaar met betrekking tot de eiertrays ongegrond verklaard, tegen welke beslissing appellant geen beroep heeft ingesteld. Die gestelde schadepost is niet betrokken in het thans bestreden besluit en daartegen kan door appellant dan ook geen - ontvankelijk - beroep meer worden ingesteld.

5.2 Met betrekking tot de enige in dit geding aan de orde zijnde schadepost inzake het voer in de silo's, stelt het College voorop dat het voer, anders dan appellant lijkt te (veronder)stellen, niet onschadelijk is gemaakt omdat dit besmet zou zijn, maar onbruikbaar is geworden omdat dit niet meer aan het (geruimde) pluimvee van appellant vervoederd kon worden. Van schade als bedoeld in artikel 87 Gwd is derhalve geen sprake.

De wetgever heeft verweerder een niet geclausuleerde bevoegdheid toegekend om op grond van artikel 91 Gwd schade die niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 Gwd voor tegemoetkoming in aanmerking komt, geheel of gedeeltelijk te vergoeden, alsmede, indien verweerder tot vergoeding van die schade besluit, de grondslag van de vergoeding te bepalen. Het College dient zich derhalve terughoudend op te stellen bij de beoordeling van de wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden die hem op grond van artikel 91 Gwd toekomen.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de onderhavige (vervolg)schade als normaal bedrijfsrisico dient te worden aangemerkt, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking komt.

5.3 Het beroep is derhalve ongegrond.

5.4 Voor een tegemoetkoming in de door appellant gemaakte proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb acht het College geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. mr. M.A van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006.

w.g. M. A. van der Ham w.g. A. Bruining