Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ1555

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
06-11-2006
Zaaknummer
AWB 00/560, 00/611, 00/613, 00/615, 01/475, 01/477, 01/479, 03/955, 03/1041
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bestrijdingsmiddelenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 00/560, 00/611, 00/613, 00/615, 01/475,

01/477, 01/479, 03/955, 03/1041 31 oktober 2006

32000 Bestrijdingsmiddelenwet

Uitspraak in de zaken van

1. Taminco N.V., te Gent (België), welke vennootschap ter zake van de toelating van het bestrijdingsmiddel UCB-metam is getreden in de plaats van UCB Chemicals N.V., te Gent (België),

2. Kanesho Soil Treatment B.V., te Brussel (België), welke vennootschap ter zake van de toelating van het bestrijdingsmiddel BASF Monam Conc. is getreden in de plaats van BASF Nederland B.V., te Arnhem

3. Luxan B.V., te Elst, toelatinghoudster van het bestrijdingsmiddel Luxan Monam Geconc.,

4. Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, te Rotterdam,

5. Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht,

appellanten;

gemachtigde van appellanten, genoemd onder 1 en 2 (hierna evenals de vennootschappen in wier plaats zij zijn getreden, aan te duiden als respectievelijk appellante sub 1 en appellante sub 2), alsmede van appellante, genoemd onder 3: mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda;

gemachtigde van appellanten, genoemd onder 4 en 5: mr. drs. J. Rutteman, werkzaam bij appellante genoemd onder 4,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, verweerder,

gemachtigden: mr. J.H. Geerdink, advocaat te 's-Gravenhage, en mr. M.K. Polano, werkzaam bij verweerder.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1 De onderhavige zaken hebben betrekking op het al dan niet toelaten, respectievelijk verlengen van de toelating van bestrijdingsmiddelen die als werkzame stof metamnatrium bevatten. Het betreft grondontsmettingsmiddelen die in een groot aantal teelten in de land- en tuinbouw worden toegepast.

De behandeling van de desbetreffende beroepen heeft plaatsgevonden op zittingen van het College, gehouden op 16 september 2004 en 19 september 2006. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 16 september 2004 heeft het College bij uitspraak van 28 oktober 2004 (zoals hierna in § 1.18 vermeld) beslist inzake enkele geschilpunten, alsmede onder heropening van het onderzoek verweerder in de gelegenheid gesteld omtrent enkele vraagpunten een reactie te geven.

Wat de ter zake dienende feiten en omstandigheden in deze procedures betreft, wordt voorts het volgende overwogen.

1.2 De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna evenals het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen aan te duiden als verweerder) heeft de toelatingen van voormelde bestrijdingsmiddelen, wat BASF Monam Conc. en Luxan Monam Geconc. betreft bij besluiten van 25 november 1994, en wat UCB Metam betreft bij besluit van 21 februari 1997, procedureel verlengd tot 1 december 1999.

Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 15 juli 1999, inzake no. 96/0388/060/029, waarin is geoordeeld dat het door verweerder gestelde slechts een rechtvaardiging oplevert voor een procedurele verlenging, als voorzien in artikel 5, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) en artikel 7, vijfde lid, van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (hierna: Rtb), tot 1 september 1999, heeft verweerder de verlenging beperkt tot deze datum.

1.3 Bij de verlengingsbesluiten van 25 november 1994 en 21 februari 1997 is er onder meer op gewezen dat een herbeoordeling van de bestrijdingsmiddelen zou plaatsvinden aan de hand van milieucriteria inzake persistentie en uitspoeling, als voorzien in het (toentertijd in voorbereiding zijnde) Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (hierna: Bmb), en dat de toelatingen zonodig zouden worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer niet zou worden voldaan aan deze criteria. Voorts heeft verweerder bij brief van 19 december 1996 een opgave gedaan van verlengingsvoorwaarden op grond van het Bmb, en daarbij te kennen gegeven dat ten behoeve van de besluitvorming over de verlenging van de toelating tenminste gegevens dienen te worden overgelegd omtrent de chronische toxiciteit van het omzettingsproduct methylisothiocyanaat (hierna: MITC) voor kreeftachtigen, algen en vissen.

1.4 Bij brief van 29 juli 1999 heeft verweerder mededeling gedaan van het in behandeling nemen van de aanvragen tot verlenging van toelating en onder meer verzocht gegevens te leveren omtrent de toxicologie, te weten historische controledata waarnaar wordt verwezen in een studie over de in vivo chromosoomaberratie bij hamsters uit 1987, en indien beschikbaar, carcinogeniteitsstudies te leveren.

Bij brieven van 10, 13 en 20 augustus 1999 zijn van de zijde van appellanten gegevens overgelegd omtrent de genotoxiciteit en de carcinogeniteit van metamnatrium.

1.5 Bij besluiten van 24 september 1999 (hierna: primair besluit I) heeft verweerder beslist tot procedurele verlenging van de toelating van genoemde bestrijdingsmiddelen tot 1 september 2000.

Bij primair besluit I is met betrekking tot de milieu-aspecten onder meer geconcludeerd:

- dat de onderhavige toepassingen op basis van metamnatrium vooralsnog niet voldoen aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen;

- dat de toepassingen vooralsnog niet voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen, alsmede dat een adequate risico-evaluatie moet worden geleverd, die aantoont dat onder veldomstandigheden geen onaanvaardbare effecten optreden op de microbiële activiteit;

- dat gegevens ontbreken omtrent neveneffecten van de werkzame stof op niet-doelwit arthropoden.

Voorts is bij primair besluit I aandacht besteed aan het aspect van de humane toxicologie, in welk verband melding is gemaakt van genotoxociteit en carcinogeniteit. Hieromtrent is opgemerkt dat de humane toxicologie voor het laatst aan de orde is gesteld in een stuk van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen d.d. 5 oktober 1994, dat mede ten grondslag lag aan de verlenging van de toelatingen tot 1 december 1999. In genoemd stuk zijn geen aanvullende vragen gesteld aangaande evengenoemd onderwerp. Nadien zijn - zo is in primair besluit I gesteld - in 1996 door het RIVM enkele studies samengevat, waaronder een rapport van TNO van 1994. Zowel in het rapport van TNO, betreffende het risico voor de toepasser, als in de aanvullende samenvatting van het RIVM-rapport is gewezen op de onzekerheid die bestaat ten aanzien van eventuele clastogene (chromosoomafwijkingen veroorzakende) effecten van metamnatrium. De stof veroorzaakt - aldus de overwegingen bij primair besluit I - chromosoomaberraties bij in vitro-testen met humane lymfocyten en met CHO-cellen.

Onder het kopje "Verlengingstermijn" is bij primair besluit I opgemerkt dat onvoldoende tijd beschikbaar is om een goede beoordeling van het risico voor de mens op te stellen, en dat de tijd die nodig is voor (-) het opstellen van samenvattingen, (-) het geven van een inhoudelijke beoordeling van het dossier op het aspect genotoxiciteit/risico voor de mens als gevolg van blootstelling aan metamnatrium en (-) de administratieve afhandeling 12 maanden bedraagt.

1.6 Met betrekking tot de gegevensverstrekking inzake de humane toxicologie in de periode na primair besluit I blijkt uit de stukken het volgende.

Bij brief van 8 november 1999 heeft verweerder doen weten dat metamnatrium genotoxisch in vitro is. Om een definitieve uitspraak te kunnen doen over de genotoxiciteit van metamnatrium in vivo en om mogelijke genotoxische carcinogeniteit te kunnen uitsluiten dient - aldus deze brief - een adequaat uitgevoerde in vivo aberratietest te worden geleverd.

