Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY9789

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
AWWB 06/83
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/83 19 september 2006

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B (Duitsland), appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: ing. G.C.J. van Rooijen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 25 januari 2006, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 december 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen drie besluiten van 1 augustus 2005, waarbij verweerder zijn eerdere besluiten op de aanvragen akkerbouwsteun van appellant over de jaren 2001, 2002 en 2003 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen ( hierna: de Regeling) heeft herzien en reeds uitbetaalde steun heeft teruggevorderd.

Bij brief van 23 februari 2006 heeft appellant de gronden voor zijn beroep aangevuld.

Bij brief van 3 maart 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 27 maart 2006 heeft hij een verweerschrift ingediend.

Op 8 augustus 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellant zijn echtgenote, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij GeoRas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“ Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op

31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“ Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen “blijvend grasland”, “blijvende teelten”, “meerjarige gewassen” en “herstructureringsprogramma” de in bijlage I opgenomen definities.”

In de bedoelde bijlage staat:

“ Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag “oppervlakten” aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

(…)

3. Is evenwel opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte gedaan, dan wordt het betrokken bedrijfshoofd uitgesloten van:

a) de betrokken in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregeling voor het betrokken kalenderjaar, en

b) bij opzettelijk onjuiste aangifte, alle in artikel 1, lid l, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunregelingen voor het volgende kalenderjaar voor een oppervlakte die gelijk is aan die waarvoor zijn steunaanvraag is afgewezen.

(…)

Artikel 14

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen (…)

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 32

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(...)

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 49

Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

(...)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft in zijn aanvraag 2004 onder meer voor perceel 3 (4.46 ha) akkerbouwsteun aangevraagd.

- Op basis van een op 1 november 2004 gehouden teledetectieonderzoek heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, aan verweerder gerapporteerd dat genoemd perceel 3 gemeten is op 4.40 ha en dat van dit perceel het oostelijk gedeelte niet voldoet aan de definitie akkerland. Van het perceel voldoet slechts een oppervlakte van 2.62 ha.

- Verweerder heeft vervolgens conform deze bevinding van GeoRas op de aanvraag 2004 beslist.

- Het perceel 3 overlapt de percelen 1 (4.20 ha) en 2 (4.20 ha) die appellant in zijn aanvragen 2001, 2002 en 2003 telkens voor steun heeft opgegeven. Dit is voor verweerder aanleiding geweest zijn eerdere besluiten op de aanvragen over 2001, 2002 en 2003 te herzien bij 3 besluiten van 1 augustus 2005.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2001 heeft verweerder van perceel 1 slechts 2.62 ha als geconstateerd aangemerkt en van perceel 2 slechts 4.00 ha.

Met toepassing van artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 heeft verweerder vervolgens de volledige op de aanvraag 2001 reeds uitbetaalde steun ad € 3497,70 teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2002 heeft verweerder van perceel 1 slechts 2.62 ha als geconstateerd aangemerkt en van perceel 2 slechts 4.00 ha.

Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EEG) nr. 2419/2001 heeft verweerder vervolgens de volledige op de aanvraag 2002 reeds uitbetaalde steun ad

€ 3177,31 teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2003 heeft verweerder van perceel 1 slechts 2.62 ha als geconstateerd aangemerkt en van perceel 2 slechts 4.00 ha.

Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EEG) nr. 2419/2001 heeft verweerder vervolgens de volledige op de aanvraag 2003 reeds uitbetaalde steun ad

€ 3084,96 teruggevorderd.

- Tegen deze drie terugvorderingsbesluiten heeft appellant bij brieven van 8 augustus 2005, die, blijkens de ontvangstbevestiging die verweerder heeft gestuurd, op dezelfde dag bij verweerder werden ontvangen, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 12 december 2005 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Door middel van satellietbeelden en de interpretatie daarvan door GeoRas is gebleken dat de in rubriek 2.2 van deze uitspraak genoemde percelen uit de aanvragen oppervlakte 2001, 2002 en 2003 in de referentiejaren 1987 tot en met 1991 gedeeltelijk met gras beteeld zijn geweest en dus niet voldoen aan de definitie akkerland.

Om de interpretatie van de satellietbeelden te weerleggen is bewijs op perceelsniveau een vereiste. Appellant dient derhalve aan te tonen dat genoemde percelen in één van de jaren 1987 tot en met 1991 anders dan als grasland in gebruik is geweest en daarmee voldoen aan de definitie van akkerland. Appellant is hierin niet geslaagd.

Appellant heeft aangevoerd dat er mogelijk andere gewassen dan maïs werden geteeld in de referentieperiode. De percelen kunnen ook braak hebben gelegen of zijn benut voor de set-aside regeling. De percelen hebben volgens appellant eind 1991 braak gelegen met de bedoeling daarop een akkerbouwgewas te gaan telen in 1992. Daarnaast is er mogelijk sprake geweest van een kunstweide. Voor geen van deze mogelijkheden heeft appellant evenwel concreet nader bewijs geleverd.

