Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ2218

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/846
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling identificatie en registratie van dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/846 27 oktober 2006

11224 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling identificatie en registratie van dieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K. de Jonge, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 21 november 2005, bij het College op dezelfde datum binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 oktober 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit tot afkeuring van een reeds geslacht rund gegrond verklaard en de door appellant geleden schade vergoed tot een bedrag van € 296,50.

Bij brief van 5 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 16 februari 2006 heeft verweerder een aanvullende beslissing genomen op het bezwaarschrift van appellant, waarbij verweerder aan appellant een vergoeding heeft toegekend voor in de bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten.

Op 23 juni 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 1, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 494/98 van de Commissie van 27 februari 1998 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad wat de toepassing van de minimale administratieve sancties in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen betreft (hierna: de Verordening), luidt als volgt:

"Indien de houder van een dier de identiteit van dat dier niet binnen twee werkdagen kan bewijzen, wordt het dier onverwijld onder toezicht van de veterinaire autoriteiten vernietigd zonder dat door de bevoegde autoriteit een compensatie wordt verleend."

De Regeling identificatie en registratie van dieren (hierna: de Regeling) luidt voorzover van belang als volgt:

"Artikel 10

1. Het is een ieder, met uitzondering van door de minister aangewezen personen, verboden zonder toestemming van de minister te merken of hermerken.

2. In afwijking van het eerste lid, merkt de houder de door hem gehouden dieren overeenkomstig artikel 11.

3. In afwijking van het eerste lid, hermerkt de houder (…) de door hem gehouden dieren indien merkverlies is opgetreden (…)

Artikel 11

1. Het merk wordt met behulp van een bevestigingstang, die voldoet aan de eisen van bijlage I, onder F (…) in elk oor van een rund aangebracht op zodanige wijze dat de stift van het ene deel de oorschelp doorboort en in de kamer van het andere deel wordt vergrendeld, dan wel indien het een slachtmerk betreft, op zodanige wijze dat het slachtmerk de oorschelp doorboort.

(…)

Artikel 13

1. Dieren worden geïdentificeerd en geregistreerd overeenkomstig:

a. titel I van verordening 1760/2000 en de artikelen 14 tot en met 23 en 25, indien het runderen betreft;

(…)

Artikel 25

Indien het bedrijf een slachthuis is, zorgt de houder ervoor dat de karkassen van de runderen zijn geïdentificeerd tot en met het tijdstip van de weging na slachting.

Artikel 26

1. Indien runderen worden aangevoerd op een slachthuis, controleert de houder, overeenkomstig een door de minister goedgekeurd protocol, terstond na aanvoer of de runderen overeenkomstig artikel 13, eerste lid, onderdeel a, zijn geïdentificeerd en geregistreerd.

2. Indien bij de in het eerste lid bedoelde controle blijkt dat runderen niet volledig zijn geïdentificeerd en geregistreerd, wordt hiervan terstond melding gedaan aan de VWA.

3. De runderen, bedoeld in het tweede lid, worden terstond afgezonderd van de overige runderen in het slachthuis. De ambtenaar van de VWA kan ter zake aanwijzingen geven.

4. Runderen worden slechts geslacht indien bij de in het eerste lid bedoelde controle is gebleken dat de runderen overeenkomstig artikel 13, eerste lid, onderdeel a, zijn geïdentificeerd en geregistreerd.

Artikel 27

De minister is bevoegd om uitvoering te geven aan artikel 1, tweede lid, van verordening 494/98."

In het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 6:98

Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

Artikel 6:101

1. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

2. Betreft de vergoedingsplicht schade, toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had, dan worden bij toepassing van het vorige lid omstandigheden die aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de benadeelde."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft zijn rund met ID-nummer NL 299898050 op 29 november 2004 afgeleverd op het slachthuis. Op 30 november 2004 is dit rund goedgekeurd en nadien geslacht.

- Bij besluit van 1 december 2004, neergelegd in een zogeheten VOS-lijst, heeft de keuringsdierenarts van de Voedsel en Waren Autoriteit, onderdeel Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (hierna: VWA/RVV) het geslachte rund alsnog afgekeurd, omdat de oormerken niet op de voorgeschreven wijze waren bevestigd. Het rund is vervolgens ter destructie bestemd.

- Bij brief van 5 januari 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 december 2004 en verzocht om schadevergoeding.

- Bij brief aan verweerder van 26 april 2005 heeft de VWA/RVV aangegeven dat in gevallen als de onderhavige, waarin zonder voldoende wettelijke grondslag alle delen van het geslachte rund zijn afgekeurd en ter destructie bestemd, door de VWA/RVV aansprakelijkheid wordt erkend en de aangetoonde schade in principe voor één derde deel wordt vergoed.

- Bij brief van 29 juni 2005 heeft verweerder aan appellant medegedeeld aansprakelijkheid te aanvaarden voor één derde deel van de door appellant gestelde schade en appellante in de gelegenheid gesteld zijn schadebedrag van een nadere onderbouwing te voorzien.

- Bij brief van 13 juli 2005 heeft appellant aan verweerder medegedeeld geen genoegen te nemen met een vergoeding van één derde deel van de door hem geleden schade en aangegeven dat deze schade € 856,52 bedraagt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Het rund is ter destructie bestemd op grond van artikel 27 van de Regeling, juncto artikel 1, tweede lid, van de Verordening. Verweerder erkent dat dit artikel echter slechts ziet op de bevoegdheid ten aanzien van levende dieren. De VWA/RVV heeft inbreuk gemaakt op appellants rechten op het rund, door na de slacht alle delen van het rund ter destructie te bestemmen.

Omdat geen sprake is van een rechtstreeks uit de veterinaire wetgeving voortvloeiend recht op schadevergoeding, zoekt verweerder voor de bepaling van de voor vergoeding in aanmerking komende schade aansluiting bij het civiele schadevergoedingsrecht, waarin een inbreuk op een recht als een onrechtmatige daad wordt aangemerkt.

Bij de bepaling van de vergoeding van de schade moet ingevolge artikel 6:101 BW acht worden geslagen op eigen schuld, waarbij fouten van een derde die de zaak in zijn macht had voor de benadeelde, worden toegerekend aan de benadeelde. De door appellant geleden schade is naar de mening van verweerder niet uitsluitend een gevolg van het handelen van VWA/RVV, maar evenzeer een gevolg van omstandigheden die aan appellant en aan het slachthuis kunnen worden toegerekend. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift erkend dat hij het rund, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Regeling, heeft hermerkt door de oormerken in de oorschelpen te bevestigen met behulp van boutjes. Het slachthuis heeft vervolgens, in strijd met onder meer de artikelen 25 en 26 van de Regeling, nagelaten te constateren dat de oormerken bij het rund op gebrekkige wijze waren bevestigd, althans nagelaten daarvan terstond melding te doen bij de VWA/RVV. Gelet hierop ziet verweerder aanleiding om aansprakelijkheid te aanvaarden voor één derde deel van de door appellant geleden schade.

Verweerder heeft beslist tot vergoeding van één derde deel van de door appellant opgegeven schade van € 856,52, zijnde een bedrag van € 286,--, te vermeerderen met een wettelijke rente van € 10,50 tot een bedrag van € 296,50.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft - samengevat weergegeven - betoogd dat de Minister heeft erkend dat de schade het gevolg is van het besluit tot destructie en dat hiermee niet valt te rijmen dat de schade mede het gevolg zou zijn van omstandigheden die aan appellant en het slachthuis zijn toe te rekenen. Als VWA/RVV haar taak correct zou hebben vervuld, dan zou het rund levend zijn afgekeurd en had appellant hiervan bericht ontvangen. Hij zou het rund dan alsnog op de juiste wijze van oormerken hebben kunnen voorzien.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten aanzien van de omvang van het geschil overweegt het College dat de omrechtmatigheid van het in bezwaar aangevochten besluit niet ter discussie staat en dat partijen slechts zijn verdeeld over de mate waarin de door appellant geleden schade door verweerder dient te worden vergoed, en in hoeverre deze voor zijn rekening dient te komen.