Naar aanleiding hiervan is vanwege appellanten bij brief van 22 november 1999 de studie "Metam sodium: an evaluation in the mouse micronucleus test" d.d. 18 april 1996 geleverd.

Hierop is van de zijde van verweerder bij e-mail van 14 februari 2000 gereageerd met de mededeling dat het RIVM na beoordeling van genoemde studie van mening is dat de resultaten daarvan niet bruikbaar zijn en dat nog steeds een adequaat uitgevoerde in vivo chromosoom aberratie-test geleverd dient te worden om genotoxische carcinogeniteit uit te sluiten.

Bij brief van 3 maart 2000 is namens appellanten een inhoudelijke reactie gegeven op dit e-mailbericht, waarbij de daarin neergelegde opvatting is betwist en is verzocht om een zeer snelle reactie van verweerder. Bij deze brief is ter zake van de gevraagde in vivo chromosoom aberratie-test verwezen naar de op 22 november 1999 toegezonden studie.

Vervolgens zijn namens appellanten bij brief van 29 maart 2000 acht bestaande studies uit de jaren 1987, 1991, 1994, 1996 en 1997 aan verweerder toegezonden.

Bij brief van 27 april 2000 heeft verweerder kennis gegeven van zijn voornemen de toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen te beëindigen. Bij dit schrijven heeft verweerder onder meer te kennen gegeven dat gelet op het risico voor de toepasser en de overschrijding van de norm ten gevolge van het gebruik van de onderhavige middelen, niet is vastgesteld dat alle toepassingen van de middelen en de omzettingsproducten in geval van gebruik overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Bmw, de gezondheid niet schaden of de veiligheid niet in gevaar brengen van degene die het middel toepast. Aan dit oordeel ligt, naar verweerder nadien heeft uiteengezet, de opvatting ten grondslag dat de vereiste in vivo chromosoom aberratie-test niet was geleverd.

Bij schrijven van 12 juni 2000 is namens appellanten aan verweerder medegedeeld dat naar aanleiding van het verzoek om aanvullend onderzoek en een adequaat uitgevoerde in vivo chromosoom aberratie-test, van start zal worden gegaan met een aanvullende studie.

Deze studie betreft - aldus genoemd schrijven - geen nieuwe in vivo chromosoom aberratie-test, maar zal zich toespitsen op het aantonen dat metamnatrium bij orale toediening het beenmerg bereikt. Recapitulerend is opgemerkt dat op 22 november 1999 een in vivo muis micronucleus-test is toegezonden als bevestiging van de negatieve resultaten die zijn verkregen bij de in vivo-studie bij de Chinese hamster.

1.7 Appellanten sub 4 en 5 hebben tegen primair besluit I bezwaren ingediend. Deze bezwaren houden, kort weergegeven, in:

- dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de figuur van procedurele verlenging;

- dat een onjuiste beoordeling heeft plaatsgevonden van de risico's van het gebruik van metamnatrium voor de toepasser en omwonenden;

- dat niet is voldaan aan toepasselijke milieucriteria;

- dat gehandeld is in strijd met artikel 5, tweede lid, Bmw, dat bepaalt dat, waar mogelijk, bij de toelating voorschriften worden gegeven omtrent de beginselen van de geïntegreerde bestrijding.

1.8 Verweerder heeft, beslissende op deze bezwaren, bij besluiten van 29 juni 2000 (hierna: bestreden besluit I), in overeenstemming met het advies van de Adviescommissie voor de bezwaren CTB:

- geconcludeerd dat geen besluit tot procedurele verlenging had mogen worden genomen, aangezien de omstandigheid dat de beoordeling op 1 september 1999 niet was afgerond, aan de aanvragers is te wijten;

- besloten dat de toelating van de bestrijdingsmiddelen wordt beëindigd per 1 juli 2000;

- beslist tot het stellen van een opgebruiktermijn, in dier voege dat voor de periode van 1 juli 2000 tot 1 januari 2001 de middelen mogen worden gebruikt en ten behoeve van het gebruik voorhanden of in voorraad mogen worden gehouden.

1.9 Appellanten sub 1, 2 en 3 hebben tegen bestreden besluit I beroep ingesteld bij inleidend beroepschrift van 5 juli 2000, ingekomen bij het College op 6 juli 2000. Op 6 juli 2000 hebben deze appellanten een aanvullend beroepschrift ingediend.

Bij besluiten van 28 juli 2000 heeft verweerder bestreden besluit I in dier voege gewijzigd, dat met terugwerkende kracht alsnog een aflevertermijn is vastgesteld voor de periode van 1 juli 2000 tot 1 januari 2001.

Blijkens de motivering van deze besluiten heeft verweerder nadrukkelijk rekening gehouden met nieuw aan het licht gekomen feiten ten aanzien van het al dan niet op de hoogte zijn van de toelatinghouders met rapporten uit 1994 en 1996 van het RIVM en TNO en de conclusies die verweerder aan deze rapporten heeft verbonden, en daarbij in aanmerking genomen dat met zekerheid vaststaat dat de toelatinghouders niet eerder dan bij schrijven van 29 juni 1999 op de hoogte zijn gebracht van de nog te leveren gegevens.

Ter zake van het voeren van verweer in het kader van voornoemd beroep heeft verweerder bij schrijven van 19 november 2001 verwezen naar een verweerschrift d.d. 11 juli 2001, uitgebracht in verband met een verzoek om voorlopige voorziening van appellanten sub 1, 2 en 3.

Bij brief van 26 november 2002 heeft de gemachtigde van deze appellanten antwoord gegeven op een vanwege het College gestelde vraag omtrent voortzetting van de behandeling van het beroep tegen bestreden besluit I.

1.10 Bij besluiten van 22 december 2000 (hierna: primair besluit II) heeft verweerder, beslissende op verzoeken d.dis 11 augustus 1998, 28 september 1998 en 18 november 1998 om verlenging van de toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen, deze verzoeken afgewezen.

Deze afwijzingen zijn onder meer gebaseerd op de conclusie dat niet is vastgesteld dat de betreffende middelen, wanneer zij overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Bmw worden gebruikt, de gezondheid niet schaden of de veiligheid niet in gevaar brengen van degene die het middel toepast. Wat de gezondheidsrisico's betreft, is onder andere gesteld dat de risicobeoordeling voor de toepasser mogelijk kan worden aangepast, wanneer aanvullende gegevens over de dermale absorptie van metamnatrium beschikbaar zijn, doch dat het in verband met de beschikbare tijd niet mogelijk was om de eerst op 24 november 2000 geleverde studies inzake dermale absorptie te beoordelen.

Voorts heeft verweerder te kennen gegeven dat in verband met het bepaalde in het Bmb een adequate risico-evaluatie zou moeten worden geleverd, die aantoont dat onder veldomstandigheden geen onaanvaardbare effecten optreden op de microbiële activiteit na toepassing van de gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorgestelde gebruiksaanwijzing, rekening houdend met het voortplantingsvermogen van de micro-organismen.

1.11 Bij besluit van 25 mei 2001 heeft verweerder, beslissende op de bezwaren van appellanten sub 1 en 2 tegen primair besluit II:

- de aanvragen tot verlenging van de toelating van de middelen UCB-metam en BASF Monam Conc. per 1 juli 2000 aangemerkt als aanvragen om nieuwe toelatingen;- het bezwaar van deze appellanten inzake de bodemmicro-organismen ongegrond verklaard. Bij besluit van 22 juni 2001 heeft verweerder eenzelfde beslissing genomen naar aanleiding van de bezwaren van appellante sub 3 tegen primair besluit II.

