Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ1509

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
AWB 04/1126, 04/1127 en 04/1128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Restitutie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/1126, 04/1127 en 04/1128 18 oktober 2006

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaken van:

1. Meating Export B.V.,

2. E.A.G. Export B.V.,

3. Goods & Seasons Export B.V.,

alle te Eibergen, appellanten,

gemachtigde: P.J. den Ouden,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, verweerder,

gemachtigden: mr. B.M.J. Kloppenburg, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 5 december 2004, bij het College binnengekomen op 6 december 2004, beroep ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 29 november 2004.

Bij deze besluiten heeft verweerder, gevolg gevend aan de uitspraak van het College van 29 september 2004 (AWB 03/475, 03/476 en 03/477; <www.rechtspraak.nl> LJN: AR3524), opnieuw beslist op de bezwaren van appellanten tegen verweerders besluiten van 2 augustus 2002, waarbij door appellanten aangevraagde restitutie gedeeltelijk niet is toegekend en de daarmee gemoeide, voorgefinancierde, restitutiebedragen zijn teruggevorderd.

Op 18 januari 2005 hebben appellanten de gronden van hun beroep aangevuld.

Op 30 maart 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 22 mei 2005 en 24 juni 2005 hebben appellanten respectievelijk verweerder gerepliceerd en gedupliceerd.

Bij brief van 6 oktober 2005 heeft verweerder zijn standpunt nader onderbouwd.

Op 6 september 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn verschenen bij hun gemachtigde.

2. De beoordeling van de geschillen

2.1 Voor de grondslag van de geschillen verwijst het College naar voornoemde uitspraak van 29 september 2004.

2.2 In die uitspraak heeft het College de toen bestreden besluiten van 10 maart 2003 wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, omdat in die besluiten ten onrechte was overwogen dat de verjaringsbepaling van artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 in onderhavige gevallen niet van toepassing is.

Het College oordeelde in die uitspraak, voorzover hier van belang, dat (-) de verjaringsbepaling van artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van toepassing is op zowel de administratieve sancties van artikel 5 als de administratieve maatregelen van artikel 4 van deze verordening, (-) de vervolgde onregelmatigheid – het niet binnen de in artikel 47, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87 bedoelde termijn van twaalf maanden overleggen van de in artikel 18 van die verordening vereiste documenten – niet is aan te merken als voortdurende of voortgezette onregelmatigheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid, tweede alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 en (-) verweerders fax van 19 september 1996 inzake het voornemen tot verbeurdverklaring per 14 oktober 1996 een onderzoekshandeling of daad van vervolging in de zin van artikel 3, eerste lid, derde alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 is, op grond waarvan de verjaring is gestuit en op 19 september 1996 een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen.

Het College overwoog ten slotte dat het op basis van de beschikbare gegevens en het verhandelde ter zitting niet had kunnen vaststellen of na 19 september 1996 onderzoekshandelingen of daden van vervolging hebben plaatsgevonden, op grond waarvan de verjaring opnieuw is gestuit.

2.3 In de thans bestreden besluiten van 29 november 2004 heeft verweerder over de verjaringskwestie het volgende overwogen:

“ (…)

Het CBb heeft vastgesteld dat de brief van 19 september 1996 de verjaring heeft gestuit, met als gevolg dat op 19 september 1996 een nieuwe termijn van vier jaar is aangevangen.

Het productschap heeft aan u financiële overzichten gezonden, zogenaamde "overzicht ZERC-blokkades". Bij brief van 13 mei 1997 en bij brief van 28 september 2000 met nummer 017043 zijn aan u "overzichten ZERC-blokkades" verstuurd.

In het bezwaarschrift wordt ter zake van beide overzichten gesteld dat:

"Per brief van 28 september 2000, genummerd 017043 meldde het PVV mij nog dat zij bezig was de zaak nader te bezien. Sindsdien zijn er alweer 2 jaar verstreken, met als consequentie dat er nu ondubbelzinnig sprake is van verjaring."

En

"Sinds het verstrijken van de termijnen wist het PVV, onder meer - maar niet beperkt tot - ook vanuit de overzichten die bij de afdeling FZ voorhanden zijn en regelmatig geactualiseerd worden, dat er nog onafgewerkte dossiers lagen waarop zij tijdig actie diende te ondernemen. Eén van dergelijke overzichten, gedateerd 13 mei 1997, ontving ik in het kader van correspondentie over door mij gewenste, door het PVV vrij te geven bankgaranties op 14 mei 1997. Op dit overzicht staat een kolom "overige blokkades" waarmee kennelijk naar de onderhavige dossiers werd verwezen. Ik verwijs ook naar de hiervoor reeds aangehaalde berichtgeving van het PVV van 19 september 1996."

Hieruit kan worden herleid dat de beide handelingen van 13 mei 1997 en 28 september 2000 voldoende specifiek waren in die zin dat wordt voldaan aan het vereiste van die handeling zoals door het HvJEG omschreven in het arrest Handlbauer.

"Artikel 3, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 2988/95 moet aldus worden uitgelegd dat de aankondiging van een douanecontrole aan de betrokken onderneming alleen dan een onderzoekshandeling of een daad van vervolging van de onregelmatigheid is die de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, bedoelde verjaringstermijn kan stuiten, indien de handelingen waarop de verdenkingen van onregelmatigheid betrekking hebben, daarin voldoende nauwkeurig zijn omschreven."

