Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY9801

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
AWB 04/869
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Algemene wet inzake rijksbelastingen - Anti-dumpingheffing

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:3, geldigheid: 2006-09-27
Douanebesluit 54, geldigheid: 2006-09-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/869 27 september 2006

23510

Uitspraak in de zaak van:

A, te E, appellant,

gemachtigden: mr. W.J. Benning en mr. B.J.A. Kalshoven, beiden werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs te Amsterdam,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. L.K. van Leeuwen-Visser en W.J. Schoot, beiden werkzaam bij de Belastingdienst/Douane Noord.

1. De procedure

Appellant heeft bij drie brieven van 25 oktober 2004, bij het College binnengekomen op 26 oktober 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 september 2004. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gericht tegen drie uitnodigingen tot betaling van antidumpingheffing van 26 februari 2004, ongegrond verklaard.

Bij brief van 19 november 2004 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 1 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 7 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar appellant, zijn gemachtigde mr. W.J. Benning en de gemachtigden van verweerder hun standpunten hebben toegelicht. Voorts is van de kant van appellant drs. J.P. Scholten verschenen, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" 1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur voor ieder van de rechten afzonderlijk.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geschiedt het vaststellen van een uitnodiging tot betaling ter zake van anti-dumpingheffingen of compenserende heffingen door Onze Minister van Economische Zaken (…)."

Artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 255/2001 van de Commissie van 7 februari 2001 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen uit de Volksrepubliek China, die op 9 februari 2001 in werking is getreden, luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van elektronische compacte fluorescerende gasontladingslampen met één of meer glazen buizen waarbij alle verlichtingselementen en elektronische componenten aan de lampvoet zijn bevestigd of in de lampvoet zijn geïntegreerd, ingedeeld onder GN-code ex 8539 31 90 (Taric-code 8539 31 90 91) uit de Volksrepubliek China. "

Artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1470/2001 van de Raad van 16 juli 2001 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van geïntegreerde elektronische compacte fluorescentielampen (CFL-i) uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van de ingestelde voorlopige rechten, die op 20 juli 2001 in werking is getreden, luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van elektronische compacte fluorescerende gasontladingslampen met een of meer glazen buizen, waarbij alle verlichtingselementen en elektronische componenten aan de lampvoet bevestigd of in de lampvoet geïntegreerd zijn, ingedeeld onder GN-code ex 8539 31 90 (Taric-code 8539 31 90*91) uit de Volksrepubliek China. "

Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW of communautair douanewetboek) luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 62

1. Schriftelijke aangiften moeten zijn gesteld op een formulier dat overeenkomt met het daartoe vastgestelde officiële model. Zij moeten zijn ondertekend en alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.

(…)

Artikel 201

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a. wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht (…)

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

Wanneer een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk verschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, kunnen de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar worden beschouwd.

(…) "

Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: TCDW), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 205

1. Het officiële model voor de schriftelijke douaneaangifte van goederen in het kader van de normale procedure met het oog op hun plaatsing onder een douaneregeling of wederuitvoer overeenkomstig artikel 182, lid 3, tweede zin, van het Wetboek, is het enig document.

(…)

Artikel 217

De gegevens welke dienen te worden vermeld wanneer gebruik wordt gemaakt van één van de in artikel 205, lid 2, bedoelde formulieren, vloeien voort uit het formulier zelf, alsmede, in voorkomend geval, uit de bepalingen met betrekking tot de betrokken douaneregeling.

(…) "

De Douanewet luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 1

(…)

4. Onder de naam "douanerechten" wordt een belasting geheven overeenkomstig hetgeen dienaangaande, mede onder de benaming invoerrecht, is bepaald bij of krachtens het Koninkrijk verbindende verdragen en in al hun onderdelen verbindende besluiten van bij zodanige verdragen opgerichte volkenrechtelijke organisaties.

(…)

Artikel 2

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder Communautair douanewetboek: verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).