Tegen evenvermelde besluiten van 25 mei 2001 en 22 juni 2001 ( hierna aangeduid als bestreden besluit II) hebben appellanten sub 1, 2 en 3 bij een op 20 juni 2001 bij het College ingekomen beroepschrift beroep ingesteld.

Ter zake van het voeren van verweer in het kader van dit beroep heeft verweerder bij schrijven van 16 november 2001 verwezen naar een verweerschrift d.d. 11 juli 2001, uitgebracht naar aanleiding van een verzoek om voorlopige voorziening van genoemde appellanten.

Bij de in § 1.9 vermelde brief van 26 november 2002 heeft de gemachtigde van genoemde appellanten eveneens antwoord gegeven op een vanwege het College gestelde vraag omtrent voortzetting van de behandeling van het beroep tegen bestreden besluit II.

1.12 Bij besluiten van 22 maart 2002 heeft verweerder beslist de onderhavige bestrijdingsmiddelen met onmiddellijke ingang opnieuw toe te laten en als einddatum van deze toelating 1 april 2007 vastgesteld. Voorts heeft verweerder bij deze besluiten herroepen de besluiten tot afwijzing van de verlengingsaanvragen van 22 december 2000.

De besluiten van 22 maart 2002 berusten onder meer op de overwegingen:

- dat verweerder zijn standpunt herziet met betrekking tot het aspect risico toepasser, daar is vastgesteld dat toepassingen van middelen op basis van metamnatrium, indien toegepast volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing, de gezondheid niet schaden of de veiligheid niet in gevaar brengen van degene die het middel toepast;

- dat niet is vastgesteld dat toepassing van middelen op basis van metamnatrium geen voor het milieu onaanvaardbaar effect hebben;

- dat eerdere afwijzingen waren gebaseerd op het ontbreken van een adequate risico-evaluatie doch dat de afwijzingen op deze grond ten onrechte hebben plaatsgevonden, aangezien bestrijdingsmiddelen op basis van metamnatrium, ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, Bmb niet vallen onder de werking van het Bmb.

Zowel appellanten sub 1, 2 en 3 als appellanten sub 4 en 5 hebben tegen de besluiten van 22 maart 2002 bezwaarschriften ingediend. Appellanten sub 4 en 5 hebben zich gewend tot de voorzieningenrechter van het College met het verzoek deze besluiten te schorsen.

Bij uitspraak van 21 juni 2002 (AWB 02/685; <www.rechtspraak.nl>, LJNAE 4687) heeft de voorzieningenrechter dit verzoek toegewezen, genoemde besluiten geschorst en onder meer bepaald dat de in geding zijnde bestrijdingsmiddelen worden behandeld als waren de toelatingen daarvan niet verlengd.

De in deze uitspraak neergelegde zienswijze van de voorzieningenrechter komt er in essentie op neer, dat de omstandigheid dat de normen van het Bmb niet van toepassing zijn, verweerder niet ontslaat van de verplichting de toelating te toetsen aan de open norm van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, ten tiende, Bmw. Deze norm houdt in dat een bestrijdingsmiddel slechts wordt toegelaten, indien op grond van de stand van de wetenschap en technische kennis en aan de hand van nader vermelde gegevens met inachtneming van nader genoemde regels is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsproducten, wanneer het middel overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt, geen voor het milieu onaanvaardbaar effect hebben, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met (-) de plaats waar het bestrijdingsmiddel in het milieu terecht komt en wordt verspreid, met name wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drink- en grondwater en belasting van de bodem en (-) de gevolgen voor niet doelsoorten.

1.13 Verweerder heeft naar aanleiding van evengenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter bij besluiten van 2 augustus 2002 (hierna: primair besluit III) de besluiten van 22 maart 2002 herroepen en, op basis van een inhoudelijke beoordeling van de effecten van de bestrijdingsmiddelen voor het milieu, alsmede op grond van een beoordeling van de risico's voor de gezondheid, de middelen per onmiddellijke ingang toegelaten en als einddatum 1 augustus 2007 vastgesteld. Voorts heeft verweerder daarbij herroepen bestreden besluit I en primair besluit II.

1.14 Bij besluit van 11 juli 2003 (hierna: bestreden besluit III) heeft verweerder de hierna vermelde bezwaren tegen primair besluit III ongegrond verklaard.

De bezwaren van appellanten sub 1, 2 en 3 hielden in dat verweerder de toelating ten onrechte had doen ingaan op de datum van primair besluit III - 2 augustus 2002 - en niet met terugwerkende kracht per datum van beëindiging van de toelatingen, te weten 1 juli 2000.

De bezwaren van appellanten sub 4 en 5 waren gericht tegen de toelatingen als zodanig.

In het bezwaarschrift is gemotiveerd betoogd (-) dat niet genoegzaam is aangetoond dat de onderhavige middelen en de omzettingsproducten niet schadelijk zijn voor toepassers en omwonenden, (-) dat onvoldoende onderzoek is ingesteld naar het risico voor bodemorganismen als regenwormen, en dat ten onrechte is geconcludeerd dat aan deze dieren geen onaanvaardbare schade wordt toegebracht, (-) dat ten onrechte is vastgesteld dat de middelen voldoen aan de norm voor bodem micro-organismen, (-) dat ten onrechte geen gegevens zijn geleverd met betrekking tot de effecten op niet-doelwitarthropoden, en (-) dat gehandeld is in strijd met artikel 5, tweede lid, Bmw en artikel 3 van de Richtlijn van 15 juli 1991, PbEg 1991 L 230, van de raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (hierna: Gewasbeschermingsmiddelen richtlijn), omdat geen rekening is gehouden met beginselen van geïntegreerde bestrijding.

Bij bestreden besluit III heeft verweerder rekening gehouden met de kritiek van de Adviescommissie voor de bezwaren CTB op primair besluit III, inhoudende dat verweerder niet alle relevante aspecten van de beoordeling afdoende heeft toegelicht en dat in de motivering van het besluit regelmatig wordt uitgegaan van aannames en veronderstellingen die niet nader worden onderbouwd en waaraan geen onderzoeksgegevens ten grondslag liggen. Genoemde commissie heeft in verband hiermede geadviseerd in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de bezwaren hetzij beter te motiveren dat geen sprake is van gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de toepasser en omwonenden, noch van onaanvaardbare effecten voor het milieu, hetzij primair besluit III (gedeeltelijk) te herroepen.

1.15 Op 15 augustus 2003 heeft het College van appellanten sub 1, 2 en 3 een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen bestreden besluit III, voor zover dit de ongegrondverklaring van hun evenvermelde bezwaren betrof. Bij schrijven van 30 september 2003 hebben deze appellanten de gronden van hun beroep aangevuld.

De in beroep aangevoerde grieven van deze appellanten stemmen overeen met de bezwaren die zij tegen primair besluit III hadden ingebracht.

Onder dagtekening 5 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend met betrekking tot het beroep van appellanten sub 1, 2 en 3 tegen bestreden besluit III.

1.16 Het College heeft op 25 augustus 2003 van appellanten sub 4 en 5 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen de handhaving van de toelatingen bij bestreden besluit III.

Bij schrijven van 10 oktober 2003 hebben deze appellanten de gronden van hun beroep uiteengezet.

Wat de aspecten van de gezondheid van de mens (toepasser en omwonenden) en het milieu betreft, hebben deze appellanten in hun aanvullend beroepschrift verwezen naar hun eerder tegen primair besluit III aangevoerde bezwaren. Voorts hebben zij nader uiteengezet dat de in geding zijnde toelating strijdig is met artikel 5, tweede lid, Bmw en artikel 3 van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn.