Tijdens de hoorzitting heeft GeoRas aan de hand van beelden uit 1992 aangetoond dat er op het perceel ook in 1992 geen akkerbouwgewas heeft gestaan. Dat er onder de maïs gras zou zijn geteeld betekent niet dat op de satellietbeelden dan geen maïs meer kan worden waargenomen. Integendeel, de maïs laat weinig licht door, waardoor het gras laag blijft en dus blijft de maïs goed zichtbaar.

Het begrip “kunstweide” dient op basis van diverse rapporten en boeken gelijk te worden gesteld met tijdelijk grasland. De gangbare definitie daarvoor is : “Grasland dat in de normale graswisseling is opgenomen en dat bestemd is om binnen 4 tot 5 jaar te worden gescheurd. Van belang is hier ook de definitie van blijvend grasland genoemd in de bijlage van Verordening 2316/1999. Teneinde tijdelijk grasland te onderscheiden van blijvend grasland wordt de grens van vijf jaar aangehouden. Dit betekent dat wanneer een perceel vijf jaar of langer voor gras wordt gebruikt, zonder dat intussen het gras is verwijderd en er een ander gewas is ingeplant, er sprake is van blijvend grasland.

Indien gedurende de vijf referentiejaren op een perceel gras heeft staan en in 1992 een akkerbouwgewas is geteeld, kan men niet stellen dat er met terugwerkende kracht sprake is van wisselteelt. Deze interpretatie zou er immers toe leiden dat dan per 31 december 1991 het landbouwareaal zou toenemen. Dat is uitdrukkelijk in strijd met het in de Verordeningen (EG) 1765/92 en (EG) 1251/1999 neergelegde uitgangspunt dat het landbouwareaal na 31 december 1991 niet mag toenemen.

Ten onrechte stelt appellant dat de afgewezen oppervlakte in relatie tot de oppervlakte van perceel uit de aanvraag 2004 niet inzichtelijk is bepaald. Perceel 3 overlapt in zijn geheel de percelen 1 en 2 uit de aanvragen 2001, 2002 en 2003 en dus is het deel van de laatste percelen dat onder perceel 3 valt in zijn geheel niet steunwaardig.

GeoRas heeft exact aangegeven dat de topografische ondergrond op de satellietbeelden, anders dan appellant stelt, wel strookt met de toenmalige perceelsindeling.

Het beroep dat appellant doet op de afwezigheid van schuld als bedoelt in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kan niet slagen. Appellant heeft immers met het opgeven van niet steunwaardige percelen geen juiste gegevens verstrekt. Het opgeven van percelen waarvan de aanvrager niet wist of deze steunwaardig waren valt de aanvrager aan te rekenen.

Voorzover appellant zich beroept op het ontstaan van vertrouwen, omdat verweerder in het verleden aanvragen minder fijnmazig heeft gecontroleerd en daardoor de betrokken percelen ten onrechte als akkerland heeft geaccepteerd, meent verweerder dat dit er niet aan de in de weg staat dat later aan meer gedetailleerde gegevens wordt getoetst zoals satellietbeelden, die inmiddels ter beschikking van verweerder zijn gekomen. Evenmin beletten deze omstandigheden verweerder om terug te komen van eerdere besluiten.

De stelling dat appellant schade heeft geleden doordat deze fijnmazige controle niet eerder heeft plaatsgevonden gaat er aan voorbij dat dit niet mogelijk was omdat verweerder pas eind 2004 de beschikking had over de gebruikte satellietbeelden. Bovendien miskent appellant dat hij zelf verantwoordelijk is voor het verstrekken van de juiste gegevens.

Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake, nu de Europese wetgever een naar verweerders oordeel evenredig stelsel van sancties in deze Verordeningen heeft neergelegd.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

De bewuste percelen hebben eind 1991 zwart gelegen ten behoeve van de teelt van een akkerbouwgewas in 1992. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder in dit verband beelden uit het voorjaar 1992 daadwerkelijk heeft onderzocht. Evenmin blijkt dat beelden uit najaar 1986 zijn onderzocht hetgeen wel had gemoeten nu de percelen in wisselteelt werden bebouwd.

Ten onrechte gaat verweerder er aan voorbij dat de teelt van gras als ondergewas bij de teelt van maïs na de oogst van maïs direct een kleurschakering als van grasland oplevert. De kale grond is dan in ieder geval niet zichtbaar.

