Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY9554

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/905
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EGE-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/905 1 september 2006

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: mr. drs. A.E.T.M. van de Camp, advocaat te Uden,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: ing. G.C.J. van Rooijen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 21 december 2005, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 november 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de terugvordering van aan hem uitbetaalde steun op grond van zijn aanvragen voor de jaren 2001, 2002 en 2003 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij een op 24 januari 2006 ter griffie ontvangen brief heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft bij brief van 31 januari 2006 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 14 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 21 juli 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunt nader hebben toegelicht. Tevens is het woord gevoerd door

appellant en zijn echtgenote. Verweerder werd bijgestaan door drs. M. Honig, werkzaam bij Georas.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 6

1. De braakleggingsverplichting wordt voor elke producent die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend en dat op grond van deze verordening uit productie wordt genomen.

Het basispercentage van de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op 10 % vanaf verkoopseizoen 2000/2001 tot verkoopseizoen 2006/2007.

2. (…)

7. Producenten die een betalingsaanvraag indienen voor een kleinere oppervlakte dan die welke volgens de voor hun regio vastgestelde opbrengsten nodig is om 92 ton granen te produceren, zijn vrijgesteld van de braaklegverplichting. (…)

Artikel 7

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op

31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“ Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen “blijvend grasland”, “blijvende teelten”, “meerjarige gewassen”en “herstructureringsprogramma” de in bijlage I opgenomen definities.”

In bedoelde bijlage staat:

”Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steunbedragen en premies is gewaarborgd.

(…)

3. De controles ter plaatse betreffen ten minste een belangrijke steekproef uit de aanvragen. Deze steekproef moet bestaan uit ten minste:

- (…)

- 5 % van de steunaanvragen "oppervlakten".

(…)

Artikel 9

1. (…)

2. Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ''oppervlakten'' aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3% van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.

Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

De bovenbedoelde verlagingen worden niet toegepast indien het bedrijfshoofd het bewijs levert dat hij voor de bepaling van de oppervlakte op correcte wijze is uitgegaan van informatie die door de bevoegde instantie wordt erkend.

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden het voederareaal, de braakgelegde oppervlakte en de oppervlakten met verschillende akkerbouwgewassen waarvoor een verschillend steunbedrag geldt, elk alleen en afzonderlijk in aanmerking genomen.

3. (…)

Artikel 14

1. In geval van onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht dat bedrag terug te betalen (...).

(…)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd, dat derhalve volledig te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)"

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 15

Algemeen beginsel

De administratieve controles en de controles ter plaatse worden zo uitgevoerd dat op betrouwbare wijze kan worden geverifieerd of aan de voorwaarden voor toekenning van steunbedragen is voldaan.

Artikel 18

(…)

1. De controles ter plaatse betreffen jaarlijks ten minste:

a) 5 % van alle bedrijfshoofden die een steunaanvraag "oppervlakten" indienen;

(…)

3. Wanneer is bepaald dat onderdelen van een controle ter plaatse door middel van een steekproef mogen worden uitgevoerd, moet deze steekproef een betrouwbaar en representatief controleniveau waarborgen. De lidstaten bepalen de criteria voor de samenstelling van de steekproef. Komen bij de steekproeven onregelmatigheden aan het licht, dan wordt de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Artikel 23

Teledetectie

1. Onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden kunnen de lidstaten voor de in artikel 18, lid 1, onder a), bedoelde steekproef teledetectie gebruiken in plaats van traditionele middelen voor een controle ter plaatse. (…)

(…)

Artikel 32

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconsteerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

(...)

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

(...)

Artikel 49

Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen (…).

(...)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met zijn aanvraag oppervlakten 2004 heeft appellant onder meer de maïspercelen 13 (opgegeven voor 1.65 ha) en 15 (opgegeven voor 1.00 ha) en het perceel 14 met groene braak (opgegeven voor 1.70 ha) aangemeld voor akkerbouwsteun.