Naar aanleiding van het beroep van appellanten sub 4 en 5 heeft verweerder onder dagtekening 16 januari 2004 een verweerschrift ingediend.

1.17 Aan de gedingen inzake de beroepen van appellanten sub 1, 2 en 3 tegen bestreden besluit I en bestreden besluit II, hebben tevens appellanten sub 4 en 5 als - belanghebbende - partij deelgenomen.

Laatstgenoemde appellanten hebben voorts als partij deelgenomen aan het geding inzake het beroep van appellanten sub 1, 2 en 3 tegen bestreden besluit III, terwijl aan het geding inzake het beroep tegen dit besluit van appellanten sub 4 en 5, als partij is deelgenomen door appellanten sub 1, 2 en 3.

Op 16 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de zaken gevoegd zijn behandeld en partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Tevens is namens appellante sub 1 verschenen B, werkzaam bij deze appellante.

1.18 Bij uitspraak van 28 oktober 2004 (<www.rechtspraak.nl>, LJN: AR4777)is het College ingegaan op de onderlinge samenhang tussen de in deze gedingen aan de orde zijnde besluiten en de daaruit voortspruitende kwesties, en heeft het College naar aanleiding van de door verweerder opgeworpen vraag of, gezien het alsnog toelaten van de bestrijdingsmiddelen bij primair besluit III, appellanten sub 1, 2 en 3 nog belang hebben bij behandeling van hun beroep tegen bestreden besluit II, beslist dat zodanig belang aanwezig moet worden geacht.

Het College heeft inzake voormelde samenhang en evengenoemd belang het volgende overwogen:

"2.1 (…) Bij primair besluit III, gehandhaafd bij bestreden besluit III (…), heeft verweerder bestreden besluit I (…) en primair besluit II (…) herroepen.

Naar van de zijde van verweerder ter zitting van het College is verklaard, heeft verweerder met deze herroepingen niet beoogd kenbaar te maken dat bestreden besluit I en primair besluit II ten onrechte zijn genomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bestreden besluit I tot beëindiging van de toelatingen per 1 juli 2000, en primair besluit II , waarbij is geweigerd de toelating van de bestrijdingsmiddelen te verlengen, rechtens juist zijn.

Van de zijde van verweerder is ter zitting van het College naar voren gebracht dat tot herroeping van bestreden besluit I is overgegaan, omdat de toelatinghouders een beslissing wensten in verband met door hen op 21 juni 2002 ingediende gegevens. Op dit tijdstip lagen echter geen aanvragen voor, op grond waarvan toelating kon plaatsvinden. Omdat uit artikel 4 Bmw volgt dat toelating van een bestrijdingsmiddel alleen op basis van een aanvraag kan plaatsvinden en de toelatinghouders te kennen hadden gegeven geen toestemming te verlenen voor conversie van de verlengingsaanvragen (voor welk een conversie, naar verweerder op grond van rechtspraak van het College meent, hun instemming nodig zou zijn) heeft verweerder, naar hij stelt, uit praktische overwegingen bestreden besluit I herroepen. Aldus lagen, naar de mening van verweerder, aanvragen voor, waarop kon worden beslist. Het is echter niet de bedoeling geweest de bestrijdingsmiddelen overeenkomstig de wens van de toelatinghouders - met terugwerkende kracht vanaf de expiratiedatum toe te laten. Dit blijkt - aldus verweerder - uit primair besluit III, waarin is vermeld dat de bestrijdingsmiddelen met onmiddellijke ingang, dat wil zeggen per 2 augustus 2002, worden toegelaten.

Verweerder heeft in verband met het alsnog toelaten van de bestrijdingsmiddelen bij primair besluit III de vraag aan de orde gesteld of appellanten sub 1, 2 en 3 nog belang hebben bij behandeling van hun beroep tegen bestreden besluit II, nu aan de grieven tegen het niet toelaten van de bestrijdingsmiddelen, door het later alsnog verlenen van toelating gedeeltelijk is tegemoet gekomen.

Het College komt tot een bevestigende beantwoording van evenomschreven vraag, daarbij in aanmerking nemend dat van de zijde van appellanten sub 1, 2 en 3 naar voren is gebracht dat hun als gevolg van de besluiten inzake respectievelijk het niet (verder) verlengen van toelatingen en het weigeren toelatingen te verlenen, de mogelijkheid is ontnomen, onderscheidenlijk onthouden de onderhavige bestrijdingsmiddelen in de periode voor 2 augustus 2002 op de markt te brengen, en dat zij daardoor schade hebben geleden.

Het College acht in hetgeen deze appellanten ter zake hebben gesteld, voldoende grond gelegen voor het oordeel dat zij belang hebben bij een rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van bestreden besluit II."

Het College is in voormelde uitspraak niet nader ingegaan op de rechtsgevolgen van eerdervermelde herroepingen, noch op de vraag of in verband daarmede een toereikende basis aanwezig kan worden geacht voor het verlenen van toelatingen waartoe bij primair besluit III is beslist.

In genoemde uitspraak is voorts vastgesteld dat voor verweerder een zwaarwegende grond voor zijn afwijzende besluiten inzake (verdere verlenging van) toelating is gelegen in de door hem aanwezig geachte nalatigheid van de betrokken toelatinghouders om tijdig de gegevens te verstrekken die voor de besluitvorming waren vereist. Het betreft, naar verweerder heeft gesteld, gegevens die betrekking hebben op de gezondheid van de mens en op het milieu.

Hieromtrent heeft het College als volgt overwogen:

"2.2.1 Met betrekking tot de gegevens betreffende het milieu, overweegt het College dat verweerder bij primair besluit I, bestreden besluit I, primair besluit II en bestreden besluit II is uitgegaan van eisen die zouden gelden op grond van het (op 1 februari 1995 in werking getreden) Bmb. In dit verband is gesproken van milieucriteria inzake persistentie en uitspoeling en een adequate risico-evaluatie (…). Bij eerdervermelde toelatingsbesluiten van 22 maart 2002 (…) is in aanmerking genomen dat de eerdere afwijzingen die waren gebaseerd op het ontbreken van een adequate risico-evaluatie, ten onrechte op deze grond hebben plaatsgevonden aangezien bestrijdingsmiddelen op basis van metamnatrium, ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, Bmb niet vallen onder de werking van het Bmb.

Nadien heeft verweerder(…) bij primair besluit III de onderhavige bestrijdingsmiddelen op grond van een inhoudelijke beoordeling van de effecten voor het milieu, met onmiddellijke ingang toegelaten. Zulks in het kader van een toetsing aan de open norm van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, ten tiende, Bmw inzake het effect van het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingproducten voor het milieu. Bij deze risicobeoordeling inzake milieu-aspecten is getoetst aan gangbare normen daaromtrent in de bestrijdingsmiddelenregelgeving, en is tevens gelet op het bepaalde in het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen aangaande de toepassingsfrequentie.

Het College is, in aanmerking nemend dat verweerder in zijn uitingen jegens toelatinghouders inzake het leveren van gegevens omtrent milieu-effecten, in de periode vóór 22 maart 2002, ten onrechte is uitgegaan van eisen die zouden gelden op grond van het Bmb, van oordeel dat in een dergelijke situatie het door verweerder vermeende niet tijdig leveren van bedoelde gegevens niet in redelijkheid aan toelatinghouders kan worden tegengeworpen. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat verweerder na te hebben vastgesteld dat middelen op basis van metamnatrium, niet vallen onder de werking van het Bmb, bij eerdergenoemde besluiten van 22 maart 2002 de onderhavige bestrijdingsmiddelen zonder beoordeling van de risico's voor het milieu met onmiddellijke ingang heeft toegelaten, en zich pas naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College d.d. 21 juni 2002 heeft beraden omtrent toe te passen milieucriteria. Vervolgens heeft verweerder bij primair besluit III op grond van de beschikbare, door de toelatinghouders geleverde, gegevens geoordeeld dat geen sprake is van voor het milieu onaanvaardbare effecten.

