Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ1511

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
AWB 01/424 t/m 01/427 en 01/433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Anti-dumpingheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 01/424 t/m 01/427 en 01/433 18 oktober 2006

23510 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Anti-dumpingheffing

Uitspraak in de zaken van:

1. Eurotransit B.V., te Rotterdam,

2. Hüttges Transport Service Nederland B.V., te Rotterdam, appellanten,

gemachtigde: N.M.E.A. Egberts, werkzaam bij Loyens & Loeff te Rotterdam,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: J.W.J. Swinkels, werkzaam bij de belastingdienst, Douanedistrict Rotterdam.

1. Het procesverloop

In de periode van 18 juli tot en met 22 september 2000 heeft verweerder aan appellanten afzonderlijke uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s) uitgereikt.

Bij afzonderlijke besluiten van 18 mei 2001 en 30 mei 2001 (AWB 01/433) heeft verweerder de tegen de UTB’s gerichte bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brieven van 29 en 30 mei 2001, ontvangen op 30 mei 2001, respectievelijk van 31 mei 2001, ontvangen op 5 juni 2001, beroep ingesteld.

Appellanten hebben bij brief van 26 juni 2001 de gronden van hun beroepen aangevoerd.

Verweerder heeft bij brief van 11 juli 2001 met verwijzing naar bij de Tariefcommissie aanhangige procedures het College verzocht de behandeling van onderhavige beroepen aan te houden tot de Tariefcommissie uitspraak zou hebben gedaan.

Bij brief van 26 juli 2001 hebben appellanten ingestemd met aanhouding van deze beroepen tot de uitspraak van de Tariefcommissie.

Met ingang van 1 januari 2002 is de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

Bij brief van 30 maart 2005 hebben appellanten het College verzocht de behandeling van de beroepen te hervatten. Verweerder heeft bij brieven van 26 mei 2005 verweerschriften overgelegd.

De toenmalige gemachtigde van appelanten heeft het College bij brief van 20 juni 2005 bericht er van af te zien om verder op te treden als vertegenwoordiger van appellanten.

De Douanekamer heeft zich bij uitspraak van 28 februari 2006 onbevoegd verklaard om van de beroepen van appelanten tegen voornoemde besluiten van 18 en 30 mei 2001 kennis te nemen.

Op 27 juli 2006 heeft voornoemde N.M.E.A. Egberts zich als gemachtigde van appellanten gesteld.

Op 28 juli 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen het woord hebben gevoerd.

2. De beoordeling van de geschillen

Appellanten hebben in opdracht van Stute International (Benelux) B.V. (hierna: Stute), die optreedt namens Hansa Chemie AG te Duisburg (BRD) in 1998, 1999 en 2000 aangiften ten invoer gedaan voor kalium-, natrium- en ammoniumpersulfaten. Als land van oorsprong staat vermeld China. Daarbij is als taric code 2833 4000 90 opgegeven.

De douane heeft op basis van een administratieve controle geconcludeerd dat bij voornoemde aangiften sprake was natrium-, ammonium- en kaliumperoxodisulfaten, met als taric code 2833 4000 10, zodat voor deze goederen ingevolge verordening (EG) nr. 2961/95 van de Raad van 18 december 1995 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van perxodisulfaten (persulfaten) van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van het voorlopig recht (Pb. 1995 L 308, blz. 61) een anti-dumpingheffing was verschuldigd.

In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of verweerder op juiste gronden heeft geconstateerd dat bij de aangiften sprake was van goederen met taric code 2833 4000 10. Niet in geschil is dat het land van oorsprong van de ten invoer aangegeven partijen de Volksrepubliek China is.

Op grond van de beschikbare gegevens, in samenhang bezien, beantwoordt het College deze vraag bevestigend, waartoe het volgende wordt overwogen.

Blijkens een bij het verweerschrift overgelegd gedeelte van een rapport, opgesteld naar aanleiding van een missie in 2001 van de European Anti-Fraud Office naar Taiwan en Hong Kong, waren ten tijde van belang ammonium- en natriumperoxomonosulfaten niet in commerciële hoeveelheden verkrijgbaar. Kaliumpermonosulfaat werd, althans ten tijde van dit rapport, uitsluitend geproduceerd in de USA en de BRD en niet in de Volksrepubliek China. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde van appellanten in reactie op dit rapport gesteld van Hansa Chemie A.G., de opdrachtgever van Stute, te hebben vernomen dat de in het rapport getrokken conclusie inzake de beschikbaarheid van genoemde stoffen onjuist zou zijn. Hij heeft deze stelling evenwel op geen enkele wijze gemotiveerd, zodat het College de stelling dat het rapport op dit punt onjuist zou zijn verwerpt. Het dient er dan ook voor te worden gehouden dat, gezien de door verweerder overgelegde informatie, de aangegeven goederen geen peroxomonosulfaten van oorsprong uit China kúnnen zijn geweest.

Daarnaast is op een aantal van de in geding zijnde aangiften UN codes en scheikundige formules aangetroffen waaruit blijkt dat deze aangiften peroxodisulfaten betreffen.

Ter zitting is namens appellanten gesteld dat verweerder tijdens de administratieve controle de op dat moment nog beschikbare goederen had moeten bemonsteren. Het College heeft echter niet kunnen vaststellen dat appellanten ooit een daartoe strekkend verzoek hebben ingediend. Daarenboven heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat bemonstering ten tijde van de administratieve controle op 5 juli 2000 niet zinvol was, omdat niet meer kon worden vastgesteld of de te bemonsteren partijen ook de aangegeven goederen betrof. Uit een door appellanten verrichte bemonstering en analyse blijkt bovendien dat dit monster perodisulfaten betreft.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. R. Meijer