Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AZ1204

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-10-2006
Datum publicatie
31-10-2006
Zaaknummer
AWB 00/689,02/1502 en 02/1504
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating en verlenging

Wetsverwijzingen
Bestrijdingsmiddelenwet 1962
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/40 met annotatie van Van Herwijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 00/689, 02/1502, 02/1504 24 oktober 2006

32010 en 32030

Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating en verlenging

Uitspraak in de zaken van:

1. Cindu Chemicals B.V., te Uithoorn,

2. Rütgers VFT AG, te Castrop Rauxel, Duitsland,

3. Touwen & Co. B.V., te Zaandam,

4. Pearl Paint Holland B.V., te Dronten,

5. Elf Atochem Nederland B.V., te Amsterdam,

6. Zijlstra & Co. Verf B.V., te Leeuwarden,

7. B.V. Chemische Producten Struyk & Co., te Rotterdam,

appellanten,

gemachtigde: mr. M.J. van Pomeren, advocaat te Amsterdam,

en

8. Arch Timber Protection B.V., te Wijchen,

appellante,

gemachtigden: mr. J.P.L. van Marissing, mr. N.G. Engering, beiden advocaat te Amsterdam en mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda,

tegen

het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, verweerder,

gemachtigden: mr. J.H. Geerdink, mr. A.A. Spoel en mr. R.J.M. van den Tweel,

allen advocaat te Den Haag,

aan het geding Awb 02/1504 neemt voorts als partij deel:

de Stichting Behoud en Leefmilieu en Natuur Maas en Waal, te Beneden-Leeuwen.

1. De procedure

Appellanten sub 1 tot en met sub 7 hebben bij brief van 14 augustus 2000, bij het College binnengekomen op 15 augustus 2000, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 juli 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten sub 1 tot en met sub 7, gericht tegen besluiten van 1 oktober 1999 inzake de procedurele verlenging tot 1 juli 2001 van bestrijdingsmiddelen op basis van de werkzame stof steenkoolteeroliedestillaat, ongegrond verklaard.

Dit beroep is bij het College geregistreerd onder nummer Awb 00/689.

Appellanten sub 1 tot en met sub 3 hebben bij brief van 6 augustus 2002, bij het College binnengekomen op 7 augustus 2002, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 juni 2002. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten, gericht tegen besluiten van 25 oktober 2001, waarbij aanvragen om toelating van vijf bestrijdingsmiddelen op basis van de werkzame stof steenkoolteerdestillaat buiten behandeling zijn gesteld, ongegrond verklaard.

Dit beroep is bij het College geregistreerd onder nummer Awb 02/1502.

Het onderzoek ter zitting van bovengenoemde procedurenummers heeft plaatsgevonden op 13 maart 2003.

Appellante sub 8 heeft bij brief van 6 augustus 2002, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 augustus 2002. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante sub 8, gericht tegen besluiten van 31 augustus 2001 en 14 september 2001, ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten heeft verweerder respectievelijk de ten behoeve van appellante sub 8 verleende toelating van drie bestrijdingsmiddelen (houtimpregneermiddelen op basis van de werkzame stoffen koper(II)oxide en chroomtrioxide) ingetrokken, en afwijzend beslist op een aanvraag om toelating van deze middelen.

Dit beroep is geregistreerd onder nummer Awb 02/1504. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2003.

Bij afzonderlijke beslissingen, vervat in de uitspraken van 26 juni 2003 (<www.rechtspraak.nl> LJN AI0086 en AH9712), heeft het College - onder meer - het onderzoek heropend en aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in deze beslissingen geformuleerde vraag.

Het Hof van Justitie heeft op deze prejudiciële vraag uitspraak gedaan bij arrest van 15 september 2005 (C-281/03 en C-282/03).

Verweerder heeft bij brieven van 27 oktober 2005 naar aanleiding van het arrest nader stelling genomen.

Appellanten sub 1 tot en met sub 7 hebben bij brief van 2 december 2005 naar aanleiding van het arrest en de reactie van verweerder nader stelling genomen.