2.2.2 Met betrekking tot de levering van gegevens inzake gezondheidsrisico's voor de mens overweegt het College het volgende.

Bij de beantwoording van de vraag of de toelatinghouders - zoals verweerder meent in gebreke zijn gebleven met het leveren van evenbedoelde gegevens, dient in de eerste plaats te worden gelet op het bepaalde in de, op 1 maart 1995 in werking getreden, Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (hierna: Rtb). Deze, op grond van de Bmw gegeven, algemeen verbindende ministeriële regeling behelst een volledig regime met betrekking tot - onder meer - de wijze van indiening van aanvragen om (verlenging) van toelating, de daarbij te verstrekken gegevens, het buiten verdere behandeling stellen van een aanvraag indien niet wordt voldaan aan bepaalde vereisten, en de mogelijkheid een aanvraag tijdens de behandeling op beperkte schaal te wijzigen. Op grond van het bepaalde bij de Rtb moet worden aangenomen dat de regelgever de beoordeling van een aanvraag heeft willen binden aan de gegevens die in de aanvraagprocedure binnen de daarvoor geldende termijn zijn verstrekt.

Met betrekking tot de gegevens die beschikbaar zijn op grond van de door verweerder verstrekte stukken, moet worden opgemerkt dat in de hiervoor genoemde besluiten van 25 november 1994 en 21 februari 1997 (…) slechts sprake is van milieucriteria waaraan zou moeten worden getoetst. Eerst in primair besluit I d.d. 24 september 1999 (…) wordt melding gemaakt van het aspect van gezondheidsrisico's voor de mens, in welk verband begrippen als humane toxicologie, genotoxiciteit en carcinogeniteit worden genoemd.

Weliswaar is van de zijde van verweerder gesteld dat de toelatinghouders al sinds 1994 op de hoogte waren van de noodzaak van het verstrekken van gegevens aangaande het aspect "blootstelling toepasser" doch de overgelegde stukken bevatten onvoldoende grond voor de gevolgtrekking dat de toelatinghouders in verband met hetgeen hun van de zijde van verweerder was medegedeeld omtrent het leveren van gegevens over gezondheidsrisico's, in gebreke zijn gebleven met deze gegevensverstrekking.

In dit verband is tevens van belang de (…) passage van de besluiten d.d. 28 juli 2000, inhoudende dat met zekerheid vaststaat dat de toelatinghouders niet eerder dan bij schrijven van 29 juli 1999 op de hoogte zijn gebracht van de nog te leveren gegevens. Appellanten hebben dit van verweerder afkomstige schrijven gevoegd bij hun aanvullend beroepschrift tegen bestreden besluit I ter adstructie van hun beroep.

Het ter zitting namens verweerder gestelde dat de toelatinghouders sedert 29 juli 1999 op de hoogte waren van vragen die nog beantwoord moesten worden voor de beoordeling van de risico's voor de mens, kan naar het oordeel van het College niet dienen als grond voor de in bestreden besluit I vervatte conclusie (…) luidende dat geen besluit tot procedurele verlenging had mogen worden genomen aangezien de omstandigheid dat de beoordeling op 1 september 1999 niet was afgerond, aan de aanvragers is te wijten.

Het College wijst erop dat appellanten sub 1, 2 en 3 in voormeld aanvullend beroepschrift tegen bestreden besluit I uitvoerig zijn ingegaan op de gang van zaken die is voorafgegaan aan bestreden besluit I. Daarbij hebben deze appellanten, ter onderbouwing van hun stelling dat in verband met het bepaalde in de Rtb niet kan worden staande gehouden dat zij in gebreke zijn geweest met het leveren van gegevens, bescheiden overgelegd betreffende correspondentie met verweerder.

Geconstateerd moet worden dat bestreden besluit I geen motivering bevat voor de hiervoor weergegeven conclusie, alsmede dat in het stuk dat verweerder heeft ingediend als verweerschrift naar aanleiding van het beroep tegen bestreden besluit I (zijnde een verweerschrift d.d. 11 juli 2001, dat was ingediend in verband met het verzoek om voorlopige voorziening van appellanten sub 1, 2 en 3 inzake bestreden besluit I) niet is ingegaan op de argumenten die genoemde appellanten bij voormeld aanvullend beroepschrift naar voren hebben gebracht tegen bestreden besluit I.

Naar het oordeel van het College bevatten het aan bestreden besluit I ten grondslag liggende advies d.d. 30 mei 2000 van de Adviescommissie voor de bezwaren CTB, noch hetgeen namens verweerder ter zitting van het College is gesteld, een adequate weerlegging van het gestelde in het aanvullend beroepschrift van 6 juli 2000.

2.3 Het vorenoverwogene in aanmerking nemend, acht het College het met het oog op een juiste en volledige beoordeling van de onderhavige beroepen geboden dat verweerder de gelegenheid krijgt nader in te gaan op hetgeen appellanten sub 1, 2 en 3 in genoemd aanvullend beroepschrift hebben aangevoerd tegen verweerders conclusie dat de omstandigheid dat de beoordeling op 1 september 1999 niet was afgerond, aan aanvragers is te wijten.

Een dergelijke reactie zal, zoals uit het voorafgaande volgt, betrekking dienen te hebben op de gegevensverstrekking door de aanvragers / toelatinghouders aangaande gezondheidsrisico's die zijn verbonden aan het gebruik van de onderhavige bestrijdingsmiddelen. Voorts zal daarbij dienen te worden ingegaan op het verband tussen voorschriften van de Rtb en nalatigheid op het punt van verstrekking van evenbedoelde gegevens."

Het College is op grond van voormelde overwegingen bij zijn uitspraak van 28 oktober 2004 tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en daarom heropend dient te worden. Dit heeft geleid tot de beslissing waarbij:

- met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek is heropend;

- verweerder in de gelegenheid is gesteld binnen zes weken na dagtekening van die uitspraak een reactie te geven, als in § 2.3 van de uitspraak vermeld;

- iedere verdere beslissing is aangehouden, behoudens (-) hetgeen in § 2.1 is bepaald omtrent de ontvankelijkheid van de beroepen van appellanten sub 1, 2 en 3 tegen bestreden besluit II en (-) hetgeen in § 2.2.1 is bepaald omtrent het leveren van gegevens met betrekking tot milieu-effecten van de onderhavige bestrijdingsmiddelen.

1.19 Bij brief van 13 december heeft verweerder een reactie als evenbedoeld ingediend onder overlegging van een aantal bijlagen.

Bij brief van 14 december 2004 heeft verweerder ten aanzien van de bijlagen genummerd 1, 2, 3, en 4, met een beroep op artikel 8:29 Awb verzocht deze bijlagen niet zonder toestemming van de toelatinghouders aan derden, zoals appellanten 4 en 5 ter hand te stellen.

Bij beslissing van 21 januari 2005 heeft het College bepaald dat beperking van de kennisneming, zoals door verweerder gevraagd, gerechtvaardigd is.

Van de zijde van appellanten sub 1, 2 en3 is bij brief van 25 februari 2005 een reactie gegeven op het gestelde in eerdervermelde brief van verweerder van 13 december 2004. Appellanten hebben voorts in hun brief te kennen gegeven dat zij ermee instemmen dat het College zijn uitspraak mede baseert op de stukken waarvan beperking van de kennisgeving gerechtvaardigd is geoordeeld.