- Naar aanleiding van deze aanvraag heeft GeoRas, het bureau dat verweerder in dergelijke zaken adviseert, een teledetectiecontrole uitgevoerd. Daarbij is gebleken dat de percelen 13, 14 en 15 gezamenlijk een oppervlakte hebben van 4.27 ha. De gezamenlijke oppervlakte van 4.27 ha voldoet niet aan de definitie akkerland.

- Naar aanleiding van de bevindingen van GeoRas heeft verweerder bij zijn beslissing op de aanvraag 2004 van 27 december 2004 onder meer overwogen dat genoemde percelen als niet steunwaardig moeten worden aangemerkt. Een tegen dit besluit gericht bezwaar heeft verweerder bij besluit van 20 mei 2005 ongegrond verklaard. Hiertegen is door appellant geen beroep ingesteld bij het College.

- In zijn aanvraag oppervlakten 2001 heeft appellant de percelen 13, 14 en 15 uit de aanvraag 2004, als maïsperceel 4 met een oppervlakte van 4.30 ha, voor akkerbouwsteun opgegeven.

In zijn aanvraag oppervlakten 2002 heeft appellant de oppervlakte van de percelen 13, 14 en 15 uit de aanvraag 2004, onder de nummers 10 (groot 0.54 ha en met gewas snijmaïs) en 11 (groot 3.81 ha en opgegeven als groene braak) voor akkerbouwsteun opgegeven.

In zijn aanvraag oppervlakten 2003 heeft appellant de percelen 13, 14 en 15 uit de aanvraag 2004, als perceel 13 (groot 3.52 ha en opgegeven als groene braak) en perceel 14 (groot 0.80 en beteeld met snijmaïs) voor akkerbouwsteun opgegeven.

- Het feit dat appellante de niet steunwaardig bevonden percelen 13, 14 en 15 ook voor steun heeft opgegeven in de jaren 2001, 2002 en 2003 is voor verweerder aanleiding geweest de reeds genomen beslissingen op de aanvragen over die jaren te herzien en de reeds betaalde akkerbouwsteun terug te vorderen. Dit heeft geleid tot een drietal op 1 augustus 2005 gedateerde herzieningsbesluiten.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2001 heeft verweerder het maïsperceel 4 voor slechts 0.03 ha premiewaardig bevonden.

Aangezien appellant in 2001 in totaal 13.17 ha maïs voor steun heeft opgegeven is door het alsnog niet aanvaarden van perceel 4 een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte maïs ontstaan, dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte, 47,98 % bedraagt. Verweerder heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en vastgesteld dat voor de gewasgroep maïs geen steun kan worden toegekend. Daarom heeft hij het op deze aanvraag reeds uitbetaalde steunbedrag (inclusief een nabetaling) van € 5483,87 teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2002 heeft verweerder van het maïsperceel 10 slechts 0.08 ha als steunwaardig aangemerkt. Het perceel groene braak met volgnummer 11 van 3.81 ha heeft verweerder in zijn geheel niet steunwaardig bevonden.

Binnen de gewasgroep maïs ontstaat door het grotendeels niet aanvaarden van perceel 10 een verschil tussen de aangevraagde oppervlakte van 30.24 ha en de geconstateerde oppervlakte, dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte 1.54 % bedraagt. Met toepassing van artikel 31, tweede lid van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is dan de geconstateerde oppervlakte uitgangspunt voor de voor maïs toe te kennen steun.

Binnen de gewasgroep braak is door het alsnog niet aanvaarden van perceel 11 een verschil tussen de aangevraagde oppervlakte van 3.81 ha en de geconstateerde oppervlakte ontstaan, dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte, meer dan 20% bedraagt. Met toepassing van artikel van artikel 32 van Verordening (EG)

nr. 2419/2001 is daarom geen steun toegekend voor de gewasgroep braak. Door het niet aanvaarden van het braakperceel 11 voldoet appellant tevens niet meer aan zijn minimale braakverplichting. Verweerder heeft de voor maïs toe te kennen steun daarom beperkt tot de oppervlakte die nodig is voor de productie van 92 ton maïs overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1251/1999, te weten 13.81 ha.

Gevolg hiervan is dat van de op de aanvraag 2002 reeds uitbetaalde steun ad

€ 12516,69 een bedrag van € 7291,20 wordt teruggevorderd.

- Bij het herzieningsbesluit betreffende de aanvraag 2003 heeft verweerder het groene braak perceel 13 in zijn geheel als niet steunwaardig aangemerkt. Van het maïsperceel 14 heeft verweerder slechts 0.05 ha als steunwaardig aangemerkt.

Daardoor is een verschil tussen de aangevraagde oppervlakte maïs van 30.40 ha en de geconstateerde oppervlakte ontstaan, dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte 2.77 % bedraagt. Op grond van artikel 31, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is dan de geconstateerde oppervlakte uitgangspunt voor de voor maïs toe te kennen steun.

Door het grotendeels niet aanvaarden van het braakperceel 13 is een verschil ontstaan tussen de aangevraagde oppervlakte braak van 3.52 ha en de geconstateerde oppervlakte, dat, uitgedrukt in de geconstateerde oppervlakte meer dan 20 % bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 heeft verweerder daarom voor de gewasgroep alsnog geen steun toegekend.

Door het niet aanvaarden van het braakperceel 13 voldoet appellant tevens niet meer aan zijn minimale braakverplichting. Verweerder heeft de voor maïs toe te kennen steun daarom beperkt tot de oppervlakte die nodig is voor de productie van 92 ton maïs overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1251/1999, te weten 13.81 ha. Gevolg hiervan is dat van de op de aanvraag 2003 reeds uitbetaalde steun een bedrag van € 703,49 wordt teruggevorderd.

- Tegen deze herzieningsbesluiten heeft appellant op 8 augustus 2005 drie afzonderlijke bezwaarschriften, aangevuld bij brief van 20 september 2005, ingediend.

- Bij brief van 12 oktober 2005 heeft appellant meegedeeld dat hij afziet van het recht om te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Om de op grond van de satellietbeelden getrokken conclusie dat de litigieuze percelen niet voldoen aan de definitie akkerland te kunnen weerleggen is tegenbewijs op perceelsniveau een vereiste. Appellant is er niet in geslaagd dit tegenbewijs te leveren.

In het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit met betrekking tot de aanvraag 2004 heeft appellant aangegeven dergelijk bewijs niet te kunnen aanleveren. De eigenaar van de percelen gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 is geëmigreerd en bij hem heeft appellant geen nota’s of facturen uit deze periode meer kunnen achterhalen. Ook thans heeft appellant geen bewijsstukken overgelegd die de conclusies van GeoRas zouden kunnen weerspreken.

Op grond van artikel 9, tweede lid, juncto artikel 14, eerste lid, van Verordening (EEG)

nr. 3887/92 voor de aanvraag 2001, en op grond van artikel 49 van Verordening (EG)

nr. 2419/2001 voor de aanvraag 2002 en 2003, was verweerder verplicht de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen.

Aan artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 en artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 kan geen toepassing worden gegeven, omdat de betaling niet is verricht als gevolg van een fout van verweerder of van een andere instantie. Op het moment van de beoordeling van de steunaanvraag was namelijk nog niet bekend dat de litigieuze percelen niet aan de voorwaarden voldeden. Dit is verweerder pas in november 2004 gebleken, nadat GeoRas voor verweerder door middel van de interpretatie van satellietbeelden een controle had uitgevoerd. Bovendien had appellant zich ervan behoren te vergewissen dat de percelen geheel voldeden alvorens ze op te geven. Ten slotte heeft hij door het ondertekenen van het aanvraagformulier verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de gestelde voorwaarden en verplichtingen. Het opgeven van een perceel dat niet volledig aan de voorwaarden voldoet, komt derhalve geheel voor rekening en risico van appellant.

Het beroep dat appellant doet op het vertrouwensbeginsel, omdat hem telefonisch door een LASER- medewerker zou zijn gezegd dat hij maar een aanvraag voor de betrokken percelen moest indienen, kan hem niet baten. Nader onderzoek heeft verweerder geleerd dat er inderdaad over de aanvraag is gesproken, maar dat niet duidelijk is geworden welke informatie precies is verstrekt. In ieder geval is niet gebleken van enige mededeling die een beroep op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt.

