Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY9543

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
AWB 05/286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/286 1 september 2006

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te X, appellante,

gemachtigde: ing. E. Tuinman, werkzaam bij Tuinman administratieve dienstverlening te Almelo,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: J. Riddersma, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 mei 2005, bij het College binnengekomen op 3 mei 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 24 maart 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaar tegen verweerders besluit van 16 december 2003, waarbij appellantes aanvraag om akkerbouwsubsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) over het jaar 2003 is afgewezen en zij voor een bedrag van € 3.251,75 nogmaals van steun is uitgesloten.

Op 1 juni 2005 heeft appellante nadere gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 1 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij besluit van 10 april 2006 heeft verweerder zijn eerdere besluit van 24 maart 2005 ingetrokken en opnieuw op het bezwaar beslist.

Op 21 juli 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de standpunten van partijen zijn uiteengezet door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 2419/2001, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

2. Een aanvraag oppervlakten heeft betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent.

Artikel 8

1. De aanvraagperiode voor de aanvraag oppervlakten loopt van 1 april tot en met 15 mei.

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode, doch uiterlijk op de datum die voor

inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld, kan de aanvraag

oppervlakten worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van verordening 2419/2001.

2. (…)

3. In afwijking van het tweede lid, worden de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid,

die meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode door

LASER worden ontvangen, niet meer geaccepteerd. Indien deze uiterste datum

evenwel ligt voor of op de in het eerste lid bedoelde datum voor de inzaai, worden de wijzigingen die na de datum voor de inzaai worden ontvangen niet meer geaccepteerd.

4. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten in geval van een door LASER erkende kennelijke fout na de in het eerste lid bedoelde datum worden verbeterd.

5. (…)”

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, was ten tijde van de onderhavige subsidieaanvraag onder meer bepaald:

“Artikel 8

Wijzigingen in de steunaanvraag “oppervlakten”

1.Onverminderd het bepaalde in lid 3, mogen na de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvraag “oppervlakten” individuele voor de landbouw gebruikte percelen die nog niet in de steunaanvraag waren aangegeven, worden toegevoegd, en wijzigingen met betrekking tot het gebruik of de steunregeling worden aangebracht, voorzover alle krachtens de op de betrokken steunregeling van toepassing zijnde sectorspecifieke voorschriften geldende voorwaarden in acht worden genomen.

2. De toevoeging van percelen landbouwgrond en wijzigingen als bedoeld in lid 1 moeten schriftelijk aan de bevoegde instantie worden meegedeeld tot uiterlijk de datum die voor de inzaai of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1251/1999 is vastgesteld.

Het bepaalde in artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 is van overeenkomstige toepassing.

3. Wanneer de bevoegde instantie het bedrijfshoofd reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in zijn steunaanvraag, of van haar voornemen bij hem een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt, mogen met betrekking tot de betrokken landbouwgrond geen toevoegingen of wijzigingen overeenkomstig de leden 1 en 2 worden aangebracht.

Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte.

1. (…)

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

Wanneer het verschil groter is dan 50%, wordt het bedrijfshoofd bovendien tot een bedrag dat gelijk is aan het op grond van de eerste alinea geweigerde steunbedrag, nogmaals uitgesloten van de steun. Dit bedrag wordt verrekend met de betalingen in het kader van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld.

Artikel 48

Overmacht en buitengewone omstandigheden

1. Gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden moeten binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geachte bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld.

(…)”

Bij Verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2419/2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, is onder meer bepaald:

“Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2419/2001 wordt als volgt gewijzigd:

(…)

6. In artikel 32, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door: “Bedraagt het verschil meer dan 50%, dan wordt het bedrijfshoofd nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte als bedoeld in artikel 31, lid 2. Dit bedrag wordt verrekend met de steunbetalingen in het kader van welke dan ook van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld. Kan het bedrag met die steunbetalingen niet volledig worden verrekend, dan komt het nogmaals uitstaande saldo te vervallen.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 13 mei 2003 een Gecombineerde opgave 2003 voor Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag Oppervlakten ingediend. Zij heeft daarbij de maïspercelen 1 (10.45 ha), 2 (1.30 ha) en 3 (2.00 ha), in totaal 13.75 ha, voor akkerbouwsteun opgegeven. Daarnaast heeft zij onder meer de graspercelen 10 en 11 zonder bijdrage opgegeven.

- Bij brief van 14 juli 2003 heeft verweerder appellante om opheldering gevraagd ten aanzien van de constatering door verweerder dat de topografische oppervlakte van perceel 1 (11.03 ha) niet overeenkomt met de in totaal door appellante en een andere aanvrager aangevraagde oppervlaktesteun voor 16.90 ha. voor hetzelfde perceel.

- Bij brief van 23 juli 2003 heeft appellante in reactie hierop melding gemaakt van een grote hoosbui op 14 mei 2003, waardoor een gedeelte van 6.00 ha van perceel

1 onder water kwam te staan. Zij beschouwde dit met maïs ingezaaide deel als verloren en heeft dit vervolgens in bruikleen gegeven aan een derde, die hierop aardappelen heeft geteeld. Appellante verzoekt in dezelfde brief met een beroep op overmacht om een wijziging van de aanvraag toe te staan, aangezien zij ter vervanging van perceel 1, de percelen met volgnummers 10 en 11 met maïs heeft ingezaaid.

- Bij besluit van 16 december 2003 heeft verweerder de gevraagde akkerbouwsteun geheel geweigerd en, omdat het verschil tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte door het vervallen van 6.00 ha maïs groter is dan 50% (namelijk 77,42%). Tevens heeft hij appellante op grond van artikel 32, tweede lid, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 tot een bedrag van € 3.251,75 nogmaals van steun uitgesloten.

- Appellante heeft bij brief van 9 januari 2004, door verweerder ontvangen op

16 januari 2004, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij haar bezwaar heeft zij haar verzoek om wijziging van de aanvraag herhaald.

- Appellante heeft het bezwaar op 22 februari 2005 nader telefonisch toegelicht en in aansluiting daarop op 2 maart 2005 medegedeeld dat het afstaan van perceel 1 en het inzaaien van de vervangende percelen tussen 20 en 25 mei 2003 heeft plaats gevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen, gevolgd door het besluit van 10 april 2006, waarbij het bedrag van de uitsluiting is verlaagd tot € 2.517,48.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft een deel van het voor maïssteun opgegeven perceel 1 ter grootte van 6.00 ha aan een derde in gebruik gegeven, die daarop aardappelen heeft geteeld en steun heeft gevraagd. Dit deel van perceel 1 kan daarom niet voor maïssteun in aanmerking komen. De door appellante bij brief van 23 juli 2003 voorgestelde wijziging van de aanvraag is, gelet op artikel 9, derde lid, van de Regeling, te laat. In het geval dat sprake is van een kennelijke fout kan de aanvraag ook na 10 juni 2003 nog worden verbeterd, doch zulks is niet gesteld of gebleken. Ten aanzien van het beroep op overmacht overweegt verweerder dat zich niet zulke abnormale en onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, dat het daardoor voor appellante onmogelijk was de aanvraag tijdig te wijzigen. Tussen 20 en 25 mei 2003 heeft appellante de percelen met volgnummers 10 en 11 ingezaaid met maïs om zo aan de oppervlakte voor de akkerbouwbijdrage te voldoen. Tot en met 31 mei 2003 had appellante deze wijziging zonder korting en tot en met 10 juni 2003 met korting kunnen doorgeven. Dat zij dit als gevolg van drukke werkzaamheden pas bij brief van 23 juli 2003 heeft gedaan komt voor haar rekening en risico.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert aan dat de extra werkzaamheden die moesten worden verricht om de vervangende percelen in te zaaien haar hebben verhinderd de wijziging in het teeltplan tijdig aan verweerder door te geven. Zij heeft uiteindelijk 13.75 ha maïs daadwerkelijk verbouwd en de afwijking ten opzichte van de subsidieaanvraag is dus louter rekenkundig. De hoogte van de boete is niet in verhouding tot de nalatigheid in de vorm van de te late melding door appellante, zeker nu geen sprake is van fraude. De overwegingen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 geven aan dat de kortingen en uitsluitingen moeten worden gedifferentieerd naar de ernst van de onregelmatigheid en dat onregelmatigheden in steunaanvragen binnen bepaalde grenzen moeten kunnen worden verbeterd. Verbetering van de aanvraag, zoals door appellante voorgesteld, zou tot een juiste aangifte hebben geleid, waarbij de aangevraagde premie niet zou zijn geweigerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat verweerder met het nieuwe besluit van 10 april 2006, dat in de plaats is gekomen van het besluit van 24 maart 2005, niet geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep geacht mede gericht te zijn tegen dit nieuwe besluit. Nu van enig belang bij de beoordeling van het besluit van 24 maart 2005 niet is gebleken, zal appellante in het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2 Bij zijn besluit van 16 december 2003 heeft verweerder appellantes aanvraag voor akkerbouwpremie op grond van artikel 32, tweede lid, eerste volzin van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor het jaar 2003 geheel geweigerd, omdat perceel 1 uit deze aanvraag slechts gedeeltelijk aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet. Tevens is appellante met toepassing van artikel 32, tweede lid, tweede volzin, van deze Verordening nogmaals van steun uitgesloten. Tussen partijen is allereerst in geschil of appellante in de gelegenheid had moeten worden gesteld haar aanvraag bij brief van 23 juli 2003 in de door haar beoogde zin te wijzigen.

Verweerder heeft terecht overwogen dat het appellante niet vrij stond perceel 1 alsnog uit de aanvraag te schrappen en daarvoor in de plaats nieuwe percelen voor steun op te geven. Niet alleen heeft appellante te laat om wijziging verzocht, te weten na het verstrijken van de uiterste indieningsdatum van de aanvraag, maar ook had verweerder appellante toen al bij brief van 14 juli 2003 in kennis gesteld van onregelmatigheden, die hij bij de controle van de aanvraag had geconstateerd. Gelet op artikel 8, derde lid, van Verordening (EG)

nr. 2419/2001 kan een perceel in dat geval niet meer uit de aanvraag worden teruggetrokken.

Voorzover appellante een beroep op overmacht en buitengewone omstandigheden heeft willen doen, stuit dit af op de in artikel 48, eerste lid van Verordening (EG) nr. 2419/2001 neergelegde eis, dat de overmachtsituatie binnen 10 dagen na het intreden daarvan aan verweerder had moeten worden gemeld. Appellante heeft een dergelijke melding niet gedaan en van een volstrekte onmogelijkheid daartoe is niet gebleken. Hetgeen appellante in dat verband heeft gesteld met betrekking tot drukke werkzaamheden is ontoereikend.

5.3 Het College is met verweerder van mening dat Verordening (EG) nr. 2419/2001 hem geen vrijheid laat om te beslissen welke gevolgen moeten worden verbonden aan de bevinding dat een bepaald perceel niet premiewaardig is. De daaraan te verbinden rechtsgevolgen worden door de Verordening eenduidig bepaald. Dat geldt ook voor de uitsluiting van artikel 32, tweede lid, tweede volzin, van de Verordening. Daarbij past wel de kanttekening dat verweerder de wijziging, die bij Verordening (EG) nr. 118/2004 in deze bepaling is aangebracht, moet toepassen, nu die voor appellante een gunstiger uitkomst oplevert. Dat is dan ook wat verweerder bij het laatste besluit van 10 april 2006 heeft gedaan.

5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen laatstgenoemd besluit ongegrond dient te worden verklaard.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het besluit van verweerder van 24 maart 2005;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 april 2006 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2006.

w.g. F. Stuurop w.g. M.H. Vazquez Muñoz