Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY7016

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
29-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/79
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/79 18 juli 2006

40000 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A-B, te X, appellante van een tuchtbeschikking van 23 december 2004 van het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beschikking van 23 december 2004 met kenmerk KC 03-25 heeft het tuchtgerecht beslist op het verzet van appellante tegen de beschikking van het tuchtgerecht van 13 mei 2004 en deze beschikking bevestigd. In laatstgenoemde beschikking heeft het tuchtgerecht aan appellante een maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 3, onder 2e, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Bij brief van 22 januari 2005, bij het College binnengekomen op 25 januari 2005, heeft appellante beroep ingesteld tegen de tuchtbeschikking.

Bij brieven van 31 maart 2005 en 21 februari 2006 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan het College.

Bij brief van 26 maart 2006 heeft appellante de gronden van het beroep nader uiteengezet. Bij die gelegenheid heeft zij laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 27 april 2006. Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door mr. O.D van der Vliet en ir. ing. A. Waterink, beiden werkzaam bij het Hoofdproductschap Akkerbouw.

2. De van toepassing zijnde regelgeving

De Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie bepaalde ten tijde hier van belang:

“Artikel 3

De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van de artikelen 105 en 113 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, die op de overtreding van verordeningen van een lichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(...)

2e. geldboete;

(...)

Artikel 5

1. Het bedrag van de geldboete is tenminste € 2.

2. Het hoogste bedrag van de geldboete wordt bij verordening bepaald en is niet hoger dan € 450.

(...)”

De Verordening HPA tuchtrechtspraak 2003 is op 1 juli 2003 in werking getreden en bepaalde ten tijde hier van belang:

“Artikel 2

Het hoofdproductschap heeft een tuchtgerecht.

Artikel 3

1. Het tuchtgerecht oordeelt over feiten waarop een tuchtrechtelijke maatregel is gesteld:

a. bij verordening van het hoofdproductschap.

(…)”

In de Verordening HPA bestrijding knolcyperus 2003 (in werking getreden op 1 juli 2003; hierna: Verordening knolcyperus 2003) was ten tijde hier van belang onder meer bepaald:

“Artikel 3

1. Het is de ondernemer verboden de in artikel 2, tweede lid bedoelde planten te telen op een perceel, waarop de aanwezigheid van knolcyperus is aangetoond vanaf de datum zoals opgenomen in de in het tweede lid bedoelde bekendmaking tot de datum als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

2. Bekendmaking van het in het eerste lid bedoelde teeltverbod geschiedt door de sectormanager, namens het bestuur, bij aangetekend schrijven aan de ondernemer. In dit schrijven wordt aangegeven op welke percelen het verbod betrekking heeft, onder vermelding van correspondentienummer, gemeente, sectieblad, kaartaanduiding, oppervlakte en vanaf welke datum het verbod van kracht wordt.

Artikel 4

1. Een teeltverbod als bedoeld in artikel 3, eerste lid kan (...) worden opgeheven na een periode van minimaal drie opeenvolgende jaren na bekendmaking van het teeltverbod. (...)

Artikel 7

(...)

3. De sectormanager is, namens het bestuur, bevoegd op schriftelijk verzoek van de ondernemer ontheffing te verlenen van het bepaalde in de artikelen 3, eerste lid en (...), en daarbij nadere voorschriften vast te stellen. (...)

Artikel 9

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld. Een door het bevoegde tuchtgerecht op te leggen geldboete mag niet hoger zijn dan E 450,-- per overtreding, totdat het op 24 februari 2000 ingediende voorstel van wet (...) (Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002) (...) in werking treedt.”

Op 1 april 2004 is de in artikel 9 bedoelde Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 in werking getreden. Daarin is onder meer bepaald:

“Artikel 47

1. Op de behandeling van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige tuchtzaken blijft de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie van toepassing.

2. Naar aanleiding van overtredingen die zijn begaan voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen slechts de tuchtrechtelijke maatregelen bepaald in de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie worden opgelegd.”

3. De bestreden tuchtbeschikking

In de bestreden tuchtbeschikking heeft het tuchtgerecht beslist op het verzet van appellante tegen zijn tuchtbeschikking van 13 mei 2004 en die beschikking bevestigd. In laatstgenoemde beschikking heeft het tuchtgerecht bewezen verklaard dat appellante omstreeks 20 augustus 2003 zonder ontheffing maïs heeft geteeld op een met knolcyperus besmet verklaard perceel. Het bewezen verklaarde levert naar het oordeel van het tuchtgerecht een overtreding op van artikel 3, eerste lid, Verordening knolcyperus 2003. Wegens deze overtreding heeft het tuchtgerecht appellante een geldboete opgelegd

van € 275.

4. Het standpunt van appellante in beroep

De ontheffing van het verbod van artikel 4, eerste lid, Verordening knolcyperus 2003, die appellante op aanvraag is verleend op 11 december 2003 bevat geen aanduiding van de geldingsperiode.

Appellante stelt dat zij uit de omstandigheid dat het berechtingsrapport terugwerkende kracht toekwam, dan wel de uitlatingen van degene die het berechtingsrapport heeft opgemaakt de conclusie heeft mogen trekken dat de reeds aangevraagde ontheffing betrekking zou hebben op 2003.

Het pachtcontract voor de grond waarop de knolcyperus is geconstateerd is begin 2004 verlopen. Appellante heeft de grond niet meer in bezit, en er wordt geen maïs meer op geteeld. Appellante vindt de aanname van het HPA dat zij een ontheffing zou hebben aangevraagd voor grond die zij niet meer heeft, onlogisch.

Appellante heeft in 2002 een ontheffing gekregen die meer jaren geldig zou zijn, mits op de grond alleen maïs werd geteeld. Aldus is het niet mogelijk dat appellante voor 2003 geen ontheffing had. Deze omstandigheid is mede de reden geweest dat appellante zich aanvankelijk afwachtend heeft opgesteld wat betreft een ontheffingsaanvraag.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Onder verwijzing naar artikel 47 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 stelt het College vast dat de verweten feiten zijn begaan op of omstreeks 20 augustus 2003 en dat onderhavige zaak aanhangig is gemaakt bij schriftelijke verklaring van 21 januari 2004, zodat de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (thans vervallen) en de Verordening HPA tuchtrechtspraak 2003 van toepassing zijn.

5.2 Op grond van artikel 18 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie bedraagt de beroepstermijn veertien dagen. Gelet op het feit dat de secretaris van het tuchtgerecht appellante heeft medegedeeld dat de beroepstermijn zes weken bedraagt (zoals dat thans onder we Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 het geval is), is het College van oordeel dat het beroep ontvankelijk moet worden geacht.

5.3 Het College stelt vast dat de ontheffing van het teeltverbod die appellante heeft gekregen in 2002 is komen te vervallen door de brief van 22 oktober 2002, waarin de sectormanager Teeltaangelegenheden HPA melding maakt van een uitbreiding van de knolcyperusbesmetting op het hier betrokken perceel. Tevens is vermeld dat appellante opnieuw (kostenloos) een ontheffing moet aanvragen. Het betoog van appellante dat de ontheffing voor 2002 gold voor meer jaren stuit af op de inhoud van bedoelde brief, waaruit duidelijk blijkt dat de ontheffing was ingetrokken. Voor zover appellante heeft willen betogen dat zij niet heeft hoeven begrijpen dat de ontheffing was vervallen, overweegt het College dat uit de verklaring van A, afgelegd op 5 november 2003, zoals weergegeven in het berechtingsrapport, blijkt dat appellante op de hoogte was van bedoelde brief en had begrepen dat de ontheffing was vervallen.

Uit het berechtingsrapport blijkt dat appellante in 2003 op het betrokken perceel maïs heeft geteeld. Appellante heeft dit niet bestreden. Verder staat vast dat appellante voorafgaand aan het telen van maïs op het betrokken perceel in 2003 geen nieuwe ontheffing heeft aangevraagd. Appellante heeft aldus in 2003 maïs geteeld op besmet verklaarde grond zonder ontheffing, hetgeen op grond van artikel 3, eerste lid, Verordening knolcyperus 2003 verboden is.

5.4 De stelling van appellante dat de ontheffing die naar aanleiding van de constatering van de overtreding op 20 augustus 2003 is gevraagd, geldt voor het jaar 2003, kan niet worden aanvaard. Deze ontheffing is blijkens het formulier op 24 november 2003 aangevraagd en op 11 december 2003 verleend. Hoewel noch in de aanvraag, noch in het ontheffingsbesluit concreet is vermeld voor welke periode de ontheffing is verleend, moet worden aangenomen dat de ontheffing voor de toekomst is gegeven. Dit blijkt naar het oordeel van het College uit de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden, welke voorschriften niet kunnen worden nageleefd wanneer het telen en oogsten al achter de rug zijn. Het College wijst in het bijzonder op het eerste voorschrift, dat eist dat de oogst vooraf moet worden gemeld bij de locatiemanager van de Plantenziektenkundige Dienst, en op het derde voorschrift, dat eist dat grond- en plantenresten, die na de oogst bij reiniging van de apparatuur en de schoning van het geoogste product vrijkomen, worden vernietigd onder toezicht van evengenoemde dienst. Daarbij komt dat een ontheffing als de onderhavige in het algemeen slechts werking heeft voor de toekomst, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld. In het ontheffingsbesluit van 11 december 2003 is niet vermeld dat aan de ontheffing terugwerkende kracht is toegekend, zodat moet worden geconcludeerd dat de ontheffing slechts geldt vanaf de datum van verlening.

Op grond hiervan kan niet anders worden geoordeeld dan dat deze ontheffing de overtreding van appellante niet opheft.

5.5 Met betrekking tot het betoog van appellante dat zij de grond waarop de overtreding heeft plaatsgevonden niet meer in pacht heeft, overweegt het College dat deze omstandigheid niet wegneemt dat appellante in 2003 op het betrokken besmet verklaarde perceel zonder ontheffing maïs heeft geteeld, en daarmee een overtreding heeft begaan. Het feit van deze overtreding wordt niet ongedaan gemaakt, doordat de plaats waarop die is gepleegd niet meer door appellante wordt gepacht.

5.6 Het College concludeert dat het tuchtgerecht met juistheid heeft geoordeeld dat appellante artikel 3, eerste lid, Verordening knolcyperus 2003 heeft overtreden. De door het tuchtgerecht opgelegde boete acht het College, gelet op de omstandigheden van het geval, passend en geboden.

5.7 Op grond van het voorgaande concludeert het College dat het beroep dient te worden verworpen.

6. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2006.

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Graefe