Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ1507

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/394
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/394 20 oktober 2006

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Scholten, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 7 juni 2005, die op 8 juni 2005 bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 april 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit, waarbij is beslist op een aanvraag op grond van de Regeling dierlijke EG premies.

Op 18 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2006. Appellant is hierbij verschenen in het gezelschap van F. Stokman, procuratiehouder van slachterij Bon Vivant te Lichtenvoorde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, is het volgende bepaald:

"Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97."

Artikel 35 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, luidde ten tijde in geding als volgt:

"Aanvraag

(…)

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen lidstaten die beschikken over een gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 820/97, bepalen dat de door de slachthuizen aan de bevoegde autoriteit verstrekte gegevens betreffende de slacht van de dieren van een bepaalde producent als aanvraag voor een slachtpremie namens deze producent worden beschouwd, voorzover dit gegevensbestand naar het oordeel van de lidstaat voldoende garanties biedt ten aanzien van de juistheid van de gegevens ervan voor de toepassing van de slachtpremieregeling en in voorkomend geval voor de betaling van de speciale premie bij het slachten en/of de uitkering van de extra betalingen indien deze bij het slachten worden uitgekeerd en/of de betaling van de seizoencorrectiepremie.

(…)"

Artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, ten tijde in geding voorzover van belang, als volgt:

"Te late indiening

1. Behoudens overmacht en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 wordt bij indiening van een steunaanvraag (…) "dieren" na de in de betrokken sectorspecifieke voorschriften bepaalde termijn het steunbedrag waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, verlaagd met 1 % per werkdag vertraging. Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)"

In de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: Regeling) was onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2.4a

1. Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in aanmerking te komen dient de producent, onverminderd artikel 2.4b, een deelnamemelding in.

(…)

Artikel 2.4b

1. De producent kan een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, uitsluitend indienen na ontvangst van diens deelnamemelding.

2. Aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 door het betrokken abattoir aan het I&R-systeem rund.

(…)

Artikel 2.6

(…)

2. Indien de aanvraag meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode door LASER is ontvangen, wordt de aanvraag afgewezen.

(…)

4. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 2.4b, tweede lid, afgewezen indien de melding van de slacht niet binnen 25 dagen na de slacht van het betrokken rund heeft plaatsgevonden op de wijze zoals bepaald in de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003.

(…)

Artikel 4.9

1. Geen premie wordt verstrekt voor runderen ten aanzien waarvan de producent de op hem, ingevolge de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003, rustende bepalingen met betrekking tot de melding aan het I&R systeem rund van de geboortedatum, de datum van aanvoer op, of afvoer van zijn bedrijf of de datum van slacht onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, niet binnen 25 dagen is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op of na 1 januari 2000 is ontstaan.

2. De premie wordt verminderd met 25% voor runderen ten aanzien waarvan de producent de in het eerste lid bedoelde op hem rustende bepalingen niet tijdig doch wel binnen 25 dagen nadat de betrokken gebeurtenis heeft plaatsgevonden, is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op is na 1 januari 2000 is ontstaan."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft zich door middel van het toezenden van een door hem ingevuld en ondertekend deelnameformulier op 30 december 1999 opgegeven als deelnemer aan de slachtpremieregeling.

- In 2003 zijn namens appellant door het slachthuis op diverse data aanvragen slachtpremie ingediend voor runderen die dat jaar zijn geslacht.

- Bij besluit van 24 juni 2004 heeft verweerder deze aanvragen voor slachtpremie gedeeltelijk afgewezen. Voor zeventien runderen is de slachtpremie te laat aangevraagd en voor één rund is een mutatie te laat gemeld.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 juli 2004, aangevuld bij brief van 19 oktober 2004, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van de slachtpremieaanvraag voor het rund met ID code NL 299732866 gegrond verklaard. Ten aanzien van de overige zeventien afgewezen slachtpremieaanvragen heeft verweerder appellants bezwaar ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Door middel van het indienen van de deelnamemelding heeft appellant zich akkoord verklaard met zowel het gebruik van het I&R systeem rund als met het feit dat het slachthuis de daadwerkelijke slachtpremieaanvraag namens hem verzorgt. Bij de administratieve controle is derhalve het I&R systeem leidend. De slachtmelding door het slachthuis moet worden gedaan binnen 25 dagen na de feitelijke gebeurtenis.

Uit het I&R systeem rund is gebleken dat met betrekking tot de runderen met de ID codes NL 209128758, NL 20912897, NL 240729826, NL 299732532, NL 299732602, NL 299732703 en NL 299732811 17 maart 2003 als slachtdatum is geregistreerd. Van de runderen met de ID-codes NL 292332397, NL 299732640, NL 299732657, NL 299732727, NL 299732765, NL 299732772, NL 299732789, NL 299732828 en NL 299732943 is dit 15 april 2003 en van het rund met ID code NL 299732880 is dit 10 juni 2003.

Als datum van de melding van de slacht van deze runderen is in het I&R-systeem 15 maart 2004 geregistreerd. Voor de bepaling of een melding niet is gedaan binnen 25 dagen na datum van de slacht of in de kortingperiode zijn nog vijf verwerkingsdagen extra in acht genomen. Voor de beoordeling van de tijdigheid van de slachtmelding zijn dus op de in het I&R-systeem rund geregistreerde datum vijf dagen in mindering gebracht.

