Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ1510

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
AWB 06/20 t/m 06/29
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verbeurdverklaring/invordering

Zekerheid/waarborg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/20 t/m 06/29 18 oktober 2006

7610 Verbeurdverklaring/invordering

Zekerheid/waarborg

Uitspraak in de zaken van:

1. Aereg B.V.,

2. Iereg B.V.,

3. Bereg B.V.,

4. Cereg B.V.,

5. Dereg B.V.,

6. Eereg B.V.,

7. Ereg Holding B.V.,

8. Fereg B.V.,

9. Gereg B.V.,

10. Hereg B.V., alle te Bladel, appellanten,

gemachtigde: F.C.G.M. van Stipdonk, directeur van Interfood Holding B.V. te Bladel,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij het productschap.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brieven van 9 januari 2006, bij het College binnengekomen op 10 januari 2006, afzonderlijk beroep ingesteld tegen besluiten van verweerder van 8 december 2005.

Bij deze besluiten is beslist op de bezwaarschriften van appellanten tegen besluiten tot invordering van zekerheden, gesteld voor uitvoercertificaten inzake uitvoer van melkpoeder naar de Dominicaanse Republiek.

Appellanten hebben bij brieven van 31 januari 2006 de gronden van hun beroepen aangevoerd.

Bij brief van 2 maart 2006 heeft verweerder een op alle onderhavige zaken betrekking hebbend verweerschrift ingediend.

Op verzoek van het College heeft verweerder op 16 mei 2006 nog nadere stukken overgelegd.

Op 21 augustus 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten, bepaalt het volgende:

" 1. (…). Voor alle uitvoer van deze producten uit de gemeenschap kan een uitvoercertificaat verplicht worden gesteld.

2. (…). De afgifte van deze certificaten is afhankelijk van het stellen van een zekerheid, (…); behoudens in geval van overmacht wordt deze zekerheid geheel of gedeeltelijk verbeurd als de transactie niet of slechts ten dele binnen deze termijn wordt uitgevoerd.

(…)."

Artikel 8, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten luidt als volgt:

" Het uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie verplicht ertoe om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van de betrokken producten uit te voeren, zulks - behoudens overmacht - tijdens de geldigheidsduur van het certificaat.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten hebben op 7 mei 2003 ieder voor zich uitvoercertificaten aangevraagd voor de uitvoer van melkpoeder naar de Dominicaanse Republiek.

- Verweerder heeft op 2 juni 2003 aan appellanten uitvoercertificaten afgegeven, met een geldigheidsduur tot en met 30 juni 2004.

- Bij besluiten van 1 november 2004, verzonden op 2 november 2004, heeft verweerder van appellanten sub 1 tot en met 3 en sub 5 tot en met 10, zekerheden ingevorderd, omdat een aantal certificaten niet tijdig is benut.

- Deze appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten bij brieven gedateerd 14 december 2004 en op dezelfde dag ter post bezorgd.

- Op 15 december 2004 heeft verweerder de bezwaarschriften ontvangen.

- Verweerder heeft bij besluit van 21 maart 2005 de door appellante sub 4 gestelde zekerheid ingevorderd.

- Bij brief van 23 maart 2005 heeft appellante sub 4 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de door appellanten ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen.

Artikel 8, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 verplicht – behoudens overmacht – tot uitvoer van de in een uitvoercertificaat vermelde hoeveelheid, tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) wordt onder overmacht verstaan een abnormale en onvoorzienbare omstandigheid, die zich buiten toedoen van de ondernemer heeft voorgedaan en waarvan de gevolgen, in weerwil van alle mogelijke voorzorgen, niet hadden kunnen worden vermeden.

De door appellante gestelde problemen met de uitvoer van melkpoeder naar de Dominicaanse Republiek zijn aan de Europese Commissie voorgelegd, die van mening was dat sprake was van een handelsrisico en die geen bijzondere maatregelen heeft willen treffen. De verklaringen van de Britse ambassade en de EU-delegatie in de Dominicaanse Republiek zeggen slechts dat zij op de hoogte waren van de moeilijkheden.

Dat de afnemer, LADOM, de melkpoeder niet heeft kunnen afnemen, is een risico dat normaliter door partijen contractueel wordt afgedekt. Niet is gebleken dat dit in de onderhavige zaken – voor de aanvraag van de certificaten – is gebeurd.

Er valt geen abnormale omstandigheid aan te wijzen, zodat geen sprake is van overmacht.

4. Het standpunt van appellanten

4.1 Appellanten hebben in hun beroepschrift gesteld dat de plaatselijke autoriteiten niet hebben gehandeld conform de bilaterale overeenkomst tussen de Europese Unie en de Dominicaanse Republiek. Hierdoor ontstond vertraging bij de inklaring van het melkpoeder en konden de certificaten niet tijdig worden benut.

4.2 Ter zitting is namens appellanten het volgende verklaard.

Appellanten voeren sedert de jaren tachtig melkpoeder uit naar de Dominicaanse Republiek. Zij waren ten tijde van de inschrijving voor de certificaten in 2003 niet bekend met wezenlijke problemen en vertrouwden op de gemaakte bilaterale afspraken tussen de plaatselijke autoriteiten en de Europese Gemeenschap.

Vanaf 2002 en met name in de loop van 2003 begonnen zich problemen voor te doen, die eerst nog eenvoudig konden worden opgelost. Later was sprake van een groter probleem en bleven zendingen een half jaar in de haven liggen. Toen had de inschrijving voor de onderhavige uitvoercertificaten echter al plaatsgevonden. Er is nooit verteld wat er niet deugde aan het melkpoeder en uiteindelijk is geen enkel certificaat gewijzigd.

De meeste certificaten zijn benut. Op een gegeven moment bleken de financiële risico’s niet langer aanvaardbaar. Appellanten hebben hun afnemer Ladom altijd geleverd onder documentair krediet. Door de vertragingen weigerde de bank Ladom voor de resterende zendingen een documentair krediet te verlenen. Appellanten hebben toen besloten de goederen waarop de thans in geding zijnde certificaten betrekking hebben, niet naar de Dominicaanse Republiek te verschepen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat de thans in geding zijnde uitvoercertificaten niet binnen hun geldigheidsduur zijn benut. Dat betekent dat de voor deze certificaten gestelde zekerheid verbeurd wordt verklaard, tenzij de niet benutting het gevolg is van overmacht.

5.2 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG, C-210/00, Jur. I-6453, punt 79) moet het begrip 'overmacht' inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.

5.3 Ter zitting is gebleken dat het niet (tijdig) benutten van de onderhavige uitvoercertificaten het gevolg is van de door appellanten gemaakte inschatting dat hun Dominicaanse afnemer Ladom niet in staat zou zijn de zendingen te betalen, omdat dit bedrijf van haar bank geen krediet meer kon krijgen. Ter afwending van dit handelsrisico hebben appellanten besloten de betrokken zendingen niet naar de Dominicaanse Republiek te verschepen.

Derhalve is het niet (tijdig) benutten van de certificaten niet het gevolg van een omstandigheid die vreemd aan appellanten en onvoorzienbaar was, maar juist van een door appellanten zelf genomen ondernemingsbeslissing. Het College stelt vast dat onder deze omstandigheden geen sprake is van overmacht in voornoemde zin.

Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden besloten de door appellanten gestelde zekerheden verbeurd te verklaren.

5.4 De beroepen dienen derhalve ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J. M. Heijs, mr. M.A. van der Ham en mr. M.J. Kuiper in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R. Meijer