Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ2677

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-11-2006
Datum publicatie
21-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 06/283 8 november 2006

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 30 maart 2006, die diezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 februari 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op een bezwaar van appellant tegen een besluit op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Bij brief van 26 april 2006 heeft appellant het beroep van gronden voorzien.

Op 29 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2006, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van de het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden.

(…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt."

In artikel 8 van Verordening (EG) nr. 911/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft oormerken, paspoorten en bedrijfsregisters was, ten tijde en voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

"Het register dat op het bedrijf wordt bijgehouden, moet ten minste het volgende bevatten:

a) de meest recente gegevens als bedoeld in artikel 14, lid 3, punt C.1, eerste tot en met vierde streepje, van Richtlijn 64/432/EEG;

b) de datum waarop het dier op het bedrijf is doodgegaan;

c) voor dieren die het bedrijf verlaten, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, naar wie of de identificatiecode van het bedrijf waarnaar het dier is vervoerd, en de datum van vertrek;

d) voor dieren die op het bedrijf aankomen, de naam en het adres van de houder, met uitzondering van de vervoerder, van wie of de identificatiecode van het bedrijf waarvan het dier afkomstig is, en de datum van aankomst;

e) de naam en handtekening van de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit die het register controleert en de data waarop de controles zijn verricht."

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2 - Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

s) "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan;

(…)

Artikel 17 - Algemene beginselen

1. De controles ter plaatse worden onverwachts uitgevoerd. Zij mogen worden aangekondigd, doch slechts zolang van tevoren als strikt noodzakelijk is en voorzover het doel van de controle daardoor niet in gevaar komt. Behalve in behoorlijk gemotiveerde gevallen mag de aankondiging nooit meer dan

48 uur tevoren plaatsvinden.

(…)

3. De aanvraag (aanvragen) wordt (worden) afgewezen indien het bedrijfshoofd of zijn vertegenwoordiger een controle ter plaatse verhindert.

Artikel 25 - Onderdelen van de controles ter plaatse

1. De controles ter plaatse moeten betrekking hebben op alle dieren waarvoor op grond van de te controleren steunregelingen steunaanvragen zijn ingediend en, wat de steunregelingen voor rundvee betreft, ook op runderen waarvoor geen steunaanvraag is ingediend.

2. De controles ter plaatse omvatten in het bijzonder:

a) (…)

b) met betrekking tot de steunregelingen voor rundvee:

- (….)

- steekproefcontroles bij dieren waarvoor in de laatste twaalf maanden vóór de controle ter plaatse steunaanvragen zijn ingediend, om na te gaan of de gegevens van het gecomputeriseerde gegevensbestand overeenstemmen met die van het register;

(…)"

Artikel 36 - Berekeningsgrondslag

(…)

3. Wanneer het in een steunvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, wordt de steun, onverminderd de artikelen 38 en 39, berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.

Wanneer een bedrijfshoofd door overmacht of buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 zijn verplichting om de dieren aan te houden niet heeft kunnen nakomen, behoudt hij het recht op steun voor het aantal dieren dat hiervoor in aanmerking kwam op het tijdstip waarop de overmacht of de buitengewone omstandigheid is ingetreden.

4. Wanneer overtredingen van de identificatie- en registratieregeling voor runderen worden vastgesteld, gelden de volgende bepalingen:

(…)

b) wanneer het bij de vastgestelde onregelmatigheden gaat om foute vermeldingen in het register of de dierpaspoorten, wordt het betrokken dier slechts als niet geconstateerd beschouwd, wanneer deze fouten bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden geconstateerd. In alle overige gevallen worden de betrokken dieren reeds na de eerste ontdekking van een onregelmatigheid als niet geconstateerd beschouwd.

Het bepaalde in artikel 12 is van toepassing op de melding en het registreren van gegevens in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen.