Derhalve staat vast dat van de hiervoor vermelde zeventien runderen de melding van de slacht niet heeft plaatsgevonden in de aanvraagperiode en ook dat deze melding niet heeft plaatsgevonden in de kortingperiode. Op grond van artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 en artikel 2.6, tweede lid, van de Regeling dienen de aanvragen voor de betreffende runderen te worden afgewezen, zodat ter zake van deze runderen geen slachtpremie kan worden toegekend.

Het door appellant aangeleverde bewijsmateriaal, te weten een van slachterij Bon Vivant ontvangen lijst van het I&R bureau met slachtmeldingen in het jaar 2003, alsmede het naar aanleiding hiervan door verweerder gedane onderzoek, maakt niet aannemelijk dat de slachtmeldingen tijdig zijn gedaan. Het I&R-bureau heeft op 15 maart 2004 van slachterij Bon Vivant een faxbericht ontvangen, waarin was vermeld dat de runderen van drie slachtdata niet waren afgemeld en werd verzocht deze runderen alsnog af te melden. Bij het I&R-bureau zijn hierop op 15 maart 2004 slachtmeldingen geplaatst bij de runderen waar dit ontbrak. De lijst met slachtmeldingen was aangemaakt ná de herstelmeldingen van 15 maart 2004.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van het beroep het volgende aangevoerd.

Een medewerkster van verweerder heeft tijdens de bezwaarprocedure bij appellant en bij een medewerker van slachterij Bon Vivant de indruk gewekt gevoelig te zijn voor de tegen het afwijzingsbesluit aangevoerde argumenten. Deze argumenten luidden en luiden dat appellant niets te verwijten valt en dat slachterij Bon Vivant de betreffende runderen wel tijdig had afgemeld. Appellant heeft de indruk dat de medewerkster van verweerder door een hogergeplaatste ambtenaar van verweerder is teruggefloten en vermoedt dat dit is gebeurd omdat gestelde 'targets' niet werden gehaald.

Namens appellant is ter zitting door F. Stokman van slachterij Bon Vivant gesteld dat het voor de slachtmeldingen in het I&R-systeem rund gebruikte voice response-systeem kennelijk niet goed heeft gewerkt en dat dit tot een foutieve administratieve verwerking van de meldingen heeft geleid. Regelmatig zijn er storingen in het voice response-systeem. Stokman is ervan overtuigd dat de in geding zijnde slachtmeldingen zijn gedaan. Hij heeft de meldingen namelijk zelf via het voice response-systeem gedaan en heeft telkens de mondelinge bevestiging gekregen dat het betreffende rund was gemeld. Vreemd is dat kennelijk uiteindelijk maar de melding van één rund is doorgekomen.

5. De beoordeling van het geschil

Gelijk het College reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 12 september 2003 (AWB 02/1344, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AM7774), laat, waar Verordening (EG) nr. 2342/1999 de lidstaten de mogelijkheid biedt toe te staan dat de melding door het slachthuis als aanvraag wordt beschouwd, artikel 2.4b, tweede lid, van de Regeling een aanvrager geen andere keus dan de aanvraag te laten indienen door het slachthuis. Derhalve is de aanvrager niet zelf in de gelegenheid om onvolkomenheden in de voor hem ingediende aanvraag te voorkomen, terwijl hij wel het risico draagt dat zulke onvolkomenheden ertoe leiden, dat de aangevraagde premie niet (volledig) wordt uitbetaald. Het College is van oordeel dat dit door de regelgever vastgestelde systeem voor de producenten niet onredelijk bezwarend is en dat de daarmee samenhangende risico's als normale bedrijfsrisico's voor de betrokken producenten kunnen worden aangemerkt.

Dit brengt mee dat de te late indiening van de aanvragen door het slachthuis voor de dieren waarvoor geen premie is toegekend voor appellants rekening en risico komt.

Het College is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van de zeventien in geschil zijnde runderen een aanvraag, als bedoeld in artikel 2.4b van de Regeling, door middel van een tijdige melding van de slacht door het betrokken slachthuis aan het I&R-systeem rund, is ingediend. Namens slachterij Bon Vivant is weliswaar gesteld dat de geslachte runderen via het voice response-systeem in het I&R-systeem rund tijdig zijn afgemeld en dat aan de melder via dat systeem is bevestigd dat de melding was doorgekomen, doch deze enkele stelling is op geen enkele wijze met stukken of anderszins onderbouwd en kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Uit de stukken kan enkel worden afgeleid dat het I&R-bureau op 15 maart 2004 van slachterij Bon Vivant een faxbericht heeft ontvangen, waarin was vermeld dat de runderen van drie slachtdata niet waren afgemeld en waarin werd verzocht deze runderen alsnog af te melden. Deze aanmelding was buiten de aanvraag- en kortingperiode.

Het College ziet evenmin grond voor het oordeel dat verweerder ten aanzien van appellant in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat de behandelend ambtenaar van verweerder enigerlei toezegging aan appellant heeft gedaan. Het enkele tonen van begrip als door appellant is gesteld, kan, indien daarvan al sprake is geweest, geen grondslag opleveren voor enig gerechtvaardigd vertrouwen.

Verweerder heeft dan ook terecht geen slachtpremie toegekend voor deze zeventien runderen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.S. Hoppener