2. In deze wet en de andere wetten inzake de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer, alsmede de daarop berustende bepalingen, wordt in aanvulling op de begripsbepalingen van het Communautair douanewetboek verstaan onder:

a. wettelijke bepalingen: de bepalingen inzake de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer, waaronder begrepen de regelingen bedoeld in artikel 1, vierde lid;

(…)

Artikel 3

Indien in wettelijke bepalingen is voorzien dat nationale voorschriften van toepassing zijn dan wel dat de bevoegde ministers of de bevoegde autoriteiten van de lid-staten algemeen verbindende voorschriften vaststellen of kunnen vaststellen, kunnen die voorschriften worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. "

Artikel 54 van het Douanebesluit luidt als volgt:

" Indien een douaneaangifte als bedoeld in artikel 201, derde lid, van het Communautair douanewetboek, is opgesteld op basis van gegevens die er toe leiden dat de verschuldigde rechten bij invoer gedeeltelijk niet worden geheven, is de persoon die de voor de opstelling van die aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens verkeerd waren, eveneens schuldenaar voor de verschuldigde rechten bij invoer. "

Het Besluit mandaat en machtiging Belastingdienst/Douane inzake anti-dumpingheffingen en compenserende heffingen EZ (hierna: mandaatregeling), luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 2

1. Aan inspecteurs wordt mandaat verleend tot:

a. het vaststellen van de uitnodiging tot betaling ter zake van anti-dumpingheffingen of compenserende heffingen en tot het geven van de beschikking ter zake van anti-dumpingheffingen of compenserende heffingen, als bedoeld in de artikelen 22a, tweede lid, en 22c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

b. het beslissen op bezwaarschriften gericht tegen besluiten als bedoeld onder a.

(…)

3. Een inspecteur neemt geen beslissing op een bezwaarschrift indien het besluit waartegen het bezwaar zich richt door hem krachtens mandaat is genomen.

(…)

Artikel 4

1. Het is aan inspecteurs toegestaan voor de in de artikelen 2, eerste lid, en 3 bedoelde aangelegenheden ondermandaat te verlenen aan tot hun eenheid behorende ambtenaren, respectievelijk hen daartoe te machtigen.

2. Geen ondermandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt krachtens ondermandaat heeft genomen.

Artikel 5

1. In elk op grond van de mandaatverlening, bedoeld in artikel 2, eerste lid, genomen besluit wordt tot uitdrukking gebracht dat dit namens de Minister is genomen. (…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft onder de handelsnaam B en als directeur van B B.V. lampen geïmporteerd.

- Onbetwist is dat voor de lampen die appellant uit China importeerde vanaf 9 februari 2001 een antidumpingheffing gold.

- Op 16 februari 2001 heeft appellant een e-mail met als onderwerp "energy saving lamps" gestuurd aan Xu Cong, een Chinese leverancier van lampen. In de e-mail is onder meer het volgende vermeld:

" (…) Original Form A GSP must be from an other country and not China. Also shipping the containers not directly from China to Europe but through an other port but from the same country as the form A GSP (…) "

- Bij fax van 28 februari 2001 heeft RP Forwarding B.V. (hierna: RP) aan Trifor International B.V. (hierna: Trifor) opdracht gegeven een container met "energie spaarlampen" uit China in te klaren op naam van B B.V. In het dossier bevinden zich twee exemplaren van dezelfde fax; op het ene exemplaar is met pen geschreven "8539 3900 90", op het andere exemplaar is met pen geschreven "8539 3190 90" en daaronder "8539 3900 90".

- In het dossier worden in totaal 23 aangiften genoemd voor uit China afkomstige ladingen spaarlampen die door Trifor zijn gedaan en waarbij appellant is opgegeven als importeur. Trifor heeft vanaf 1 maart 2001 tot en met 25 september 2001 twaalf maal achter elkaar aangifte gedaan onder goederencode 8539.3900.90. Op 11 oktober 2001 heeft Trifor aangifte gedaan onder goederencode 8539.2998.90, op 16 oktober 2001 eenmaal onder goederencode 8539.3900.90 en eenmaal onder goederencode 8539.2998.90. Op 24 en 31 oktober 2001 heeft Trifor aangifte gedaan onder goederencode 8539.2998.90, op 9 november 2001 onder code 8539.3900.90 en vervolgens in de periode 21 november tot en met 18 december 2001 nog vijf maal onder code 8539.2998.90.

- Op 1 maart 2001 heeft F aan appellant een e-mail met als onderwerp "D/P payment and T/T for digital timer" gestuurd. In de e-mail is onder meer het volgende vermeld:

" (…) 2. What about your client's reply with inquiry for energy saving lamps? Since we have agreed with third country to via (B/L, Form A<etc), so I think it would a second good chance for both of us to increase the business of lamps. (…) "

Appellant heeft hierop bij e-mail van 2 maart 2001 onder meer het volgende geantwoord:

" (…) 2) see separate e-mail which I send you

However you have to inform me from which country we will get the form A/GSP.