Artikel 38 - Kortingen en uitsluitingen met betrekking tot runderen waarvoor

steun wordt aangevraagd

(…)

2. Wanneer ten aanzien van meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt het totaalbedrag van de steun waarop het bedrijfshoofd voor de betrokken premieperiode op grond van die regelingen aanspraak kan maken,

gekort:

(…)

Indien het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage groter is dan 20%, wordt het op grond van die regelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 36, lid 3, aanspraak zou kunnen maken, voor de betrokken premieperiode geweigerd.

(…)

3. Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt het totaal van de dieren waarvoor in de betrokken premieperiode op grond van alle steunregelingen voor rundvee steun wordt aangevraagd en ten aanzien waarvan onregelmatigheden worden vastgesteld, gedeeld door het totaal van alle in de betrokken premieperiode geconstateerde runderen.

(…)"

Artikel 49 - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…)"

In de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: Regeling) was onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4.6

Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

(…)

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd."

In de Regeling identificatie en registratie van dieren was ten tijde en voorzover hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 19

1. De houder tekent in het bedrijfsregister terstond aan de gegevens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 1760/2000 en bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met d, van verordening 911/2004 en indien een rund op het bedrijf van de houder is geboren de ID-code van de moeder van dat rund.

2. Het bedrijfsregister wordt schriftelijk of elektronisch bijgehouden.

3. Indien het bedrijfsregister schriftelijk wordt bijgehouden, tekent de ouder de in het eerste lid bedoelde gegevens op de daarbij aangegeven wijze aan in het door de minister verstrekte bedrijfsregister dat overeenkomt met het in bijlage II, onder A, vastgestelde model.

4. Indien het bedrijfsregister elektronisch wordt bijgehouden, draagt de houder er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde gegevens per rund overzichtelijk in beeld kunnen worden gebracht en ter plekke kunnen worden uitgeprint.

5. De periode, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van verordening 1760/2000, dat het bedrijfsregister wordt bewaard, bedraagt drie jaar."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft zich door middel van het toezenden van een door hem ingevuld deelnameformulier op 1 januari 2000 opgegeven als deelnemer aan de slachtpremieregeling.

- In 2004 zijn namens appellant door het slachthuis op diverse data aanvragen voor slachtpremie ingediend voor in totaal 28 runderen.

- Op 26 september 2005 is op het bedrijf van appellant een controle ter plaatse uitgevoerd.

- Bij besluit van 10 november 2005 heeft verweerder de aanvragen van appellant afgewezen en het reeds uitbetaalde voorschot van € 3.284,40 teruggevorderd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 november 2005, aangevuld bij brief van 14 november 2005, bezwaar gemaakt.

- Op 8 december 2005 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaar telefonisch gehoord.

- Op 12 december 2005 heeft appellant verweerder nadere stukken doen toekomen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Om voor premie in aanmerking te komen, moet op grond van artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders, een bedrijfsregister bijhouden. Ten tijde van de controle ter plaatse gold de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003. Hieruit blijkt dat bij een schriftelijk bijgehouden bedrijfsregister in beginsel het door verweerder verstrekte bedrijfsregister dient te worden gebruikt. Indien het bedrijfsregister elektronisch wordt bijgehouden, is het register vormvrij. Op verzoek dient de houder de gegevens per rund overzichtelijk direct in beeld te brengen en moeten de gegevens ter plaatse kunnen worden uitgeprint. Voor de beoordeling of door appellant een bedrijfsregister in de zin van de Regeling is bijgehouden, wordt, uit oogpunt van consistentie in het uitvoeringsbeleid voor het verlenen van premie, het in één oogopslag criterium toegepast.

De controle ter plaatse is uitgevoerd op 26 september 2005 en betreft een periode van minimaal twaalf maanden die aan de controle voorafgaan. Voor het premiejaar 2004 zijn voor tien runderen slachtpremieaanvragen gedaan tussen 25 september 2004 en 31 december 2004.