De overgang van blijvend grasland naar kunstweide, dan wel tijdelijk grasland is op satellietbeelden niet waar te nemen. Verweerder dient te motiveren waarom een periode van gebruik als kunstweide gevolgd door een periode gras moet leiden tot de conclusie dat er dus sprake was van blijvend grasland. Appellant meent dat het gebruik als kunstweide betekent dat er geen sprake is geweest van blijvend grasland. Daarom meent verweerder ten onrechte dat er sprake zou zijn van toename van het landbouwareaal als er sprake is van de teelt van een akkerbouwgewas in 1992

Uit de overgelegde verklaringen van C, de pachter tot 1994, loonbedrijf D en E blijkt dat op de betreffende percelen maïs is verbouwd en dat de door GeoRas gegeven interpretatie van de satellietbeelden dus niet juist is. Daarenboven is het satellietbeeld verschoven ten opzichte van de topografische kaart als ondergrond.

Appellant heeft nooit anders geweten dan dat hij in 1995 steunwaardige percelen heeft verkregen. Daarin wordt hij gesteund door de verklaringen van 3 personen. Onder die omstandigheden treft appellant geen schuld van het - naar de mening van verweerder- opgeven van niet steunwaardige percelen.

Tenslotte doet appellant een beroep op opgewekt vertrouwen vanwege toezeggingen die hem gedaan zijn bij de kavelruil “de Pastorie” in 2004/2005.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92, respectievelijk artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, is verweerder verplicht ieder jaar vijf procent van de aanvragen om akkerbouwsteun aan een gedegen onderzoek te onderwerpen. Van dat onderzoek, dat mede met behulp van teledetectie kan plaatsvinden, kan deel uitmaken een onderzoek naar het gebruik van de opgegeven percelen op 31 december 1991, in verband met het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999.

De interpretatie van satellietbeelden vergt een niet geringe mate van deskundigheid. Het is in vele gevallen niet mogelijk om met behulp van een simpel schema op basis van de daarop zichtbare kleurverschillen tot een eenduidige conclusie over de aanwezigheid van bepaalde beplanting op een bepaald moment te geraken. Dat neemt niet weg dat er betrouwbare informatie aan valt te ontlenen.

GeoRas is een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Indien op basis daarvan niet kan worden vastgesteld dat een perceel op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was en dat derhalve voor dat perceel op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 een betalingsaanvraag kan worden ingediend, mag van de aanvrager verwacht worden dat deze de premiewaardigheid van het perceel alsnog aannemelijk maakt.

De aanvrager kan dit allereerst doen door gemotiveerd aan te voeren dat verweerder en/of GeoRas ten onrechte de conclusie hebben getrokken dat de beelden onvoldoende grondslag bieden om een perceel premiewaardig te achten. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als aanwijsbaar beelden van een verkeerd perceel bestudeerd zijn of als de beelden verkeerd geïnterpreteerd zijn en wel degelijk uitwijzen dat sprake is geweest van een gebruik anders dan als bedoeld in artikel 7.

De aanvrager kan de premiewaardigheid van een perceel voorts aannemelijk maken door feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het perceel in een of meer referentiejaren niet alleen als grasland in gebruik is geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien een stuk wordt overgelegd waaruit blijkt dat op het perceel in één van de referentiejaren een akkerbouwgewas is geteeld, zeker als dit gebruik in overeenstemming met de beelden kan worden gebracht. Volgens vaste jurisprudentie van het College kan daarbij geen vorm van bewijs op voorhand worden uitgesloten en dient bij de waardering van het aangebrachte bewijs rekening gehouden te worden met het feit, dat het tijdsverloop na de periode van 1987 tot en met 1991 de mogelijkheid van bewijslevering ongunstig beïnvloedt. Het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietbeelden wordt afgeleid, kan in beginsel alleen per perceel geleverd worden.

Uitgangspunt bij de beoordeling is in beide gevallen dat het niet aan verweerder is overtuigend te bewijzen dat een perceel niet premiewaardig is, maar aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat een voor subsidie opgegeven perceel premiewaardig is. Het is immers de verantwoordelijkheid van de aanvrager te onderbouwen dat hij voor de door hem aangevraagde subsidie in aanmerking komt, zodat van hem bewijs ter zake mag worden gevraagd. Verweerder neemt dan ook op goede gronden het standpunt in dat hij na controle geen steun mag verstrekken als er niet van kan worden uitgegaan dat het daarvoor in aanmerking gebrachte perceel aan de voorwaarden voldoet.

5.2 Uit de vanwege GeoRas ter zitting gegeven toelichting is het College gebleken dat GeoRas met betrekking tot perceel 3 uit de aanvraag 2004 het westelijk gedeelte, dat wel aan de definitie akkerland voldoet, in het voordeel van appellant aan de ruime kant heeft gemeten. Indien het beeld, zoals appellant betoogt, niet juist zou zijn ingetekend en meer naar rechts had moeten worden ingetekend, zou het niet aanvaarde perceelsgedeelte groter zijn geweest dan nu berekend.

