Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY6729

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
23-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 05/108 13 juli 2006

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

1) Weathernews Inc., gevestigd te Chiba (Japan) (hierna: WNI), en

2) Weathernews Benelux B.V., (hierna: WNB) gevestigd te Soest,

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 7 december 2004,

gemachtigden: mr. J.J. van Es en mr. S.G. Koekkoek, advocaten te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief van 7 december 2004 heeft de raad van tucht WNB afschrift toegezonden van zijn beslissing van dezelfde datum gegeven op een klacht, op 10 juni 2004 ingediend door WNB tegen A AA wonende te B (hierna: betrokkene 1) en C AA wonende te D (hierna: betrokkene 2).

Bij een op 7 februari 2005 bij het College ingekomen beroepschrift hebben appellanten tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brief van 10 februari 2005 stukken als bedoeld in artikel 69 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 27 september 2005 heeft de raad van tucht desgevraagd nog een uit zijn toegezonden dossier ontbrekend stuk toegezonden

Bij brief van 13 januari 2006 hebben appellanten verzocht om uitstel van de op 31 januari 2006 geplande zitting.

Op 13 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar appellanten bij gemachtigden en betrokkenen in persoon zijn verschenen. Aan de kant van appellanten is tevens verschenen de directeur van WNB, E.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing.

3. De middelen van beroep

Appellanten hebben tegen de bestreden tuchtbeslissing – zakelijk weergegeven – de volgende grieven geformuleerd.

3.1 Ten aanzien van de feitenvaststelling door de raad van tucht hebben appellanten aangevoerd dat de woorden ‘in dit kader’ onder 2.6 van de bestreden tuchtbeslissing de suggestie wekken dat het door betrokkene 1 beweerde onderzoek naar mogelijkheden tot doorverkoop, behoorde tot de bijstand aan F, waartegen door WNI, de aandeelhouder van WNB, eind juli 2003 geen bezwaar was gemaakt. Omdat dit een betwist feit is en voorts wordt betwist dat betrokkene 1 een dergelijk

breed opgezet onderzoek heeft uitgevoerd dient de juiste formulering van de tweede zin te luiden:

“Daarnaast heeft betrokkene 1 naar hij stelt, onderzoek gedaan naar de mogelijkheden tot verkoop van de onderneming nadat de MBO zou zijn gerealiseerd”.

Voorts moet onder 2.9 van de bestreden tuchtbeslissing het vaststaande feit worden toegevoegd dat betrokkenen over hun werkzaamheden gericht op doorverkoop aan Meteo Consult tot het moment van de ontdekking daarvan door commissarissen nimmer contact hebben gehad met commissarissen of met aandeelhouder WNI en evenmin met personeelsleden van WNB, anders dan met F.

3.2 In de eerste grief betogen appellanten dat de raad van tucht ten onrechte uitgaat van de opvatting, dat het onder de omstandigheden van deze zaak (WNI had geen bezwaar tegen assistentie door betrokkene 1 aan F bij een management buy out, hierna ook: MBO) aan betrokkene 1 vrijstond om onder dit 'geen bezwaar' van de zijde van WNI te begrijpen: werkzaamheden van betrokkene 1, die erin zouden resulteren, dat er de facto geen management buy out zou plaatsvinden, maar de betreffende onderneming dadelijk (en back to back) eigendom zou worden van de grootste concurrent van WNB, zijnde Meteo Consult.

De tweede grief klaagt dat de raad van tucht ten onrechte uitgaat van de gedachte, dat deze werkzaamheden de accountant vrijstonden, zonder hierover allereerst zelf het gevoelen van WNI of van commissarissen in te winnen.

Ter toelichting op deze grieven hebben appellanten het volgende aangevoerd.

Doordat F blijkens zijn berichten van eind juli 2003 aan WNI zelf rekening hield met een conflict of interest bij betrokkene 2 en daarom ten behoeve van een management buy out bijstand van betrokkene 1 verkoos, heeft F – naar betrokkenen wisten en WNB later heeft moeten ontdekken – bij WNI zand in de ogen gestrooid. Bij WNI werd aldus immers ten onrechte de indruk gewekt (-) dat F en betrokkenen in deze zaak zorgvuldig omgaan met tegengestelde belangen, (-) dat voor F geen conflict of interest zou bestaan, (-) dat betrokkene 2, die namens het kantoor G leiding geeft aan de reguliere werkzaamheden van dit kantoor voor WNB en dus de in's en out's van WNB kent, zich niet met de advisering van F privé zal inlaten en (-) dat de werkzaamheden van betrokkene 1 zouden bestaan uit bijstand aan F privé terzake van een mogelijke management buy out (over andere werkzaamheden ten behoeve van F dan bijstand bij een MBO wordt in deze correspondentie niet gesproken).

Betrokkene 1 stelt – en de raad van tucht lijkt zich hierbij aan te sluiten – dat een accountant, die met instemming van de aandeelhouder de koper bij een management buy out bijstaat, onder die opdracht mede activiteiten van een geheel andere aard mag begrijpen. In casu stond WNI toe, dat betrokkene 1 F zou adviseren terzake van een management buy out maar in feite bereidden F en betrokkene 1 een geheel andere transactie voor, en wel een onmiddellijke overdracht van WNB aan een derde. In feite zou F nog geen dag zelfstandig ondernemer zijn, wat hij tegenover WNI bleef voorwenden zo graag te willen. Betrokkene 1 moet hebben geweten dat zijn werkelijke activiteiten niet alleen bij WNI onbekend waren, maar ook dat deze zich bewogen verre buiten de door WNI aan F verleende toestemming. Ter rechtvaardiging van zijn activiteiten heeft betrokkene 1 zich als het ware met terugwerkende kracht een brede opdracht toegeschreven, en wel een onderzoek naar de overlevingskansen van WNB met vele varianten. Dat volgens F WNI van deze opdracht op de hoogte zou zijn geweest is in strijd met de waarheid.

Maar, wanneer een dergelijke opdracht al gegeven zou zijn, dan had deze moeten komen van de aandeelhouder of van commissarissen van WNB. En als de opdracht dan al via de bestuurder loopt, dan toch op instructie, in ieder geval met blijkend medeweten van genoemde vennootschapsorganen. Hiervan is niet gebleken. Betrokkene 1 noch F hebben enig stuk kunnen tonen, waaruit de opdracht en/of de uitvoering daarvan blijkt.

In feite hebben F en betrokkene 1 de management buy out-opzet gehanteerd als middel om WNB tegen een fors bedrag snel onder te brengen bij concurrent Meteo Consult.

Ook wanneer er ooit een management buy out zonder selling restrictions tot stand zou zijn gekomen, betekent dit nog niet, dat de koper rechtmatig handelt door onder het mom van een management buy out in feite een onmiddellijke doorverkoop (back to back) tot stand te brengen en deze coup tijdens het managent buy out-traject in het geheim voor te bereiden.

De omstandigheden, waaruit betrokkenen hadden moeten afleiden, dat een dergelijke onmiddellijke doorverkoop in strijd was met de wensen en belangen van WNI danwel WNB, zijn (-) dat G enerzijds met reguliere werkzaamheden de belangen behartigde van WNB en haar aandeelhouder en dat anderzijds deze belangen bewust werden achtergesteld bij de persoonlijke belangen van F en (-) dat WNI in feite in haar onwetendheid niet zou meewerken aan een MBO, maar aan een verkoop aan de concurrent, waarbij de marktwaarde van de onderneming niet aan de aandeelhouder zou toekomen.

Gezien de betrokkenheid van betrokkenen bij beide transacties en de wetenschap, dat WNI werd misleid, had het op hun weg gelegen om medewerking aan deze plannen van F te weigeren of afhankelijk te stellen van uitdrukkelijke instemming van de aandeelhouder van WNB. De inhoud van de e-mailwisseling van eind juli 2003 versterkt deze verplichting van betrokkenen.

De beoogde verkoop aan Meteo Consult geschiedde evident niet in het belang van de onderneming of haar aandeelhouder, maar uitsluitend in het privé-belang van F.

Onder deze omstandigheden hadden betrokkenen niet mogen volstaan met het luisteren naar F. Zij hadden tegenover hem hun eigen kritische zin niet mogen uitschakelen. Zij hadden moeten nagaan, of F zich bij zijn berichtgeving niet liet leiden door voor de hand liggend eigenbelang en moeten nagaan of hun handelen bij de doorverkoop aan Meteo Consult de instemming had van commissarissen en van de aandeelhouder.

3.3 De derde grief strekt ten betoge dat de raad van tucht ten onrechte uitgaat van de gedachte dat de handelingen van betrokkene 1 tegenover WNI en WNB worden gerechtvaardigd door de omstandigheid, dat in de lopende management buy out onderhandelingen tussen WNI en F nog niet was gesproken over een beding aangaande de verkoop van WNB na de management buy out. Dit gaat uit van de tuchtrechtelijk onjuiste gedachte dat alles is toegestaan, zolang het niet uitdrukkelijk is verboden.

Het is juist, dat WNI nimmer aan F het verbod heeft opgelegd om na een eventueel geslaagde management buy out de onderneming dadelijk of na enige tijd te verkopen aan Meteo Consult (Wegener). Sterker, er was tijdens de management buy out onderhandelingen en tot het moment van de ontmaskering van F nog niet met hem gesproken over 'selling restrictions'. Niet met zekerheid valt te zeggen, of dit bij voortzetting van de onderhandelingen al dan niet gebeurd zou zijn. Daarbij speelde een belangrijke rol, dat F tegenover WNI bleef beweren, dat hij verlangde naar het zelfstandig ondernemerschap en daarbij, ook in het belang van de personeelsleden, de voorkeur gaf aan kleinschaligheid.