Appellante sub 8 heeft bij brief van 21 december 2005 naar aanleiding van het arrest en genoemde reactie van verweerder nader stelling genomen.

Het College heeft de behandeling van het onderzoek voortgezet ter zitting van 4 juli 2006. Aldaar zijn partijen bij hun gemachtigden verschenen. Voor appellanten was voorts ter zitting aanwezig A, werkzaam bij de B te X. Aan de zijde van verweerder zijn verschenen mr. M.K. Polano en ir. J.W. Andriessen, beiden werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van de geschillen

2.1 Voor een weergave van het wettelijk kader, alsmede van feiten en omstandigheden die voor het College vast zijn komen te staan, en voor een weergave van de bestreden besluiten, wordt verwezen naar het ter zake gestelde in eerdergenoemde uitspraken van 26 juni 2003.

2.2 Het College heeft in bedoelde uitspraken geoordeeld dat de interpretatie van richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik voor bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (Pb. 1976 L 262, blz. 201: hierna: Stoffenrichtlijn) wat betreft de reikwijdte niet zonder twijfel was en mitsdien op basis van artikel 234 EG de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd:

" Staat de Stoffenrichtlijn toe dat een lidstaat aanvullende voorwaarden stelt aan het op de markt brengen en gebruik van een biocide waarvan de werkzame stof is opgenomen op bijlage I van de Stoffenrichtlijn?"

2.3 Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 15 september 2005 (hierna: arrest) als volgt voor recht verklaard:

"Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994, moet aldus worden uitgelegd dat zij een lidstaat niet toestaat, andere dan de daarin geformuleerde voorwaarden vast te stellen voor het op de markt brengen en het gebruik van een biocide waarvan de werkzame stof is genoemd in bijlage I ervan, onverminderd de toepassing van andere desbetreffende communautaire voorschriften tot vaststelling van specifieke voorwaarden voor dat product."

3. Het standpunt van appellanten sub 1 tot en met sub 7

Appellanten sub 1 tot en met sub 7 hebben in meergenoemde brief van 2 december 2005 en ter zitting - samengevat weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Uit het arrest van het Hof van Justitie volgt dat de Stoffenrichtlijn een uitputtende regeling bevat en dat de instandhouding of de vaststelling door lidstaten van andere maatregelen dan die waar deze richtlijn in voorziet, niet verenigbaar is met het doel ervan. Dit betekent dat de nationale toelatingsprocedure neergelegd in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) en de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (hierna: Rtb 1995) onverbindend is, dan wel in het onderhavige geval buiten toepassing moet blijven. Voorts moeten de aangevraagde stoffen op de markt worden toegelaten, omdat vast staat dat die stoffen voldoen aan het bepaalde in de Stoffenrichtlijn.

4. Het standpunt van appellante sub 8

Appellante sub 8 heeft in meergenoemde brief van 21 december 2005 en ter zitting - samengevat weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Het Hof van Justitie staat niet toe dat een lidstaat aanvullende voorwaarden stelt aan het op de markt brengen en gebruik van de onderhavige stoffen, aangezien deze voldoen aan de bepalingen van de Stoffenrichtlijn. Aan de Stoffenrichtlijn kan mitsdien een recht op toelating van de betreffende stof voor gebruik als biocide worden ontleend.

5. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft zich in zijn brieven van 27 oktober 2005 en ter zitting op het volgende standpunt gesteld.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie moet worden geoordeeld dat de Stoffenrichtlijn geen gebod tot toelating inhoudt en dat de onderhavige middelen niet van rechtswege zijn toegelaten. De Stoffenrichtlijn bevat geen regeling terzake van de procedurevoorschriften met betrekking tot het op de markt brengen en het gebruik van (bepaalde) gevaarlijke stoffen. Dergelijke voorschriften zijn wel opgenomen in Richtlijn 79/831/EEG, houdende zesde wijziging van Richtlijn 67/548/EEG, betreffende aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (Pb 1979, L 259, blz. 10) alsmede in de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en Biocidenrichtlijn. De Bmw voorziet in een toelatingsprocedure voor deze middelen, die tenminste gelijkwaardig is aan het stelsel van kennisgeving van Richtlijn 79/831/EEG. Daartoe dient op grond van artikel 4 Bmw een aanvraag te worden ingediend.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Bij de beoordeling van de beroepen van appellanten sub 1 tot en met sub 8 staat het College thans voor beantwoording van de vraag of het regime dat ingevolge de Stoffenrichtlijn van toepassing is op de werkzame stoffen van de biociden waarop de bestreden besluiten betrekking hebben, meebrengt dat lidstaten bevoegd zijn het op de markt brengen en gebruiken van deze middelen afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat deze middelen ingevolge een besluit van verweerder worden toegelaten.

6.2 Dienaangaande heeft verweerder betoogd dat de uitputtende harmonisatie van de Stoffenrichtlijn betrekking heeft op het op de markt brengen en het gebruik van de betreffende stoffen, maar niet op de procedure. Het arrest van het Hof van Justitie heeft derhalve evenmin betrekking op dergelijke voorschriften.

Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Uit het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen blijkt dat het lidstaten niet is toegestaan andere voorwaarden te stellen voor het op de markt brengen en het gebruik van een biocide waarvan de werkzame stof is genoemd in bijlage I bij de Stoffenrichtlijn. Dit antwoord laat geen ruimte voor de opvatting dat het op de markt brengen en het gebruik van de betreffende biociden afhankelijk kan worden gesteld van een prealabele procedurele voorwaarde, aangezien in algemene zin wordt gesproken over voorwaarden. Indien het op de markt brengen en het gebruik van de betreffende biociden afhankelijk wordt gesteld van het voldoen aan een prealabele voorwaarde, wordt onmiskenbaar een andere voorwaarde gesteld dan die welke voortvloeit uit de Stoffenrichtlijn. Het verlangen van een voorafgaande toelating als voorwaarde voor het op de markt brengen en het gebruik van een biocide waarvan de werkzame stof is genoemd in bijlage I bij de Stoffenrichtlijn, zou ook een belemmering zijn voor het handelsverkeer en dus afbreuk doen aan het handelsverkeer, terwijl uit rechtsoverweging 43 van het arrest blijkt dat de Stoffenrichtlijn tot doel heeft de opheffing van belemmeringen voor het handelsverkeer. Bovendien is volstrekt onaannemelijk dat het Hof van Justitie onder voorwaarden voor het op de markt brengen en gebruik van dergelijke biociden, niet zou hebben beoogd te begrijpen een toelatingsprocedure zoals in de bestreden besluiten aan de orde, omdat juist de uitkomsten van de toelatingsprocedure aanleiding vormen voor het geding waarin de prejudiciële beslissing is gevraagd en verkregen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat het volgen van deze procedure geen doel op zich is maar een middel om te beoordelen of de middelen voldoen aan de eisen ingevolge de Bmw. Uit het arrest volgt ondubbelzinnig dat eisen ingevolge de Bmw ten aanzien van de onderhavige middelen niet mogen worden gehanteerd.

6.3 De Stoffenrichtlijn staat evenwel niet in de weg aan het hanteren van andere dan de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden voor het op de markt brengen en het gebruik van een biocide, waarvan de werkzame stof is genoemd in bijlage I bij de Stoffenrichtlijn, indien dit betreft de toepassing van andere communautaire voorschriften tot vaststelling van specifieke voorwaarden voor dat product.

Verweerder heeft in dit verband gerefereerd aan de Biocidenrichtlijn. Dienaangaande stelt het College vast dat met betrekking tot de werkzame stoffen die in de onderhavige geschillen aan de orde zijn, nog geen beslissing is genomen over de opname in bijlage I of IA van deze richtlijn, zodat nog geen sprake is van een communautair voorschrift tot vaststelling van specifieke voorwaarden voor de onderhavige biociden, waarvan de werkzame stof is geplaatst op bijlage I bij de Stoffenrichtlijn.