Het College ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de door de deskundige van GeoRas gegeven interpretatie van de satellietbeelden te twijfelen. Appellant is er naar het oordeel van het College niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er sprake zou zijn van een door GeoRas onjuist ingetekend beeld.

5.3 Appellant baseert zijn stelling dat bij iedere teledetectiecontrole, waaronder de onderhavige, ook beelden van najaar 1986 en voorjaar 1992 bestudeerd moeten worden op de “Technical recommendations for the 2000 campaign of control with remote sensing of arable and forage land area-based subsidies”.

Onder 5.3.2 van deze Recommendations staat het volgende vermeld:

“For the 1986-1991 reference period checks, one spring and one autumn image for each year between 1987 and 1991 should be identified, as well as from the end of 1986 and, possibly, one from the beginning of 1992. The latter data should be used in cases, where certain farmers may claim to have cultivated the ground after the autumn image but before 31 December.”

Het College stelt vast dat appellant niet heeft kunnen aangeven wat hij met een voorjaarsbeeld van 1992 wil aantonen. Hij heeft slechts gesteld dat perceel 3 eind 1991 wellicht zwart heeft gelegen met het oog op de inzaai van een akkerbouwgewas in 1992.

Iedere aanwijzing dat het land na de beelden van 2 september 1991 en 29 oktober 1992, maar vóór 31 december 1991, is bewerkt, ontbreekt derhalve. In dat geval kan een voorjaarsbeeld van 1992 naar het oordeel van het College niet bijdragen aan het bewijs dat het land aan het einde van de referentieperiode niet langer in gebruik was als grasland.

De mening van appellant dat hij tekort is gedaan, omdat de “Technical Recommendations” standaard de bestudering van een najaarsbeeld uit 1986 en een voorjaarsbeeld uit 1992 voorschrijven, deelt het College niet.

5.4 De stelling van appellant dat er gedurende de referentieperiode sprake zou zijn geweest van een kunstweide is evenmin met enig nader bewijsstuk onderbouwd. Opmerkelijk is dat voormalig pachter Brals geen melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van een kunstweide. Daarnaast heeft appellant zelf niet heeft aangegeven in welk jaar er een kunstweide zou zijn geweest. Het College kan daarom slechts concluderen dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het land in gebruik is geweest als kunstweide. Onder die omstandigheden behoeft het College niet in te gaan op de vraag of de aanwezigheid van een kunstweide kan leiden tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van blijvend grasland gedurende de vijf referentiejaren.

5.5 Het College acht het denkbaar dat een aanvrager, die gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 niet als eigenaar, pachter of anderszins bij het gebruik van een perceel betrokken was en die zich aanwijsbaar omtrent het gebruik van een perceel in de bewuste periode geïnformeerd heeft en in dat kader vóór de indiening van zijn aanvraag schriftelijke bescheiden verkregen heeft, waaruit in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat het perceel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet, op grond van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan oplegging van een sanctie kan ontkomen.

Dergelijke bescheiden zijn door appellant niet overgelegd. Nu appellant nagelaten heeft vooraf na te gaan of de betrokken percelen aan de voorwaarden voor steunverlening voldeden kan hij niet met vrucht een beroep doen op genoemd artikel 44.

Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. In dat verband kan geen betekenis worden toegekend aan een kavelruil die heeft plaatsgevonden, nadat appellant de steunaanvragen voor de jaren 2001, 2002 en 2003 had gedaan.

5.6 Het College heeft in vaste jurisprudentie aanvaard dat verweerder de aanvragen eerst minder fijnmazig controleert en pas later toetst aan meer gedetailleerde gegevens als satellietbeelden. Tegen die achtergrond kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

5.7 Verweerder was voorts verplicht de sanctie van artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 (voor het jaar 2001) en van artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 (voor de jaren 2002 en 2003) toe te passen. Het College verwijst ter zake naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 19 november 2002, C-304/00, Jur. I-10737, inzake W.H. Strawson (Farms) Ltd en J.A. Gagg & Sons (a firm). Daaruit blijkt dat, indien een aanvrager gedurende enkele jaren achtereen een grotere oppervlakte aanvraagt dan geconstateerd wordt, als zulks eenmaal is vastgesteld en op basis daarvan de toekenning van steun herzien wordt, voor ieder van die jaren de uit Verordening (EEG) nr. 3887/92 dan wel Verordening (EG) nr. 2419/2001 voortvloeiende sancties opgelegd dienen te worden, onverminderd de verjaringstermijn bepaald in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95. Dit betekent

dat ter zake van een gelijke overtreding in meerdere jaren achteraf over ieder jaar een sanctie moet worden opgelegd. Naar het Hof heeft vastgesteld, is zulks niet in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel.

5.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2006.

w.g. F.Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas