Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY9637

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
06-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/890
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen - Aanwezigheidsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/890 4 oktober 2006

29010

Uitspraak in de zaak van:

Hocuram B.V., te Leiden, appellante,

gemachtigde: drs. R.J. Dobbelaar, jurist te Leiden,

tegen

de burgemeester van Leiden, verweerder,

gemachtigden: mr. E.A.B. Pluyter, J. Stikvoort en drs. A.J. Imthorn, allen werkzaam bij de gemeente Leiden.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 12 december 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 november 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering tot verlening van een vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten op grond van de Wet op de Kansspelen (hierna: de Wet).

Op 10 februari 2006 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 18 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 20 september 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet is onder meer het volgende bepaald.

“ Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…)

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

(…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

(…)

4. Indien zich binnen een laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan wordt deze lokaliteit als hoogdrempelige inrichting aangemerkt voor de toepassing van deze titel, indien:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

b. de overige ruimten in die inrichting voor het publiek uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst deze lokaliteit te betreden.

(…).

Artikel 30e

1. De vergunning wordt geweigerd indien:

a. door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde;

(…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een horeca-inrichting onder de naam A aan [adres] te Leiden en is in het bezit van een geldige vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (hierna: D&H-vergunning). De inrichting bestaat, blijkens de D&H-vergunning, uit drie lokaliteiten, aangeduid als café, disco en bovenlokaliteit.

- Op 2 februari 2005 heeft appellante een aanwezigheidsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van twee kansspelautomaten in zijn inrichting, genaamd A.

- Bij besluit van 14 maart 2005 heeft drs. A.J. Imthorn, medewerker Bijzondere wetten bij de gemeente Leiden, namens de burgemeester en wethouders van Leiden met toepassing van artikel 30c, vierde lid, van de Wet een aanwezigheidsvergunning verleend voor het plaatsen van twee kansspelautomaten in het besloten cafégedeelte van appellantes inrichting.

- Bij brief van 18 april 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit, voorzover het haar niet is toegestaan de kansspelautomaten in het discogedeelte te plaatsen.

- Bij brief van 15 juni 2005 heeft appellante een aanvullend bezwaarschrift ingediend.

- Op 8 juli 2005 is appellante gehoord omtrent haar bezwaar.

- Op 26 september 2005 heeft de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften verweerder geadviseerd omtrent het door appellante gemaakte bezwaar.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, conform en onder overneming van het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, het bezwaar ongegrond verklaard. In dit advies is onder meer het volgende overwogen.

“ Allereerst constateert de Commissie dat het bestreden besluit namens het College door een medewerker Bijzondere Wetten genomen is. Vaststaat dat de betreffende vergunningverlening op de grond van de Wok niet een bevoegdheid van het College, maar van de Burgemeester is. Het is de Commissie gebleken dat van een expliciet besluit tot mandaatverlening (de bevoegdheid om in naam van de Burgemeester besluiten te nemen) aan een medewerker Bijzondere Wetten geen sprake is. (…) De Commissie gaat er vanuit dat de Burgemeester het in het geding zijnde besluit voor zijn rekening neemt in die zin dat het besluit wordt geacht te zijn genomen door dan wel namens de Burgemeester. (…)

Vaststaat dat de grote ruimte van de inrichting genaamd A beschikt over een dansvloer, benodigde geluidsapparatuur en verlichting. De café- en dansactiviteiten spelen zich af in dezelfde ruimte. Daarbij is het de Commissie duidelijk geworden dat er regelmatig dj’s worden ingehuurd op de dansavonden. De Commissie gaat er aldus vanuit dat aan de frequente, steeds terugkerende dansactiviteiten een zelfstandige betekenis in de inrichting als geheel in casu niet kan worden ontzegd en dat de Burgemeester in casu terecht heeft aangenomen dat voornoemde activiteiten niet als ondersteunend aan het cafébezoek kunnen worden beschouwd, maar activiteiten zijn die een zelfstandige stroom bezoekers trekken. Gelet ook op de omstandigheden van het geval heeft de Burgemeester met het oog op de vaste jurisprudentie van de Wok naar het oordeel van de Commissie vervolgens terecht geconcludeerd dat het dansen aldaar is te bestempelen als een activiteit met een laagdrempelig karakter. (…) De omstandigheid dat de activiteiten van A gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder, maakt dit niet anders. De bestrijding van gokverslaving richt zich immers niet uitsluitend op jonge leeftijdsgroepen.