Tijdens de controle ter plaatse is geconstateerd dat appellant op het moment van die controle en in de twaalf maanden die daaraan zijn voorafgegaan, niet het voorgeschreven bedrijfsregister heeft bijgehouden. Uit het controlerapport is gebleken dat op het bedrijf van appellant wel CR Delta gegevens, alsmede aankoop- en afvoerbewijzen aanwezig waren.

In bezwaar heeft appellant het veeregisteroverzicht van CR Delta over de perioden van 1 november 2004 tot 30 november 2004 en van 1 december 2004 tot 31 december 2004 toegezonden. Met betrekking tot tien runderen, waarvoor appellant in de twaalf maanden voorafgaand aan de controle slachtpremie heeft aangevraagd, zijn hierin de ID code, geboortedatum, geslacht, haarkleur, afwijsreden en afvoerdatum geregistreerd. Ook zijn zes kopieën van verkoopbonnen overgelegd, waarin is vermeld naar welk UBN de runderen vanaf het bedrijf van appellant zijn vervoerd.

Op grond van de stukken is vastgesteld dat op het moment van de controle ter plaatse geen bedrijfsregister op het bedrijf van appellant aanwezig was noch aan het in één oogopslagcriterium is voldaan. Om alle gegevens te kunnen zien, moet er behalve naar het veeregister ook naar een aan- of verkoopbon worden gekeken. Bovendien ontbreekt in de stukken bij de aangevraagde runderen die op het bedrijf van appellant zijn geboren structureel de ID code van de moeder.

Appellant heeft aldus niet voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 neergelegde voorwaarde van het hebben van een bedrijfsregister. In het arrest van 13 december 2001 (C-131/00, Nilsson) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat wanneer een doeltreffende controle ter plaatse door het ontbreken van een bedrijfsregister niet kan worden verricht, moet worden aangenomen dat door toedoen van de betreffende producent de controle niet kan plaatsvinden. De tien aanvragen van appellant waarop de controle ter plaatse van 26 september 2005 betrekking had, zijn dan ook op grond van artikel 17, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 afgewezen.

Tevens dient ingevolge artikel 38 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 een sanctie te worden toegepast op de runderen die in 2004 vóór de controle ter plaatse zijn aangevraagd. In 2004 is voor in totaal 28 runderen slachtpremie aangevraagd. De achttien runderen waarvoor vóór 25 september 2004 slachtpremie is aangevraagd, zijn geconstateerd in de zin van artikel 2, onder s, van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Het kortingpercentage is met toepassing van artikel 38, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 berekend over deze achttien geconstateerde dieren en bedraagt 55,56 (10 / 18 * 100%).

Aangezien dit percentage hoger is dan 20, is op grond van artikel 38, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 de gehele aanvraag afgewezen.

Tevens diende het reeds uitbetaalde premiebedrag van € 3.284,40 op grond van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 te worden teruggevorderd.

Verweerder heeft is niet bevoegd een andere beslissing te nemen dan die in de communautaire regelgeving is voorgeschreven. In de communautaire regelgeving is rekening gehouden met de proportionaliteit en de opgelegde sanctie is niet onevenredig.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Het verbaast appellant dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen, omdat de controleur ten tijde van de controle ter plaatse van 26 september 2005 slechts een waarschuwing heeft gegeven in relatie tot het hebben van een bedrijfsregister.

Appellant beschikte ten tijde van de controle ter plaatse over een bedrijfsregister. De door hem aan de controleur overgelegde gegevens het veeregisteroverzicht van CR Delta en de aan- en verkoopbonnen kunnen als bedrijfsregister worden aangemerkt, omdat in één oogopslag de gegevens van een premiewaardig rund vergeleken kunnen worden met de door de controleur gebruikte RIS-lijst. Het ontbreken van de ID-code van de moederrunderen dient niet tot een sanctie te leiden, omdat niet is voldaan aan de in artikel 36, vierde lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voorwaarde dat deze fout niet bij ten minste twee controles binnen 24 maanden is geconstateerd.

De controles ter plaatse op 26 september 2005 en 27 september 2005 dienen als één controle te worden gezien. Op het moment dat de controleur het bedrijf van appellant op 27 september 2005 verliet, was een actueel voorgeschreven bedrijfsregister op het bedrijf aanwezig.

Aangezien er op 26 september 2005 een bedrijfsregister was en de controleur een doeltreffende controle heeft kunnen uitvoeren, is geen sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Nilsson.

Ten onrechte is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan op de rechtsongelijkheid die het moment van de controle ter plaatse meebrengt. Het bestreden besluit is dan ook op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Het moment van de controle is in sterke mate bepalend voor de hoogte van de op te leggen sanctie en dit leidt derhalve tot rechtsongelijkheid.

Ten onrechte heeft verweerder in het bestreden besluit geen overweging gewijd aan het eveneens opgelegde uitsluitingbedrag. Dit vormt eveneens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

Subsidiair doet appellant een beroep op artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Appellant is van mening dat hem geen schuld treft en dat de bedrijfsadministratie op juiste wijze is bijgehouden.

Ter zitting heeft appellant gewezen op een zaak van een veehouder uit Y, waarin verweerder alsnog tot het achterwege laten van het opleggen van een sanctie is overgegaan. Appellant doet hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat verweerder bij het bestreden besluit niet heeft beslist op een door appellant gemaakt bezwaar tegen een besluit inzake een aan hem opgelegd uitsluitingsbedrag. In de onderhavige procedure staat dan ook uitsluitend ter beoordeling of de ongegrondverklaring van appellants bezwaar inzake de slachtpremie voor het jaar 2004 in rechte kan standhouden.

5.2 Het College stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag of een producent over een bedrijfsregister beschikt, de situatie bij de aanvang van de controle bepalend is. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 moet het bedrijfsregister immers te allen tijde en gedurende minstens drie jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gehouden. Indien het bedrijfsregister nog tijdens de controle in orde zou mogen worden gemaakt, zou dit het nuttig effect van laatstgenoemde bepaling goeddeels ontnemen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het College op dat op het bedrijf van appellant ten tijde van de controle ter plaatse een administratie, bestaande uit een van CR Delta afkomstig veeregister en aan- en verkoopbonnen, aanwezig was. De betreffende stukken zijn in de onderhavige procedure niet overgelegd. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat de stukken die appellant desgevraagd in december 2005 heeft overgelegd, vergelijkbaar zijn met die welke door de controleur zijn beoordeeld. Aldus zal aan de hand van deze stukken worden beoordeeld of appellant ten tijde van de controle over een bedrijfsregister beschikte.

Het College is van oordeel dat deze stukken niet tot de conclusie kunnen leiden dat daaruit in één oogopslag per dier, zoals in het model bedrijfsregister, alle benodigde gegevens kunnen worden verkregen. Weliswaar kunnen de meeste van de gegevens worden verkregen door het veeregister met de aan- en verkoopbonnen te vergelijken, maar daarmee is niet voldaan aan het vereiste dat in één oogopslag alle gegevens moeten kunnen worden verkregen. Bovendien heeft verweerder terecht vastgesteld dat de ID code van de moederkoe structureel ontbreekt. Er is dan ook terecht vastgesteld dat appellant ten tijde van de controle ter plaatse niet beschikte over een bedrijfsregister als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 juncto artikel 8 van Verordening (EG) nr. 911/2004.

5.3 Zoals het College eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 18 maart 2005 (AWB 04/372, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AT1731), dit in het voetspoor van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 december 2001 (Ingemar Nilsson, C-131/00, Jur. 2001, I-10165), zijn in Verordening (EEG) nr. 3508/92 de beginselen geformuleerd volgens welke de Gemeenschap en de lidstaten de tenuitvoerlegging van communautaire beslissingen inzake gefinancierde landbouwmaatregelen en de bestrijding van fraude en onregelmatigheden in verband met deze maatregelen moeten regelen. In dit verband is een systeem opgezet ter identificatie en registratie van de dieren die voor steun in aanmerking komen. Binnen dit controlesysteem, dat ervoor moet zorgen dat elk dier kan worden geïdentificeerd en in al zijn verplaatsingen vanaf zijn geboorte tot zijn dood wordt gevolgd, zodat de handel daarin kan worden gecontroleerd en de controle van de communautaire steunregelingen wordt verbeterd, speelt het bedrijfsregister een cruciale rol. Blijkens het ingevoerde controlesysteem is het regelmatig bijhouden van het bedrijfsregister van groot belang. Het aantal bij de controle aanwezige en op dat tijdstip getelde dieren alleen is niet bepalend voor de verificatie van een steunaanvraag. Aan de hand van het bedrijfsregister kan bij de controle het aantal en de identiteit worden bepaald van de dieren die tijdens de periode van aanhouding aanwezig zijn en waarvoor steun kan worden toegekend. In deze omstandigheden levert het ontbreken van een bedrijfsregister een ernstige inbreuk op de voorschriften inzake identificatie en registratie van dieren op, omdat daardoor het in Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem niet kan functioneren en een doeltreffend beheer van de communautaire steunregelingen onmogelijk wordt. Een steunaanvraag dient dan te worden afgewezen.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het onderhavige geval de controle ter plaatse is verhinderd en artikel 17, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan inwilliging van de tien in 2004 gedane aanvragen voor slachtpremie waarop die controle betrekking had, in de weg stond.

5.4 Voor de overige achttien in 2004 gedane aanvragen stond de sanctiebepaling van artikel 38, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan inwilliging in de weg. Het beroep van appellant op artikel 36, vierde lid, onder b, van deze verordening faalt reeds, omdat ten tijde van de controle ter plaatse geen bedrijfsregister op het bedrijf van appellant aanwezig was. Van fouten in de registratie kan bij het ontbreken van een bedrijfsregister niet worden gesproken.

5.5 Voorts was verweerder ingevolge artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 verplicht tot terugvordering van de ten onrechte reeds uitbetaalde bedragen.

5.6 Dat het moment waarop een controle ter plaatse plaatsvindt in sterke mate bepalend is voor de hoogte van de sanctie, zoals appellant betoogt, brengt niet mee dat het bestreden besluit wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel onrechtmatig moet worden geoordeeld. Op grond van de artikelen 17 en 25 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 worden controles ter plaatse onverwachts uitgevoerd en hebben deze betrekking op dieren waarvoor in de laatste twaalf maanden vóór de controle steunaanvragen zijn ingediend. Deze bepalingen gelden voor alle aanvragers in dezelfde mate. Voor elke aanvrager geldt voorts dat de in artikel 38 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 genoemde sancties worden opgelegd indien bij een controle blijkt dat niet aan de voorwaarden is voldaan. Dat die sanctie kan verschillen naarmate de controle op het ene dan wel het andere moment plaatsvindt, levert geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op. Van gelijke gevallen is dan immers geen sprake.

5.7 Voorzover appellant van opvatting is dat de sanctie achterwege had moeten blijven omdat hem geen schuld treft in de zin van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, deelt het College deze opvatting niet. Het is immers aan appellant te wijten dat er geen deugdelijk bedrijfsregister aanwezig was.

5.8 Het ter zitting door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, in welk verband hij heeft gewezen op de zaak B, faalt reeds, nu verweerder ter zitting voldoende heeft onderbouwd dat geen sprake is van gelijke gevallen. Het gaat in die zaak om een onjuiste mededeling van de AID-controleur tijdens de controle. Daarvan is hier geen sprake.

5.9 Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 november 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.S. Hoppener