This in order to check the custom clearance on our end (…) "

- Bij brief van 9 mei 2001 heeft appellant onder meer het volgende aan de heer G van CAT Frankfurt bericht: " Waren verzollen unter 8539 3900 90 "

- Op 14 oktober 2002 heeft DHL International B.V. (hierna: DHL) een aangifte gedaan voor een uit China afkomstige lading spaarlampen waarbij appellant is genoemd als importeur en als goederencode is vermeld 8539.3900.90.

- Op 27 december 2002 heeft Spido Transport B.V. (hierna: Spido) een aangifte gedaan voor een uit China afkomstige lading spaarlampen waarbij appellant is genoemd als importeur en als goederencode is vermeld 8539.2192.90.

- Vanaf 2002 heeft de FIOD-ECD onderzoek gedaan naar de invoer van spaarlampen.

- Op 28 oktober 2003 is H, werkneemster van RP, gehoord door twee ambtenaren van de FIOD, vestiging Almelo. In het proces-verbaal van het verhoor is onder meer de volgende verklaring opgenomen:

" B importeert goederen uit het Verre Oosten. Wij verzorgen het transport voor B BV naar onder andere Duitsland. Omdat wij zelf de aangifte ten invoer niet kunnen verzorgen hebben wij daarvoor Trifor International ingeschakeld. Ik geeft Trifor International per fax opdracht om de aangifte op te maken. De gegevens krijgen wij weer aangeleverd van B BV. Ik had met name contact met A en J. Wij hebben geen verstand van goederencodes en dergelijke, dus alle gegevens moeten door B worden aangeleverd. (…)

De opdrachten van B BV kwamen meestal telefonisch bij RP Forwarding binnen. Ik had dan telefonisch contact met A. Het kwam ook wel voor dat per fax gegevens binnenkwamen, maar dat was vaak zo onduidelijk dat er niet uit te komen was.

Ik faxte vervolgens een schriftelijke opdracht naar Trifor International om de aangifte op te maken op basis van de gegevens die ik van A van B BV en de rederij had gekregen. De gegevens van de rederij hadden betrekking op de voorafgaande douaneregeling. Ook de te gebruiken goederencode kreeg ik door van A. We hadden regelmatig transporten lampen voor B BV.

Ik zie in dossiernummer 01.02.512 dat op het faxbericht twee goederencodes staan vermeld. Ik heb deze goederencodes op het faxbericht geschreven. Ik heb deze codes telefonisch doorgekregen van A. A zei tegen mij dat eerst onder de ene goederencode was ingeklaard, maar dat dat niet juist was en vanaf dat moment onder de andere goederencode moest worden ingeklaard. Welke code de juiste is weet ik niet, daar heb ik ook geen verstand van. Ik heb de wijziging doorgegeven Trifor International omdat zij de aangifte ten invoer moesten opmaken. Ik denk dat vanaf dat moment ook op de nieuwe code die ik van A heb gekregen is ingeklaard door Trifor International BV. Nadien is er ook geen wijziging meer doorgegeven door A. Ik kan mij nog herinneren dat A opmerkte dat de eerder gedane aangiften onjuist waren gedaan. Deze mededeling heb ik op 28 februari 2001 of 1 maart 2001 van A gekregen en doorgegeven aan Trifor International BV. Dat ik de goederencodes op het faxbericht heb geschreven was omdat ik daarover telefonisch contact had met A. "

- Op 28 oktober 2003 is K, werkneemster van Trifor, gehoord door twee ambtenaren van de FIOD, vestiging Almelo. In het proces-verbaal van het verhoor is onder meer de volgende verklaring opgenomen:

" Ik heb geen aanspreekpunt bij B. Onze opdrachtgever is RP Forwarding te Barendrecht. Bij RP Forwarding had ik meestal contact met H. Daarnaast ook met L. Als er vragen waren stelden we die aan degene die de fax aan ons verstuurde. Of H of L dan vervolgens binnen RP Forwarding overlegden had ik natuurlijk geen zicht op.

(…)

(Vraag verbalisanten: Op welke wijze komt een aangifte ten invoer voor B BV tot stand? Antwoord gehoorde:) Ik kreeg een opdracht per fax binnen van RP Forwarding. Op dit faxbericht staan alle gegevens vermeld die ik nodig heb om een aangifte ten invoer op te maken. Dit zijn onder andere de voorafgaande douaneregeling, bootnaam, factuurbedrag - maar de factuur is ook altijd bijgevoegd - en de goederenomschrijving.