1.20 Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 19 september 2006. Partijen hebben daar bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Tevens is verschenen A, werkzaam bij appellante sub 1.

2. De beoordeling

2.1 Het College zal in verband met de onderlinge samenhang tussen de onderscheiden besluiten en de daartegen gerichte beroepen achtereenvolgens ingaan op:

- de beroepen van respectievelijk appellanten sub 1, 2 en 3 en appellanten sub 4 en 5 tegen

bestreden besluit III, strekkende tot handhaving van de toelating van de onderhavige

bestrijdingsmiddelen met onmiddellijke ingang en geldend tot 1 augustus 2007;

- de beroepen van appellanten sub 1, 2 en 3 tegen bestreden besluit I;

- de beroepen van deze appellanten tegen bestreden besluit II.

Teneinde de kwesties die partijen verdeeld houden, tot een oplossing te brengen acht het College het, met oog op een definitieve geschillenbeslechting in deze reeds lang lopende procedures, niet opportuun nader in te gaan op de herroeping bij primair besluit III van bestreden besluit I en primair besluit II en de mogelijk uit een beoordeling daarvan voortvloeiende consequenties.

2.2 Met betrekking tot de vraag of de bij primair besluit III verleende en bij bestreden besluit III gehandhaafde toelatingen in rechte stand kunnen houden, wordt het volgende overwogen.

2.2.1 De door appellanten sub 1, 2, en 3 tegen dit besluit naar voren gebrachte grieven houden

- samengevat weergegeven - in, dat verweerder de toelating ten onrechte heeft doen ingaan op de datum van primair besluit III, te weten 2 augustus 2002, en niet met terugwerkende kracht per datum van de door hen onrechtmatig geachte beëindiging van de toelatingen bij bestreden besluit I, zijnde 1 juli 2000.

Hieromtrent wordt overwogen dat uit het stelsel van voorschriften van de Bmw volgt dat een (verlenging van een) toelating in beginsel slechts werkt vanaf het tijdstip waarop het desbetreffende besluit is gegeven. Het verbinden van terugwerkende kracht is niet uitgesloten, doch daarvoor is in principe alleen plaats, indien het achterwege laten daarvan zouden leiden tot een, gelet op het doel en de strekking van deze wet, kennelijk onredelijke uitkomst. Een zodanige situatie doet zich niet voor ten aanzien van appellanten sub 1, 2 en 3. Ter zake van de oordeelsvorming hieromtrent wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen hierna in § 2.4 wordt overwogen.

Voormelde grieven treffen derhalve geen doel.

2.2.2 Met betrekking tot de door appellanten sub 4 en 5 tegen de in geding zijnde toelatingen aangevoerde bezwaren (als hiervoor weergegeven in § 1.14) constateert het College dat verweerder mede naar aanleiding van kritiek van de Adviescommissie voor de bezwaren CTB op de motivering van primair besluit III, in de overwegingen bij bestreden besluit III uitvoerig is ingegaan op de gemotiveerde bezwaren van appellanten sub 4 en 5, en daarbij aandacht heeft besteed aan gezondheidsrisico's voor toepassers en omwonenden (in welk verband aspecten als genotoxiciteit, carcinogeniteit, reproductietoxiciteit en teratogeniteit zijn behandeld) alsmede aan effecten op het milieu (waarbij het risico voor bodemorganismen als regenwormen, microbodemorganismen en niet-doelwitarthropoden aan de orde is gesteld). Appellanten sub 4 en 5 hebben in hun aanvullend beroepschrift van 10 oktober 2003 onder verwijzing naar het gestelde in hun bezwaarschrift tegen primair besluit III, volstaan met de mededeling dat opvalt dat de schade aan bodemleven aanvankelijk de belangrijkste reden was om toelating te weigeren, doch dat thans op basis van veronderstellingen alsnog wordt geconcludeerd dat voldoende herstel optreedt. Aangezien het hier om veronderstellingen gaat, is - aldus appellanten - niet voldaan aan de wettelijke eis dat is vastgesteld dat geen voor het milieu onaanvaardbaar effect optreedt.

In het verweerschrift dat naar aanleiding van het beroep van appellanten sub 4 en 5 tegen bestreden besluit III is ingediend, is - wederom - uitvoerig ingegaan op mogelijke gezondheidsrisico's van het gebruik van metamnatriumhoudende bestrijdingsmiddelen voor toepassers en omwonenden, en op de gevolgen van dit gebruik voor het milieu.

Aangaande de gezondheidsrisico's heeft verweerder uiteengezet dat ingevolge het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen de onderhavige bestrijdingsmiddelen thans eens in de vijf jaar mogen worden toegepast en op voorgeschreven wijze in verdunde vorm in de grond moeten worden geïnjecteerd. Daarbij wordt het middel in de grond omgezet in het gasvormige omzettingsproduct MITC, dat zeer vluchtig is, waardoor blootstelling gering zal zijn. Zowel metamnatrium als MITC hebben een relatief korte omzettingstijd;

de halfwaardetijd van metamnatrium bedraagt minder dan een dag, die van MITC vier tot acht dagen.

Verweerder heeft nader uiteengezet dat op basis van bevindingen van als adequaat aan te merken onderzoekingen (waaromtrent nadere bijzonderheden zijn vermeld) uit een oogpunt van genotoxiciteit, carcinogeniteit, reproductietoxiciteit of teratogeniteit geen gevaar of schade voor de gezondheid van degene die het middel toepast, of voor omwonenden te duchten is. Derhalve acht verweerder geen grond aanwezig voor weigering van de toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen in verband met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, onder a, ten derde, ten vijfde en ten zesde, Bmw.

Wat het beoordelingskader voor de milieu-effecten betreft, heeft verweerder aansluiting gezocht bij de normen van het Bmb. In dit besluit zijn de uniforme beginselen uit de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn geïmplementeerd. Het besluit bevat - aldus verweerder - de regels, beginselen en normen waarvan op Europees en nationaal niveau wordt verondersteld dat zij de stand van de wetenschappelijke en technische kennis weergeven, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een bestrijdingsmiddel voldoet aan de milieucriteria voor toelating.

Omtrent de milieu-effecten van het gebruik van de onderhavige bestrijdingsmiddelen heeft verweerder onder meer het volgende gesteld.

Niet valt uit te sluiten dat in geval van gebruik een tijdelijke reductie van regenwormpopulaties optreedt. Echter, van onaanvaardbare schade aan regenwormen is geen sprake. Op grond van een veldstudie kan worden geconcludeerd dat na een jaar geen effect van metamnatrium meer aantoonbaar is op de bodemademhaling en de stikstofomzetting in de bodem. De geleverde veldstudie bevat voldoende gegevens om het effect op bodemmicrobiële processen onder veldomstandigheden te kunnen evalueren. Gezien deze gegevens kan naar de mening van verweerder niet worden staande gehouden dat het gebruik van de onderhavige bestrijdingsmiddelen onaanvaardbare effecten heeft op microbodemorganismen.

Met betrekking tot de effecten op niet-doelwitarthropoden heeft verweerder gesteld dat bij de beoordeling is gekeken naar zowel het risico binnen het gewas als het risico buiten het gewas. Bij gebruik door middel van injectie in de bodem zou indirecte blootstelling van niet-doelwitarthropoden buiten het gewas kunnen plaatsvinden, doch er is geen gevalideerde methode voorhanden voor het geven van een schatting inzake zodanige blootstelling.

Voor blootstelling binnen het gewas is van belang dat in verband met de afbreekbaarheid van metamnatrium en MITC herstel mogelijk is en rekolonisatie kan plaatsvinden vanuit gebieden buiten het gewas. Derhalve wordt naar de mening van verweerder voldaan aan de norm die in de uniforme beginselen is opgenomen met betrekking tot niet-doelwitarthropoden.

Op de zittingen van 16 september 2004 en 19 september 2006 zijn van de zijde van appellanten sub 4 en 5 bezwaren met betrekking tot gezondheidsrisico's en milieu-effecten van het gebruik van de onderhavige bestrijdingsmiddelen aangevoerd. Hetgeen ter zake is gesteld, betreft een weergave en een herhaling van de bezwaren die deze appellanten tegen primair besluit III naar voren hadden gebracht.

Het College oordeelt naar aanleiding van het voorafgaande dat niet kan worden staande gehouden dat verweerder bij de beoordeling van de milieu-effecten van het gebruik van de onderhavige bestrijdingsmiddelen een onjuist toetsingskader dan wel onjuiste toetsingsmaatstaven heeft gehanteerd.

Voorts acht het College in hetgeen appellanten sub 4 en 5 omtrent de milieu-effecten van dit gebruik naar voren hebben gebracht, onvoldoende aanknopingspunten gelegen voor de opvatting dat verweerder, in aanmerking genomen hetgeen zijnerzijds uitvoerig is uiteengezet in bestreden besluit III, het verweerschrift naar aanleiding van het beroep tegen dit besluit, alsmede ter zitting van 16 september 2004, onjuiste onderzoeksmethoden dan wel onjuiste beoordelingen van onderzoeksgegevens heeft toegepast.

2.2.3 Appellanten sub 4 en 5 hebben voorts betoogd dat bij het verlenen van de onderhavige toelatingen is gehandeld in strijd met artikel 5, tweede lid, Bmw en artikel 3, derde lid, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, aangezien geen rekening is gehouden met beginselen van geïntegreerde bestrijding. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de onderhavige middelen niet passen in een schema van geïntegreerde bestrijding, en dat gebruik daarvan in verband met de beschikbaarheid van alternatieven niet noodzakelijk is.

In eerstgenoemd artikellid is bepaald dat bij de toelating van een bestrijdingsmiddel, waar mogelijk, voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de beginselen van de geïntegreerde bestrijding.

Artikel 3, derde lid, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn houdt het volgende in:

"De Lid-Staten bepalen dat gewasbeschermingsmiddelen op juiste wijze moeten worden gebruikt. Een juist gebruik houdt in dat (…) de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken alsmede, waar mogelijk, de beginselen van geïntegreerde bestrijding worden toegepast."

Het College overweegt dat de Bmw geen voorschrift bevat op grond waarvan de toelating van een bestrijdingsmiddel kan worden geweigerd in verband met beginselen van geïntegreerde bestrijding. Hetzelfde geldt voor de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn.

In eerdergenoemd voorschrift van deze richtlijn wordt het aan de lidstaten overgelaten in het kader van het juiste gebruik van bestrijdingsmiddelen te reguleren dat, waar mogelijk, de beginselen van geïntegreerde bestrijding worden toegepast.

In Nederland heeft zodanige regulering plaatsgevonden bij het, op 1 januari 2005 in werking getreden, Besluit beginselen geïntegreerde gewasbescherming. Artikel 4 van dit besluit houdt onder meer in, dat de teler die gewasbeschermingsmiddelen voorhanden of in voorraad heeft, voldoet aan ministeriële voorschriften met betrekking tot goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding.

Uit het voorafgaande volgt dat de grief van appellanten inzake schending van artikel 5, tweede lid, Bmw en artikel 3, derde lid, van de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn, faalt.

Het College komt op grond van het vorenoverwogene tot een bevestigend antwoord op de hiervoor in § 2.2 gestelde vraag.

2.3 Inzake bestreden besluit I wordt overwogen dat dit berust op de grond dat geen besluit tot procedurele verlenging had mogen worden genomen, aangezien de omstandigheid dat de beoordeling op 1 september 1999 niet was afgerond, aan de aanvragers is te wijten. Naar op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van 16 september 2004 moet worden aangenomen, heeft verweerder hierbij het oog gehad op door de aanvragers te verstrekken gegevens inzake effecten voor het milieu en gezondheidsrisico's voor de mens. Appellanten sub 1, 2, en 3 hebben deze opvatting van verweerder gemotiveerd betwist bij hun beroep tegen bestreden besluit I.

Hetgeen ter zitting van het College van 16 september 2004 over en weer is aangevoerd, heeft het College aanleiding gegeven het onderzoek te heropenen en verweerder in de gelegenheid te stellen nader in te gaan op evenbedoelde stellingen van appellanten.

Het College merkt op dat, waar bestreden besluit I aan de orde is, het uitsluitend gaat om gegevens inzake gezondheidsrisico's voor de mens. Immers, in § 2.2.1 van eerdergenoemde uitspraak van 28 oktober 2004 heeft het College geoordeeld dat onder de gegeven omstandigheden het door verweerder vermeende niet tijdig leveren van gegevens inzake milieu-effecten niet in redelijkheid aan toelatinghouders kan worden tegengeworpen.

Verweerder heeft in de in § 1.19 genoemde reactie naar aanleiding van de uitspraak van 28 oktober 2004 een uiteenzetting gegeven over de verstrekking van gegevens inzake gezondheidsrisico's voor de mens en correspondentie die daaromtrent tussen toelatinghouders en verweerder is gevoerd. Hierbij gaat het vooral om gebeurtenissen die zich na primair besluit I hebben afgespeeld.

Het College merkt op, dat hetgeen verweerder in dat verband te kennen heeft gegeven en geconcludeerd (wat erop neerkomt dat toelatinghouders in de periode, beginnend met het nemen van primair besluit I en eindigend omstreeks eind april 2000, in verzuim waren met het leveren van de benodigde gegevens) een wezenlijk andere motivering inhoudt dan vorenomschreven, in bestreden besluit I vervatte, redengeving. Die redengeving moet reeds als onjuist van de hand worden gewezen, omdat verweerder in de besluiten van 28 juli 2000 (hiervoor vermeld in § 1.9) heeft gesteld dat met zekerheid vaststaat dat de toelatinghouders niet eerder dan bij schrijven van 29 juli 1999 (hiervoor vermeld in § 1.4) op de hoogte zijn gebracht van nog te leveren gegevens. Hierbij ging het om gegevens inzake humane toxicologie. Gezien deze opmerking van verweerder kan niet - zoals verweerder in ander verband heeft betoogd - worden staande gehouden dat toelatinghouders op 1 september 1999 dusdanig in verzuim waren met het leveren van bedoelde gegevens, dat geen procedurele verlenging had mogen plaatsvinden.

Naar aanleiding van hetgeen verweerder omtrent de gebeurtenissen inzake het verstrekken van gegevens in genoemde periode na primair besluit I heeft opgemerkt in zijn brief van 13 december 2004 (naar moet worden aangenomen ter nadere motivering van de beëindiging van de toelatingen per 1 juli 2000) overweegt het College het volgende.

Blijkens de hiervoor in § 1.6 vermelde stukken heeft in genoemde periode overleg en discussie plaatsgevonden tussen verweerder en toelatinghouders over de relevantie van geleverde gegevens en de vraag welk gegevens moesten worden verstrekt.