Ten onrechte meent appellant dat verweerder aanvankelijk een beleid heeft gevoerd om niet tot terugvordering van reeds betaalde steun over te gaan. Verweerder heeft in zijn persbericht van 4 juni 2004 slechts vermeld dat de terugvordering aanzienlijke administratieve inspanningen zal vragen en dat de terugvordering, mede gelet op de communautaire verjaringstermijn, daarom tot de jaren 2000 tot en met 2003 beperkt zal blijven. De toepasselijke Europese verordeningen bieden verweerder geen ruimte om een beleid te voeren dat afwijkt van de daarin neergelegde verplichting om onverschuldigd betaalde steun terug te vorderen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Appellant erkent dat de eerder vastgestelde en uitbetaalde steunbedragen te hoog waren. Ten onrechte is verweerder echter over gegaan tot terugvordering van de te veel betaalde subsidie.

Appellant heeft LASER telefonisch verzocht aan te geven hoe hij moest omgaan met steunaanvragen voor percelen waarvan hij niet kon achterhalen of deze steunwaardig waren. De toenmalige eigenaar was geëmigreerd en over bewijsstukken met betrekking tot de premiewaardigheid van de percelen beschikte appellant niet. Hem is toen meegedeeld dat hij de bewuste percelen maar moest opgeven voor steun alsof aan de voorwaarden werd voldaan en dat hij dan wel antwoord zou krijgen. Appellant kon niet anders handelen dan hij heeft gedaan, te weten een aanvraag om steun indienen. Met het verschaffen van deze onjuiste informatie over de te volgen handelwijze en door jaren achtereen voor de bewuste percelen, zonder te controleren, wel steun toe te kennen, is er sprake van fouten van verweerder die appellant niet heeft kunnen onderkennen. Dit rechtvaardigt een beroep op artikel 14, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 en artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Mitsdien is terugvordering op grond van de Verordeningen niet toegelaten.

Bovendien mocht appellant erop vertrouwen dat verweerder de aanvragen goed zou hebben onderzocht, ook op het voldoen aan de definitie akkerland.

Verweerder heeft jarenlang het beleid gevoerd dat er niet werd teruggevorderd, ook al werd geconstateerd dat niet aan de definitie akkerland werd voldaan. Appellant ontleent dit beleid aan uitlatingen van verweerder in de door hem in het geding gebrachte brief van verweerder van 4 juni 2004 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

(TK vergaderjaar 2003-2004, 21 501-32, nr. 82) en hij verwijst ook naar een persbericht van dezelfde datum. Dit beleid heeft bij appellant een dermate sterke en gerechtvaardigde verwachting doen ontstaan dat niet tot terugvordering zou worden overgegaan, dat de wijziging van dat beleid met ingang van 4 juni 2004 vanwege de werking van het vertrouwensbeginsel niet aan hem mag worden tegen geworpen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft in beroep geen grieven aangevoerd tegen verweerders op de bevindingen van Georas gebaseerde conclusie dat de in geding zijnde percelen niet steunwaardig zijn. Evenmin is de hoogte van de teruggevorderde bedragen in geschil. Wel wordt door appellant om uiteenlopende redenen betwist dat verweerder bevoegd is tot terugvordering over te gaan.

5.2 Nu de betrokken percelen niet steunwaardig zijn bevonden stelt verweerder zich op goede gronden op het standpunt dat hij ingevolge de artikelen 14 van Verordening (EEG)

nr. 3887/92 en artikel 49 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 verplicht is de ten onrechte betaalde steunbedragen terug te vorderen.

Dezelfde verplichting geldt voor het toepassen van de ingevolge de Verordeningen (EEG) nr. 3887/92 en (EG) nr. 2419/2001 op te leggen sancties.

Die verplichting tot terugvordering lijdt slechts uitzondering als de betaling het gevolg is van een fout van verweerder die voor appellant redelijkerwijs niet als zodanig herkenbaar was.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen in onder meer zijn uitspraak van 24 juni 2005 (AWB 04/633, www.rechtspraak.nl, LJN AT8928) is hiervan in een situatie als hier aan de orde geen sprake. De aanvrager is immers zelf verantwoordelijk voor het indienen van een juiste aanvraag. Als verweerder op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens tot een toekenning en uitbetaling is gekomen, kan dit geen reden vormen om van terugvordering af te zien, indien bij latere controle blijkt dat de percelen niet aan de voorwaarden voor steunverlening voldoen.

5.3 Het betoog van appellant, dat de eerdere goedkeuringen van zijn aanvragen in 2001, 2002 en 2003 tot stand zijn gekomen na controle en dat hij er dus op mocht vertrouwen dat de percelen steunwaardig waren, kan evenmin slagen.

Aan toekenning van akkerbouwsubsidie ligt niet steeds een compleet onderzoek van alle van belang zijnde voorwaarden ten grondslag. Slechts een percentage van 5% van alle in een jaar ingediende aanvragen moet ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3997/92 en artikel 18, eerste lid, van Verordening (EG)

nr. 2419/2001 aan een controle ter plaatse onderworpen worden. Daarvan maakt bovendien een historisch teledetectieonderzoek niet altijd deel uit. Verweerder is in het onderhavige geval pas op de hoogte geraakt van het feit dat de percelen niet voldeden, nadat Georas in november 2004 een teledetectiecontrole had uitgevoerd. Aan het enkele feit dat in de jaren 2001, 2002 en 2003 steun werd toegekend kan appellant niet het vertrouwen ontlenen dat de betrokken percelen voldeden aan de voorwaarden voor steunverlening. Het vertrouwen dat hij zonder risico van korting zijn aanvragen kon indienen kan evenmin worden ontleend aan het telefoongesprek dat appellant op enig moment met een medewerker van verweerder heeft gevoerd, nu over de inhoud van dat gesprek, zo is gebleken uit nader onderzoek door verweerder, niets met enige zekerheid bekend is.

5.4 Voorzover appellant een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, dat ook van toepassing is op jaren vóór 2001, waarin onder andere bepaald is dat geen sancties worden opgelegd wanneer de aanvrager kan bewijzen dat hem geen schuld treft, overweegt het College als volgt.

Het College acht het denkbaar dat een aanvrager, die gedurende de jaren 1987 tot en met 1991 niet als eigenaar, pachter of anderszins bij het gebruik van een perceel betrokken was en die zich aanwijsbaar omtrent het gebruik van een perceel in de bewuste periode geïnformeerd heeft en in dat kader vóór de indiening van zijn aanvraag schriftelijke bescheiden heeft verkregen, waaruit in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat het perceel aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet, op grond van deze bepaling aan oplegging van een sanctie kan ontkomen. Appellant heeft dergelijke bescheiden niet overgelegd. Het tegendeel is het geval. Appellant heeft aangegeven dat hij op basis van de beschikbare bronnen niet kon vaststellen of de percelen premiewaardig waren. Als hij dan niet afziet van de indiening van een aanvraag loopt hij het risico dat – zoals in dit geval is gebeurd – achteraf gegevens beschikbaar komen, waaruit blijkt dat de percelen niet voor premie in aanmerking gebracht kunnen worden.

5.5 Appellant stelt dat hij de gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat verweerder niet tot terugvordering van ten onrechte uitgekeerde subsidies zou overgaan. Appellant zegt dit vertrouwen te ontlenen aan een brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 4 juni 2004. Daarin, zo stelt het College vast, wordt echter het tegendeel verkondigd. Verweerder stelt de Tweede Kamer in kennis van de voorgenomen omvangrijke terugvorderingsactie van onverschuldigd betaalde landbouwsubsidies en van zijn beweegredenen daartoe. Voor zover de verwachting van appellant zijn grondslag vindt in de verwijzing in dezelfde brief naar de tot dan gehanteerde uitvoeringspraktijk om terugvordering zoveel mogelijk te beperken, werd die verwachting al meteen door verweerder teniet gedaan. Reeds hierom is het College van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.

5.6 Gelet op het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2006.

w.g. F. Stuurop w.g. M.H. Vazquez Muñoz