(…)

De opdracht om de aangifte op te maken komt van RP Forwarding te Barendrecht.

Ik zie op het faxbericht van RP Forwarding dat er een andere goederencode staat vermeld. Ik heb het nummer 8539.3900.90 en APS/0 op het faxbericht geschreven. Ik herken mijn handschrift. De reden waarom er een andere goederencode is gebruikt, moet ik u op dit moment schuldig blijven. Ik kan mij met geen mogelijkheid herinneren waarom ik dat nummer op het faxbericht heb geschreven.

Zoals ik al eerder heb gezegd gebruiken we het tarief van Kluwer. Als er wijzigingen komen verwerk ik die, maar ik lees ze niet allemaal. Ook de bijlagen waarin de antidumpingheffingen staan vermeld lees ik niet. Als er dergelijke wijzigingen intreden moeten die van de opdrachtgever bij ons binnenkomen.

Ik controleer een goederencode als hij voor mij nieuw is. Ik heb in dit geval de goederencode gecontroleerd omdat ik op het faxbericht de aantekening APS/0 heb geplaatst. Maar de reden waarom blijft voor mij een vraag. Het waren immers repeterende goederen. In die periode had ik contact met H van PR Forwarding. Ik weet dat er over is gesproken dat ik een goederencode voor fluorisentielampen moest wijzigen. (…)

De enige die mij opdracht zou kunnen hebben gegeven om de goederencode te wijzigen is RP Forwarding te Barendrecht. Maar bij RP Forwarding is volgens mij niet de kennis aanwezig om een goederencode op te zoeken. Zij moeten dan op hun beurt door hun opdrachtgever B BV zijn geïnformeerd. Ik heb nog nooit contact gehad met B BV. Alle contacten liepen via RP Forwarding. (…) "

- Op 11 november 2003 is M, directeur en eigenaar van een transport- en opslagbedrijf, gehoord door twee ambtenaren van de FIOD, vestiging Almelo. In het proces-verbaal van het verhoor is onder meer de volgende verklaring opgenomen:

" Vraag verbalisanten: Wat kunt u vertellen over anti dumping heffing in het algemeen?

Antwoord gehoorde: Nou, ik heb daar pas van gehoord van A, dat zal twee jaar geleden zijn. A heeft mij gezegd dat die belasting geheven wordt op spaarlampen afkomstig uit China. A heeft mij gezegd dat dat is als een soort bescherming tegen het Chinese product. A en ik hebben daar over gepraat in verband met het eventueel produceren van die lampen in een ander land dan China. (…)

Vrijenhoek zocht naar die mogelijkheid om de anti dumping heffing te ontlopen. Uiteraard ga je zelf ook vragen, waarom hij die mogelijkheid van assembleren in een ander land onderzocht.

A gaf dus het ontlopen van de anti dumping heffing als reden. (…)

A heeft mij twee jaar geleden gezegd dat de anti dumping heffing op spaarlampen uit China er was en dat dit assembleren elders een mogelijkheid was om die anti dumping heffing niet te hoeven betalen. A heeft ons vervolgens opdracht gegeven om de invoer van spaarlampen uit China te verzorgen, wij hebben deze opdracht uitgezet bij de firma N uit Cuijk. A heeft ons aangegeven dat wij de goederencode 8539390090 moesten gebruiken voor de spaarlampen uit China. (…)

Wij hebben N vervolgens doorgegeven deze code te gebruiken. Het is honderd procent zeker dat wij de gebruikte goederencode van A hebben gekregen. (…) "

- Op 12 november 2003 is O, planner bij D (hierna: D), gehoord door twee ambtenaren van de FIOD, vestiging Almelo. In het proces-verbaal van het verhoor is onder meer de volgende verklaring opgenomen:

" Wij zijn opgetreden als vervoerder en de douaneafhandeling is door ons doorgespeeld naar Bakker Logistiek in Zeewolde, met informatie over de goederencode die ons is doorgegeven door A van het bedrijf B B.V. (…) Vorige week heeft de heer P van Bakker Logistiek mij gebeld met de mededeling dat u bij hen was geweest en dat wij een verkeerde goederencode met betrekking tot de spaarlampen hadden doorgegeven aan Bakker. Ik ben mij van geen kwaad bewust, dus ik heb A gebeld en ik heb hem gevraagd of de door hem doorgegeven goederencode correct is. A zei dat hij de code aan ons opgegeven heeft aan de hand van informatie van de Duitse douane (…)

Vraag verbalisanten: Wie geeft aan welke goederencode gebruikt moet gaan worden op de aangifte ten invoer met betrekking tot de invoer van spaarlampen uit China?

Antwoord gehoorde: A heeft dat de eerste keer, bij de zending spaarlampen doorgegeven. (…) "

O heeft aan bedoelde ambtenaren van de FIOD voorts een fax overhandigd van 4 november 2003 waarin appellant aan D onder meer het volgende meedeelt:

"Zoals besproken, aangifte lampen kan gedaan zijn onder nummer 8539299290.

Deze goederencode hebben wij destijds opgekregen van de duitse douane, die destijds een controle hebben gedaan bij inklaring van de goederen in Duitsland.

De code 8539219290 is na mijn mening een type fout geweest en zou dus 8539299290 moeten zijn."

- Op 26 februari 2004 zijn aan appellant drie uitnodigingen tot betaling ter zake van antidumpingrechten gezonden.

De uitnodiging tot betaling met nummer 2004-0478-00003/01 13A NAV/04 betreft voornoemde 23 aangiften door Trifor in de periode van 1 maart 2001 tot en met 18 december 2001.

De uitnodiging tot betaling met nummer 2004-0478-00007/01 16A NAV/04 betreft voornoemde aangifte door DHL van 14 oktober 2002.

De uitnodiging tot betaling met nummer 2004-0478-00008/01 15A NAV/04 betreft voornoemde aangifte door Spido van 27 december 2002.

De uitnodigingen tot betaling zijn alle als volgt ondertekend:

" Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Enschede

de inspecteur

namens deze,

Drs. J. van der Vaart RA "

- Hiertegen heeft appellant bij drie brieven van 9 maart 2004, bij verweerder ingekomen op 10 maart 2004, bezwaar gemaakt.

- Op 14 juli 2004 is Q, bedrijfsleider van de firma Sacom, een van de afnemers van lampen van B BV, gehoord door ambtenaren van het Zollfahndungsamt te Frankfurt am Main, Dienstsitz Kaiserslautern. In het proces-verbaal van het verhoor is onder meer het volgende opgenomen:

" Erstmals habe ich im Bezug auf Einkäufe von Energiesparlampen etwas über Antidumpingzölle gehört. Ich wurde etwa 4 Monate vor der Einführung des Antidumpingzolls von meinen Lieferanten wie z.B. von B (…) informiert.

(…) Ich habe von meinen Lieferanten, wie z.B. B das EU-Blatt mit den entsprechenden Antidumpingzöllen zugesendet bekommen. Ich weis, dass der Antidumpingzoll bis zu 70% vom Einkaufspreis betrug. (…)

Frage: Welche Art (Spar) Lampen kaufen Sie von den Gesellschaften B/Well-Light und wo kommen sie her?

Antwort: Die normalen Energiesparlampen Zwei- und Dreirohrtechnik und die umantelten Energiesparlampen. Die Lampen kamen aus China, auch nach der Einführung des Antidumpingzolls. Er sagte mir, dass er ein Hersteller hat, bei dem der Antidumpingzoll nur etwa 4-5% beträgt und somit die Preise in etwa halten kann. (…)

Nach dem bekannt werden des Antidumpingverfahrens fragten wir, ob Herr Vrjinhoek nach Einführung des Antidumpingzolls noch zu den gleichen Konditionen liefern kann. Daraufhin deutete Herr A an, dass er aus anderen Ländern, die keinen Antidumpingzoll haben, liefern kann. Mit Antidumpingzoll seien die Energiesparlampen von Hernn A zu teuer gewesen. Er nannte außer Vietnam auch Albanien. Wir waren dann überrascht, dass er Energiesparlampen aus China lieferte. (…) "

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Het bestreden besluit is als volgt ondertekend:

" Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem

namens de Minister van Economische Zaken

de inspecteur

namens deze

P.R.J. van Duijnen "

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, kort weergegeven, overwogen dat appellant voor de invoer van spaarlampen uit China opdrachten tot inklaring heeft verstrekt aan diverse aangevers, rechtstreeks of via een transportbedrijf. De goederen zijn door een van de aangevers van appellant veelvuldig aangegeven onder de juiste goederencode 8539.3190, maar direct na de instelling van een antidumpingheffing op 9 februari 2001 heeft die aangever voor dezelfde goederen onjuiste goederencodes vermeld, aldus verweerder, en ook de andere aangevers hebben deze goederen niet meer aangegeven onder de juiste goederencode. Volgens verweerder wist appellant ruim van tevoren dat een antidumpingheffing zou worden ingesteld en heeft hij geprobeerd spaarlampen te kopen tegen dezelfde inkoopprijzen als uit China. Omdat dat niet lukte, heeft appellant volgens verweerder uiteindelijk bewust de goederencode gewijzigd of laten wijzigen en onjuist opgegeven voor het doen van de aangiften ten invoer. Verweerder heeft verder overwogen dat de aangiften ten invoer administratief zijn afgehandeld of hoogstens aan de hand van bescheiden zijn gecontroleerd.