(…)

Wat betreft klagers verzoek om op een wetswijziging vooruit te lopen, merkt de Commissie op dat een aanvraag moet worden beoordeeld aan de hand van regelgeving zoals deze thans luidt. (…)”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft samengevat het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft appellantes inrichting jarenlang als hoogdrempelig beschouwd. Met de eerder verleende vergunning zijn verwachtingen gewekt, die thans – strijdig met het vertrouwensbeginsel – in ernstige mate worden geschonden. Dat in een eerder stadium slechts een tijdelijke vergunning is verleend hangende nader onderzoek, heeft appellante nimmer mogen begrijpen. Voorts is niet gebleken van een nader onderzoek door verweerder.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit geheel ten onrechte aan het dansaspect van A zelfstandige betekenis in de zin van de Wet toegekend. Appellante is van mening dat haar inrichting in zijn totaliteit wel degelijk hoogdrempelig is. In de grote ruimte wordt weliswaar deels geëxploiteerd voor dansactiviteiten, maar de dansvloer is van zeer bescheiden omvang, een dj is slechts op een beperkt aantal avonden aanwezig en de bars met de bijpassende barvloer domineren de ruimte. Daarnaast is de toegang van A louter tot een select publiek afgestemd, zijnde leden-studenten met een pasje ouder dan 18 jaar. De toegang heeft hiermee een hoogdrempelig karakter, waarmee de aanwezigheidsvergunning voor de kansspelautomaten wel degelijk in de grote ruimte kan worden gecontinueerd.

Verweerder heeft nagelaten gedegen onderzoek uit te voeren. Hij heeft zijn oordeel slechts gebaseerd op uittreksels van de internetsites van appellante. Deze geven slechts een selectief beeld van de activiteiten in de inrichting. Niet is gebleken dat verweerder inzicht heeft verworven in de daadwerkelijke situatie ter plaatse. Verweerder is op basis van onjuiste gegevens tot een onjuiste beslissing gekomen.

Onduidelijk is welke criteria verweerder hanteert ter zake van de toetsing van de hoog- en laagdrempeligheid van een inrichting. Appellante meent dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu andere qua wijze van opzet gelijke horecabedrijven in Leiden nog steeds in het bezit zijn van een aanwezigheidsvergunning.

5. De beoordeling van het geschil

Om een inrichting als hoogdrempelig te kunnen aanmerken, is, voozover hier van belang, ingevolge artikel 30, aanhef en onder d, ten eerste, van de Wet vereist dat in de desbetreffende inrichting naast het cafébezoek geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Het oordeel of zulks het geval is dient te worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie.

Het College is op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting van oordeel dat verweerder het gedeelte van de inrichting – dat in de D&H-vergunning vermeld staat als disco – terecht als laagdrempelig heeft aangemerkt. Het betreffende gedeelte van de inrichting heeft een oppervlakte van 475 m², beschikt over de benodigde geluidsapparatuur, discoverlichting en een dansvloer en voert de naam ‘Danssalon A’. In de ruimte worden wekelijks disco-activiteiten (met dj) gehouden, terwijl er ook anderszins feesten plaatsvinden. Aan deze dans- en feestactiviteiten heeft verweerder terecht een zelfstandige betekenis in de zin van artikel 30, onder d, ten eerste, van de Wet toegekend.

Het College deelt appellantes standpunt, dat geen gedegen onderzoek naar de feitelijke exploitatie van de inrichting is verricht, niet. Verweerder heeft zijn oordeel gebaseerd op basis van een onderzoek ter plaatse en de informatie van de website van appellante. De aldus verkregen gegevens rechtvaardigen de conclusie dat het discogedeelte laagdrempelig is.

Appellantes beroep op het gelijkheidsbeginsel kan reeds niet slagen, nu zij dit beroep niet met concrete gevallen heeft onderbouwd. Bovendien reikt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat verweerder gehouden zou zijn om aan appellante in strijd met de Wet een vergunning te verlenen.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat appellante jarenlang voor de gehele inrichting een vergunning heeft gehad, betekent niet dat zij er op mocht vertrouwen dat ook de aanvraag van 2 februari 2005 volledig zou worden gehonoreerd. Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 mei 2004, waarbij een aanwezigheidsvergunning voor de gehele inrichting voor 1 maart 2004 tot en met 28 februari 2005 werd afgegeven, uitdrukkelijk aangegeven dat er twijfel was gerezen over de hoogdrempeligheid van de inrichting, dat nader onderzoek zou worden verricht en dat de vergunning in het kader van een overgangsregeling tot de herevaluatie nog éénmalig werd verleend. Appellante mocht er dan ook niet op vertrouwen dat ook haar aanvraag van 2 februari 2005 voor de gehele inrichting zou worden ingewilligd.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. M.S. Hoppener