Beide mededelingen zijn een gevolg op het faxbericht van 19 september 1996 en behoeven derhalve minder expliciet te zijn in de omschrijving van de onregelmatigheid aangezien dat reeds in voornoemd faxbericht is geschied. Uit uw bezwaarschrift blijkt althans dat u die overzichten zo heeft verstaan dat het productschap nog bezig was met de afwikkeling van het dossier, zoals omschreven in het eerder bericht van 19 september 1996 en dat daarover bij u geen misverstand bestond.

Nu de handelingen van 13 mei 1997 en 28 september 2000 voldoen aan het vereiste van zo'n handeling als omschreven in het arrest Handlbauer wordt geconcludeerd dat de verjaring steeds binnen een termijn van 4 jaar tijdig is gestuit. Dit betekent dat er geen sprake is van verjaring als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EG) 2988/95.”

In dupliek en ter zitting heeft verweerder zich voorts beroepen op de brief van 11 juli 2000 met bijbehorend ”Overzicht openstaande blokkades”. Ook deze brief is volgens verweerder een onderzoekshandeling of daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit.

2.4.1 Ingevolge artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 wordt de verjaring gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze aan de betrokkene ter kennis is gebracht.

Het is aan verweerder om te bewijzen dat er na 19 september 1996 onderzoekshandelingen of daden van vervolging zijn verricht waarvan appellanten in kennis zijn gesteld.

Verweerder beroept zich in dit verband op drie stukken: een financieel overzicht van 13 mei 1997, de brief van 11 juli 2000 met bijbehorend ”Overzicht openstaande blokkades” en de brief van 28 september 2000 met het bijbehorend financieel overzicht van 27 september 2000.

2.4.2 Het College is van oordeel dat verweerders verwijzing naar bedoeld financieel overzicht van 13 mei 1997 reeds niet tot de conclusie kan leiden dat daarmee de verjaring is gestuit, nu verweerder bedoeld overzicht niet heeft overgelegd – ter zitting is verklaard dat hij hierover niet meer beschikt – en dientengevolge niet kan worden beoordeeld of dit stuk als (de mededeling van) een onderzoekshandeling dan wel daad van vervolging kan worden aangemerkt.

2.4.3 Het College oordeelt vervolgens over de brief van 11 juli 2000 met bijbehorend ”Overzicht openstaande blokkades”.

Deze brief van verweerder is een reactie op de brief van appellanten van 3 juli 2000. In de brief van 3 juli 2000 wordt verweerder, kennelijk naar aanleiding van een aan appellanten verstuurd financieel overzicht van 20 juni 2000, verzocht om appellanten te informeren over de details van de bedragen die in de in het financieel overzicht opgenomen kolom

“ov. blokkades ZERC” zijn vermeld. Bij brief van 11 juli 2000 heeft verweerder hierop aan appellanten een “Overzicht openstaande blokkades” gestuurd, waarin voor elk van de appellanten, onder vermelding van de toepasselijke regeling, de documentnummers, de boekdatum en de geblokkeerde (deel)bedragen, wordt gespecificeerd waarop de in de kolom “ov. blokkades ZERC” genoemde bedragen betrekking hebben.

Het College is van oordeel dat de brief van 11 juli 2000 met het bijbehorend overzicht niet als mededeling van een onderzoekshandeling in de zin van artikel 3, eerste lid, derde alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 kan worden aangemerkt. De mededeling betreft immers geen te verrichten of verrichte handeling van onderzoek naar de geconstateerde onregelmatigheid.

Het College is van oordeel dat de brief van 11 juli 2000 met het bijbehorend overzicht evenmin als mededeling van een daad van vervolging in de zin van artikel 3, eerste lid, derde alinea, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 kan worden aangemerkt. Weliswaar kan het blokkeren van zekerheden in beginsel een daad van vervolging zijn, maar niet kan worden staande gehouden dat de brief van 11 juli 2000 appellanten van het blokkeren van de zekerheden op de hoogte stelt. De zekerheden waren immers al in een veel eerder stadium, waarschijnlijk zelfs al vóór 19 september 1996, geblokkeerd. Met de brief van 11 juli 2000 werd desgevraagd nadere informatie verstrekt over de openstaande blokkades van zekerheden. Het enkele verstrekken van informatie over in het verleden geblokkeerde zekerheden is geen (nieuwe) daad van vervolging.

2.4.4 De brief van 28 september 2000 met het bijbehorend financieel overzicht van 27 september 2000 kan reeds niet tot stuiting van de verjaring leiden, aangezien sinds de fax van 19 september 1996, die de verjaring heeft gestuit, meer dan vier jaar zijn verstreken.

2.4.5 De conclusie is dat verweerder niet heeft bewezen dat de verjaring is gestuit.

2.5 De beroepen zijn daarom gegrond en de bestreden besluiten dienen wegens strijd met artikel 3 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 te worden vernietigd. Nu verweerder genoegzaam in de gelegenheid is geweest om feiten of omstandigheden aan te wijzen die naar zijn mening de verjaring stuiten en de daarop betrekking hebbende stukken over te leggen, en er voorts geen grond is om aan te nemen dat verweerder nog andere stukken zou kunnen overleggen, zal het College met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaken voorzien en de primaire besluiten van 2 augustus 2002 herroepen.

2.6 Het College is ten slotte niet gebleken dat er kosten zijn die op grond van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept de besluiten van 2 augustus 2002;

- bepaalt dat verweerder appellanten het betaalde griffierecht ad € 273,-- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. H.C. Cusell en mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R. Meijer