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan onder meer toegevoegd dat de twee exemplaren van dezelfde fax van 28 februari 2001 als volgt verklaard worden. Het exemplaar met de twee goederencodes is het origineel dat RP heeft verzonden en waarop H naderhand met de pen de voorheen gebruikte en de nieuwe goederencode heeft geschreven. Het andere exemplaar is de door Trifor ontvangen fax, waarop K met de pen de nieuwe goederencode heeft vermeld.

4. Het standpunt van appellant

In de brief ter aanvulling van de beroepsgronden heeft appellant er op gewezen dat zijn administratie over de periode 1998 tot en met 2003 in beslag is genomen, zodat hij niet behoorlijk in de gelegenheid is het bestreden besluit te weerleggen. Verder heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat de inspecteur niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen, omdat de uitnodigingen tot betaling ook namens hem in mandaat zijn genomen.

Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat artikel 201, derde lid, CDW enkel van toepassing is indien en voorzover er geldende nationale bepalingen zijn die appellant aanwijzen als (mede)schuldenaar van een douaneschuld. Aangezien de Douanewet dergelijke bepalingen niet kent, kan hem geen antidumpingheffing worden opgelegd. Appellant heeft hiernaast betoogd dat niet is komen vast te staan dat hij onjuiste goederencodes heeft verstrekt aan RP of Trifor en in dit kader aangevoerd dat Trifor bij haar aangiften meerdere goederencodes heeft gebruikt voor de invoer van identieke lampen. Appellant acht het verder niet aannemelijk dat een douaneagent op voorspraak van een opdrachtgever plotseling de goederencode wijzigt en heeft aangevoerd dat de douaneagent R B.V. bij de invoer van spaarlampen reeds in 2000 de onjuiste goederencode 8539.3900.90 gebruikte. Daarnaast heeft appellant erop gewezen dat hij niet op de hoogte was van het gebruik van onjuiste goederencodes door Trifor. Verder betoogt appellant dat als hij al goederencodes heeft gesuggereerd, deze niet behoren tot de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens als bedoeld in artikel 201, derde lid, CDW. Het ging bovendien om feitelijk overbodige informatie voor degenen die de aangiften ten invoer opstelden. Hiernaast heeft appellant aangevoerd dat hij niet wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat bedoelde goederencodes verkeerd waren, gezien ook een document van de Duitse douane (Hauptzollamt Frankfurt a.M. Flughafen) waarin expliciet wordt vermeld dat spaarlampen moeten worden ingedeeld in goederencode 8539.2290.90. Tot slot stelt appellant dat iedere aangifte ten invoer op zijn afzonderlijke merites moet worden beoordeeld, en dat als inderdaad vast komt te staan dat hij eenmaal een onjuiste goederencode heeft doorgegeven, hij niet verantwoordelijk kan worden geacht voor de aangiften daarna waarin Trifor diezelfde goederencode heeft gebruikt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Wat betreft het betoog van appellant dat hij niet behoorlijk de gelegenheid heeft gehad om het bestreden besluit te weerleggen, omdat een deel van zijn administratie in beslag is genomen, stelt het College vast dat partijen over en weer hun standpunten naar voren hebben gebracht en zich over elkaars argumenten en overgelegde stukken hebben kunnen uitspreken. Bovendien heeft verweerder erop gewezen dat appellant sinds december 2004 weer over zijn volledige administratie beschikt, hetgeen appellant niet heeft betwist. Hieruit volgt dat appellant niet in zijn verdediging is geschaad.

5.2 Appellants standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat de inspecteur eveneens de uitnodigingen tot betaling heeft opgelegd, kan niet slagen. Nu degene die de uitnodigingen tot betaling in ondermandaat heeft opgelegd, een ander is dan degene die het bestreden besluit heeft genomen, is van strijd met artikel 10:3, derde lid, Awb geen sprake. Het College merkt overigens nog op dat het aan de uitnodigingen tot betaling klevende gebrek, dat in strijd met artikel 10:10 Awb niet is vermeld dat deze namens verweerder zijn opgelegd, met het bestreden besluit is hersteld.

5.3 Voorzover appellant stelt dat er geen nationale bepaling als bedoeld in artikel 201, derde lid, CDW is, mist die stelling feitelijke grondslag. Met artikel 54 Douanebesluit, dat is gebaseerd op artikel 3, in samenhang gelezen met de artikelen 1, vierde lid, en 2, tweede lid, Douanewet, is die nationale bepaling gegeven.

5.3.1 Appellant heeft verder argumenten aangevoerd waarom hij niet op grond van artikel 201, derde lid, derde volzin, CDW kan worden aangemerkt als schuldenaar voor de drie uitnodigingen tot betaling.

5.3.2 Het College oordeelt als volgt over de stelling van appellant dat een goederencode niet behoort tot de voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens. Het officiële model voor de schriftelijke douaneaangifte bevat het vakje 'goederencode', zodat dit een van de gegevens is die ingevolge artikel 217 TCDW moeten worden vermeld. Dat degenen die de aangiften ten invoer hebben opgesteld, uit de omschrijving van de goederen in de facturen als 'Energy Saving Lamps' zelf de juiste goederencode konden vaststellen, doet er - daargelaten de juistheid van die stelling - niet aan af dat de goederencode een voor de opstelling van de aangifte benodigd gegeven is.

5.3.3 Naar het oordeel van het College is ook voldaan aan het vereiste van artikel 201, derde lid, CDW dat appellant wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de goederencodes die waren vermeld in de aangiften ten invoer, verkeerd waren.

Volgens de verklaring van Q was appellant al vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende verordening op de hoogte van de (mogelijke) instelling van de antidumpingheffing en heeft appellant om die reden actief gezocht naar een mogelijkheid om door te gaan met de import van lampen zonder antidumpingheffing te hoeven betalen. Dit wordt bevestigd door de e-mails van 16 februari, 1 maart en 2 maart 2001, alsmede de verklaring van M. Gelet hierop is het College van oordeel dat appellant wist dat voor spaarlampen uit China vanaf 9 februari 2001 antidumpingheffing verschuldigd was. Die lampen moesten worden ingedeeld in goederencode 8539.3190. Naar het oordeel van het College volgt hieruit dat appellant wist of redelijkerwijze had moeten weten dat een andere code verkeerd was. De stelling van appellant dat de douaneautoriteiten hem nooit hebben geattendeerd op de onjuistheid van de gebruikte goederencodes, kan daar niet aan afdoen.

De verwijzing naar het 'Steuerbescheid' van het Hauptzollamt Frankfurt a.M. Flughafen van 7 maart 2002, gericht aan B B.V., kan appellant niet baten. Uit dat document blijkt dat de Duitse douaneautoriteiten van oordeel waren dat de ingevoerde 'Energiesparlampen', waarvoor in de aangifte goederencode 8539.3900.90 was opgegeven, onder goederencode 8539.2290.90.0 vielen. Dit oordeel, dat volgens verweerder onjuist is, wat daar verder van zij, staat er niet aan in de weg dat verweerder zelfstandig de goederencode van andere partijen lampen vaststelt en op grond van die vaststelling overgaat tot boeking van een douaneschuld ten aanzien van de invoer van die andere partijen. Bovendien moet worden opgemerkt dat het document van de Duitse douaneautoriteiten is opgesteld nadat al verscheidene malen lampen waren geïmporteerd en is goederencode 8539.2290.90.0 geen enkele keer vermeld in de aangiften ten invoer waarop het bestreden besluit betrekking heeft.

Het betoog van appellant dat al vóór de instelling van een antidumpingheffing een aangifte voor de invoer van spaarlampen onder de goederencode 8539.3900.90 is opgemaakt door R B.V., doet er niet aan af dat appellant in ieder geval ten tijde van de aangiften waarop de drie uitnodigingen tot betaling zien, wist of redelijkerwijze kon weten dat een andere goederencode dan 8359.3190 verkeerd was.

5.3.4 Tot slot is voor de toepassing van artikel 201, derde lid, CDW vereist dat appellant daadwerkelijk de goederencodes heeft verstrekt voor de aangiften waarop de drie uitnodigingen tot betaling zien.

Wat betreft de aangiften door Trifor, waarop de uitnodiging tot betaling met nummer 2004-0478-00003/01 13A NAV/04 ziet, overweegt het College het volgende. Volgens de verklaring van H was het appellant die - door tussenkomst van RP - de goederencodes leverde ten behoeve van het opmaken van de aangiften ten invoer door Trifor. Dit wordt bevestigd door de verklaring van K. Volgens haar is Trifor uitgegaan van de opgave van de goederencode door RP die zich daarbij moet hebben gebaseerd op informatie van appellant, omdat RP niet over de juiste expertise beschikte om goederen in te delen in een goederencode. De door verweerder gegeven verklaring voor de twee exemplaren van dezelfde fax van 28 februari 2001, waarop het nummer 8539.3900.90 wordt vermeld als te hanteren goederencode, acht het College voldoende aannemelijk. Het College is verder van oordeel dat ook sprake is van verstrekking, wanneer appellant de goederencode ten behoeve van een eerdere aangifte heeft verstrekt, maar hij beoogde dat die goederencode ook voor opvolgende aangiften zou worden gebruikt. Voldoende aannemelijk is dat daarvan voor wat betreft goederencode 8539.3900.90 in dit geval sprake is geweest, aangezien het steeds soortgelijke goederen waren die appellant importeerde. Dit wordt ondersteund door de verklaring van H dat het de bedoeling van appellant was dat de goederencode die hij ten behoeve van de aangifte van 1 maart 2001 heeft doorgegeven, ook voor daarop volgende aangiften zou worden gebruikt.

Voorzover het aangiften betreft waarop niet code 8539.3900.90 maar code 8539.2998.90 werd vermeld, heeft verweerder niet aangetoond dat laatstgenoemde code door appellant voor de opstelling van de aangifte is verstrekt. In zoverre schiet de motivering van verweerder van de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen de uitnodiging tot betaling met nummer 2004-0478-00003/01 13A NAV/04 tekort.

Wat betreft de aangifte door DHL, waarop de uitnodiging tot betaling met nummer 2004-0478-00007/01 16A NAV/04 ziet, moet worden vastgesteld dat geen van de verhoren of andere stukken die in het dossier zijn opgenomen, specifiek betrekking hebben op de verstrekking door appellant van de goederencode aan DHL. Derhalve heeft verweerder ook de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen deze uitnodiging tot betaling onvoldoende gemotiveerd.

Tot slot overweegt het College het volgende over de aangifte door Spido (ook wel aangeduid als Bakker Logistiek), waarop uitnodiging tot betaling met nummer 2004-0478-00008/01 15A NAV/04 ziet. Uit het verweerschrift moet worden afgeleid dat de aangifte door Spido is opgemaakt in opdracht van D, ten behoeve van appellant. Volgens de verklaring van O heeft appellant bij de eerste zending lampen de goederencode aan D opgegeven. Mede gelet op de fax van 4 november 2003 waarin appellant erkent een andere goederencode dan het juiste nummer 8539.3190 aan D te hebben opgegeven, acht het College daarmee voldoende aannemelijk dat appellant de goederencode aan D heeft verstrekt voor de aangifte door Spido. Overeenkomstig het in rubriek 5.3.3 overwogene, kan het betoog van appellant dat hij de door hem verstrekte goederencode aan een oordeel van Duitse douaneautoriteiten heeft ontleend, niet afdoen aan het feit dat appellant wist of behoorde te weten dat het een onjuiste goederencode betrof.

5.4 Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat het bestreden besluit, voorzover hierin is beslist op de bezwaren van appellant tegen de uitnodigingen tot betaling met de nummers 2004-0478-00003/01 13A NAV/04 en 2004-0478-00007/01 16A NAV/04, in strijd met artikel 7:12 Awb niet op een deugdelijke motivering berust. Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op voornoemde bezwaren moeten beslissen.

5.5 Het College acht ten slotte termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten van de aan appellant in beroep verleende rechtsbijstand. Deze worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--. Daarbij is uitgegaan van 1 punt voor het opstellen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voorzover hierin de bezwaren van appellant tegen de uitnodigingen tot betaling met de

nummers 2004-0478-00003/01 13A NAV/04 en 2004-0478-00007/01 16A NAV/04 ongegrond zijn verklaard;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op deze bezwaren te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken,

vastgesteld op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

- bepaalt dat de Staat het door appellant betaalde griffierecht van € 136,-- (zegge: honderdzesendertig euro) aan hem

vergoedt;

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. E.J.M. Heijs en mr. H.O. Kerkmeester, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 september 2006.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.B.L. van der Weele