Hoewel het bestreden besluit een zuiver schadebesluit in de vorm van een primaire beslissing betreft, ziet het College, in overeenstemming met zijn uitspraak van 9 augustus 2005 (AWB 04/840, www.rechtspraak.nl, LJN AU1362), aanleiding ter finale beslechting van het geschil te oordelen over de rechtmatigheid van de toekenning door verweerder van schadevergoeding aan appellant, nu daaromtrent door partijen voldoende naar voren is gebracht.

5.2 Wat betreft de verdeling van de schade over partijen overweegt het College dat het hierop van toepassing zijnde artikel 6:101 BW hieromtrent primair stelt dat deze verdeling dient plaats te vinden in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen.

In het onderhavige geval is niet in geschil dat de schade die appellant heeft geleden door de destructie van het hem toebehorende rund in een zodanig nauw verband staat met de onrechtmatige afkeuring van dit rund, dat deze schade - gelet op artikel 6:98 BW - als een gevolg van laatstgenoemde gebeurtenis aan verweerder kan worden toegerekend.

De door verweerder vermelde aan appellant toe te rekenen omstandigheden, te weten het door hem oormerken van het rund op een wijze die in strijd is met de Regeling alsmede het nalaten te constateren dan wel te melden van deze wijze van oormerken door het slachthuis, kunnen naar het oordeel van het College niet als een oorzaak van de schade worden beschouwd. Zoals appellant terecht heeft betoogd, kon hij voorzien dat het foutief oormerken van het rund zou leiden tot het afkeuren van dit rund in levende toestand. Hetzelfde gevolg kan als voorzienbaar worden aangemerkt ten aanzien van de fouten die door het slachthuis zijn gemaakt. Daarentegen kon niet objectief worden voorzien dat voornoemd foutief handelen er toe zou leiden dat het rund zou worden afgekeurd en ter destructie bestemd op een wijze die in strijd is met artikel 27 van de Regeling juncto artikel 1, tweede lid, van de Verordening. Reeds hierom ziet het College geen termen de op verweerder berustende vergoedingsplicht te verminderen door een deel van de schade toe te rekenen aan appellant.

Ingevolge artikel 6:101 BW zou het College slechts tot een ander oordeel kunnen komen indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de door betrokkenen gemaakte fouten of andere omstandigheden dit zou eisen. Dat hiervan sprake zou zijn, is echter noch gesteld, noch gebleken.

5.3 De conclusie moet zijn dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het College acht het, eveneens ter finale beslechting van het geschil, geraden onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te bepalen dat aan appellant een vergoeding wordt toegekend tot de omvang van de schade zoals door hem gevorderd, zijnde een bedrag van € 856,52, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.4 Het College overweegt ten slotte dat verweerder het door appellant betaalde griffierecht dient te vergoeden, alsmede dat termen aanwezig zijn verweerder onder toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant, zijnde de kosten van de door zijn gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Met inachtneming van het Besluit bestuurskosten procesrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt ter waarde van € 322,-- voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 31 oktober 2005, voorzover hierbij een schadevergoeding van € 296,50 is bepaald;

- voorziet in de zaak in dier voege dat aan appellant een schadevergoeding wordt toegekend van € 856,52 (zegge:

achthonderdzesenvijftig euro en tweeënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2004 tot aan

de dag der algehele voldoening, zulks met bepaling dat dit onderdeel van het dictum in de plaats treedt van het bestreden

besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant, welke kosten worden vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ad € 138,-- (zegge: honderdachtendertig euro) aan hem wordt vergoed;

- wijst de Staat aan als rechtspersoon die de proceskosten en de griffierechten aan appellant dient te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. H.O. Kerkmeester en mr. B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.H. Vazquez Muñoz