Niet gebleken is dat verweerder, voordat hij toelatinghouders bij brief van 27 april 2000 in kennis stelde van zijn voornemen de toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen te beëindigen wegens niet voldoen aan de vereisten van artikel 3 Bmw, toelatinghouders onder het in het vooruitzicht stellen van zulk een beëindiging, heeft gemaand de door hem noodzakelijk geachte gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. Ook indien zich een overschrijding van een in de Rtb gestelde termijn zou hebben voorgedaan, dan nog had verweerder, ondanks het belang van een strikte hantering van de voorschriften van deze regeling, gelet op de zich in de onderhavige gevallen voordoende omstandigheden, waarbij sprake was van langdurige procedures en een somtijds weinig heldere situatie met betrekking tot verstrekking van gegevens, voorafgaande aan beëindiging van de toelatingen een duidelijke waarschuwing dienen te geven in evenbedoelde zin en daarbij een onder de gegeven omstandigheden redelijk te achten termijn dienen te stellen voor verstrekking van gegevens.

Naar het oordeel van het College is genoemde brief van 27 april 2000, waarin de beëindiging van de toelating onder verwijzing naar wettelijke afwijzingsgronden wordt aangekondigd, niet als een zodanige waarschuwing aan te merken.

In verband met het voorafgaande moet worden geoordeeld dat het gestelde in verweerders brief van 13 december 2004 geen rechtvaardiging kan opleveren voor het beëindigen van de toelatingen waartoe bestreden besluit I strekt.

Anders dan verweerder meent, kan zulk een rechtvaardiging evenmin worden gevonden in de uitspraak van de president van het College d.d. 16 februari 2001 (AWB 00/936; <www.rechtspraak.nl>, LJN: AB0251) inzake een verzoek om voorlopige voorziening betreffende de toelating van bestrijdingsmiddelen op basis van de werkzame stof chloorthalonil. In die uitspraak is onder meer overwogen dat het specifieke karakter van het instituut van de procedurele verlenging naar zijn aard slechts een termijn geeft met het oog op het verkrijgen van inzicht in de vraag of nog steeds aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan. Aangezien in dat geval moest worden aangenomen dat ter zake van de relevante toepassingen van de desbetreffende bestrijdingsmiddelen niet werd voldaan aan bij en krachtens de artikelen 3 en 3a Bmw gestelde criteria, oordeelde de president dat niet valt in te zien dat een noodzaak tot verder onderzoek en dus tot verlenging zou bestaan.

Echter, een situatie als in genoemde uitspraak aan de orde, doet zich in de onderhavige zaken niet voor. Immers, zoals uit het voorafgaande blijkt, bevonden verweerder en toelatinghouders zich in een procedure van gegevensverstrekking waarbij het voldoen aan de wettelijke criteria voor (verlenging van) toelating voor mogelijk moest worden gehouden. Uiteindelijk is verweerder bij (nadien ingetrokken) besluiten van 22 maart 2002 en bij primair besluit III tot toelating van de middelen overgegaan.

Het College is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat, indien de verlengingsprocedure naar behoren was voortgezet, de toelatingen hadden kunnen worden verlengd op overeenkomstige wijze als bij primair besluit III is geschied, zulks mede in aanmerking genomen dat met hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht het tegendeel niet is aangetoond.

In verband met het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat verweerder ten onrechte, onder gegrondverklaring van de bezwaren van appellanten sub 4 en 5 tegen de procedurele verlenging van de onderhavige bestrijdingsmiddelen, is overgegaan tot beëindiging van de toelating van deze middelen bij bestreden besluit I. Derhalve kan dit besluit niet in stand blijven.

2.4 Bij primair besluit II waarbij (zoals hiervoor in § 1.10 is vermeld) afwijzend is beslist op in 1998 gedane aanvragen om verlenging van toelating, is - zoals in de overwegingen van dit besluit vermeld - de beoordeling van gezondheidsrisico's en van milieu-effecten mede uitgevoerd aan de hand van de eerder in § 1.4 en § 1.6 vermelde brieven en daarbij overgelegde rapporten d.dis 10 augustus 1999, 20 augustus 1999, 22 november 1999, 8 maart 2000 en 29 maart 2000. Voorts zijn op 24 november 2000 studies geleverd met betrekking tot dermale absorptie, welke verweerder wegens tijdgebrek niet heeft kunnen betrekken bij zijn oordeelsvorming. Bij bestreden besluit II (zie § 1.11) heeft verweerder de aanvragen om verlenging aangemerkt als aanvragen om nieuwe toelatingen en daarop, op overeenkomstige wijze als bij primair besluit II, afwijzend beslist.

Het College komt in verband met zijn eerder in de voorlaatste alinea van § 2.3 gegeven oordeel omtrent voortzetting van de verlengingsprocedure, tot de slotsom dat ook de op voormelde gronden gegeven weigering van (verlenging van) toelating van de onderhavige bestrijdingsmiddelen niet in rechte stand kan houden.

Het College acht het geraden naast vernietiging van bestreden besluit II te beslissen tot herroeping van primair besluit II.

2.5 Recapitulerend wordt naar aanleiding van het voorafgaande gesteld dat (-) de beroepen van onderscheidenlijk appellanten sub 1, 2 en 3 en appellanten sub 4 en 5 tegen bestreden besluit III ongegrond moeten worden verklaard, (-) bestreden besluit I en bestreden besluit II in aanmerking komen voor vernietiging, en (-) primair besluit II dient te worden herroepen.

Het College acht termen aanwezig verweerder in de zaken AWB 00/560, 00/611, 00/613, 00/615 met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten sub 1, 2 en 3. Deze kosten worden op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 966,- wat betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Dit bedrag wordt als volgt gespecificeerd: één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting van het College op 16 september 2004, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting en 0,5 punt voor het bijwonen van een nadere zitting bij het College, zulks ten bedrage van € 322,- per punt, waarbij de zaken als samenhangend als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Bpb zijn beschouwd.

Het College acht voorts termen aanwezig verweerder in de zaken AWB 01/475, 01/477, 01/479 met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten.

Deze kosten worden op voet van het Bpb vastgesteld op € 644,- wat betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

Dit bedrag wordt als volgt gespecificeerd: één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting van het College, ad € 322,- per punt, waarbij de zaken als samenhangend als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Bpb zijn beschouwd.

Voorts dient verweerder het door appellanten sub 1, 2 en 3 in de zaken AWB 00/560, 00/611, 00/613, 00/615, betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20 te vergoeden.

In de zaken AWB 01/475, 01/477, 01/479 dient verweerder eveneens het door appellanten sub 1, 2 en 3 betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20 te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart ongegrond de beroepen tegen het besluit van verweerder d.d. 11 juli 2003 (bestreden besluit III);

- vernietigt onder gegrondverklaring van de daartegen gerichte beroepen het besluit van verweerder d.d. 29 juni 2000

(bestreden besluit I) en de drie besluiten d.d. 28 juli 2000 tot wijziging van dit besluit ;

- vernietigt onder gegrondverklaring van de daartegen gerichte beroepen de besluiten van verweerder d.dis 25 mei 2001 en

22 juni 2001 (bestreden besluit II);

- herroept de drie primaire besluiten van verweerder d.d. 22 december 2000 (primair besluit II);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten sub 1, 2 en 3 tot een bedrag van € 1.610,- (zegge

eenduizendzeshonderdtien euro) te betalen door verweerder;

- bepaalt dat verweerder het door appellanten sub 1, 2 en 3 betaalde griffierecht in de zaken AWB 00/560, 00/611, 00/613 en

00/615 ten bedrage van fl. 450,- (= € 204,20 zegge tweehonderdvier euro en twintig eurocent) vergoedt;

- bepaalt dat verweerder het door appellanten sub 1, 2 en 3 betaalde griffierecht in de zaken AWB 01/475, 01/477 en 01/479

ten bedrage van fl. 450,- (= € 204,20, zegge tweehonderdenvier euro en twintig eurocent) vergoedt;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. van der Ham en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. P.M. Beishuizen