De omstandigheid dat artikel 16 van de Biocidenrichtlijn lidstaten gedurende de overgangsperiode toestaat hun huidige systeem of praktijk met betrekking tot het op de markt brengen van biociden toe te passen, brengt niet mee dat een dergelijk nationaal systeem kan worden aangemerkt als een stelsel van communautaire voorschriften tot vaststelling van specifieke voorwaarden met betrekking tot de onderhavige biociden. Hieruit volgt dat het bepaalde bij en krachtens de Bmw inzake de toelating van bestrijdingsmiddelen, niet kan gelden als andere desbetreffende communautaire voorschriften als bedoeld in artikel 1 van de Stoffenrichtlijn. Het gaat hier om bepalingen die hun gelding ontlenen aan de nationale rechtsorde, hetgeen ingevolge artikel 16 van de Biocidenrichtlijn ook na expiratie van de termijn waarbinnen de richtlijn ten uitvoer moet zijn gelegd, op zich niet in strijd met deze richtlijn is.

Verweerder heeft in dit verband voorts gerefereerd aan richtlijn 79/831/EEG, maar heeft ter zitting erkend dat deze richtlijn niet van toepassing is op bestrijdingsmiddelen, zodat ook deze richtlijn niet kan worden aangemerkt als een communautaire regeling tot vaststelling van specifieke voorwaarden voor de onderhavige producten op grond waarvan de procedure tot toelating als voorzien in de Bmw van toepassing is.

6.4 Gelet op al het vorenstaande dienen de beroepen van appellanten sub 1 tot en met sub 7 gegrond te worden verklaard en dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd.

Het beroep van appellante sub 8 dient, gelet op al het vorenstaande, voor zover daaromtrent niet reeds is beslist bij uitspraak van 26 juni 2003, eveneens gegrond te worden verklaard.

Verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van appellanten sub 1 tot en met sub 8 te beslissen.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellanten sub 1 tot en met sub 7. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2254,-- wat betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College op 13 maart 2003, 2 punten voor het indienen van schriftelijke opmerkingen bij het Hof van Justitie, 2 punten voor het verschijnen ter mondelinge behandeling van het Hof van Justitie, 0,5 punt voor een nadere schriftelijke uiteenzetting en 0,5 punt voor het bijwonen van een nadere zitting van het College, ad € 322,-- per punt).

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante sub 8. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2254,-- wat betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College op 11 maart 2003, 2 punten voor het indienen van schriftelijke opmerkingen bij het Hof van Justitie, 2 punten voor het verschijnen ter mondelinge behandeling van het Hof van Justitie, 0,5 punt voor een nadere schriftelijke uiteenzetting en 0,5 punt voor het bijwonen van een nadere zitting van het College, ad € 322,-- per punt).

Het College zal voorts bepalen dat aan appellanten sub 1 tot en met sub 8 het door hen betaalde griffierecht zal worden vergoed.

7. De beslissing

Het College

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 6 juli 2000 in procedure Awb 00/698;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 juni 2002 in procedure Awb 02/1502;

- vernietigt het bestreden besluit van 2 augustus 2002 in procedure Awb 02/1504;

- draagt verweerder op nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten sub 1 tot en met 7 tot een bedrag van € 2254,- (zegge:

tweeduizendtweehonderdvierenvijftig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante sub 8 tot een bedrag van € 2254,- (zegge:

tweeduizendtweehonderdvierenvijftig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellanten sub 1 tot en met sub 7 betaalde griffierecht in procedure

Awb 00/689 ten bedrage van fl 450,-- (= € 204,20, zegge: tweehonderdvier euro en twintighonderste euro), vergoedt;

- bepaalt dat verweerder het door appellanten sub 1 tot en met sub 7 betaalde griffierecht in procedure

Awb 02/1502 ten bedrage van € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien euro) vergoedt;

- bepaalt dat verweerder het door appellante sub 8 betaalde griffierecht in procedure Awb 02/1504 ten

bedrage van € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. J.A. Hagen en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. P.M. Beishuizen