3.4 In de vierde grief klagen appellanten dat de raad van tucht ten onrechte heeft geconcludeerd dat betrokkenen niet hadden behoeven te begrijpen dat zij onder de omstandigheden van dit geval niet bevoegd waren geheime bedrijfsgegevens aan Meteo Consult (Wegener) te verstrekken.

Betrokkenen hebben geheime bedrijfsgegevens aan een directe concurrent verstrekt, zonder dat zij ervan overtuigd waren dat zij handelden volgens de wensen van WNI. Bovendien werden deze bedrijfsgeheimen verstrekt op een moment, dat het doorgaan/slagen van de management buy out nog allerminst zeker was, zodat, in het geval dat deze geen doorgang zou vinden, Meteo Consult over een enorm voordeel in de onderlinge concurrentie zou beschikken. Voorts werden deze gegevens verstrekt op instructie en initiatief van F, die op dat moment gewoon in functie was en wiens taak het daarom in de eerste plaats was de belangen van de vennootschap te blijven behartigen.

Daarnaast verrichtten betrokkenen deze werkzaamheden (het verstrekken van geheime bedrijfsgegevens aan Meteo Consult) ten behoeve van F privé en maakten daarbij gebruik van gegevens, die zij verkregen hadden uit de reguliere betrekkingen tussen G en WNB.

Door deze onrechtmatige diensten aan F te verlenen, poogden de betrokkenen een financieel voordeel (en een verzekerde arbeidspositie) voor F te realiseren, terwijl WNI tezelfdertijd door F werd bewogen om het hem mogelijk te maken WNB als zelfstandige onderneming voort te zetten. Daartoe zou WNI genoegen moeten nemen met de zeer bescheiden prijs voor de onderneming van € 13.000,- en inschikkelijk moeten zijn ten aanzien van enkele cruciale financiële condities (leningen en garanties).

Onder deze omstandigheden, waarvan betrokkenen zich bewust waren, stond het F niet vrij de betreffende gegevens op deze wijze en op dat moment aan Meteo Consult te verstrekken. Betrokkenen zijn tuchtrechtelijk over de schreef zijn gegaan, toen zij dit namens F deden.

3.5 In de vijfde grief betogen appellanten dat de raad van tucht ten onrechte het door F te halen financieel voordeel beperkt door melding te maken van verplichtingen die F in het kader van de doorverkoop op zich zou nemen. De raad van tucht noemt deze verplichtingen echter niet. Betrokkenen verleenden diensten aan F die erop gericht waren de marktwaarde van WNB juist niet aan WNI, maar wel aan F zelf ten goede te laten komen, zodat zij F boven WNI dan wel WNB bevoordeelden.

Weliswaar is het in zijn algemeenheid niet verwijtbaar wanneer de advisering door een accountant leidt tot een financieel voordeel bij de klant, maar in dit geval was het bereiken van dit voordeel slechts mogelijk doordat er zowel door F als door betrokkenen vals werd gespeeld.

3.6 De zesde grief strekt ten betoge dat de raad van tucht ten onrechte uitgaat van de gedachte dat werkzaamheden ten behoeve van de persoonlijke belangen van F (en derhalve door hem privé opgedragen) in rekening gebracht mogen worden bij de vennootschap.

Zou de MBO met onmiddellijke doorverkoop plaats hebben gevonden, dan zou F in beide transacties zijn opgetreden als privé-persoon. Eerst als koper in relatie tot WNI en op hetzelfde moment als verkoper tegenover Meteo Consult. In geen geval zou F bij deze door hem op touw gezette transacties, die in tijd zouden samenvallen, optreden in de hoedanigheid van directeur van WNB. In de door Wegener opgestelde stukken voor de doorverkoop aan Meteo Consult komt F uitsluitend voor als privé-persoon of in zijn hoedanigheid van directeur/eigenaar van Ranja BV. Onbegrijpelijk en feitelijk onjuist is dan ook dat betrokkenen er van uit meenden te mogen gaan, dat zij bij de management buy out en bij de doorverkoop aan Meteo Consult handelden in opdracht van F in zijn hoedanigheid van directeur van WNB. Even onbegrijpelijk en tuchtrechtelijk onjuist is, dat de raad van tucht deze houding van de accountants sanctioneert. Voor zover zij instemming van de aandeelhouder hadden verkregen om de privé-belangen van F te behartigen, dienden betrokkenen een duidelijke splitsing aan te brengen tussen enerzijds de werkzaamheden voor de vennootschap en anderzijds die voor F privé. Het enkele feit dat F de management buy out en de doorverkoop voorbereidde in een periode waarin hij directeur was van WNB, betekent niet dat zijn privé-belang samenviel met dat van WNB.

Uit de specificaties van de declaraties volgt dat betrokkenen ten behoeve van de management buy out niet of nauwelijks werkzaamheden hebben verricht. Het merendeel van de bekritiseerde werkzaamheden betreft de voorbereiding van de doorverkoop aan Meteo Consult.

3.7 In de zevende grief komen appellanten op tegen de overweging van de raad van tucht dat niet aannemelijk is dat betrokkenen tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door de door F verleende opdracht te beschouwen als te zijn verleend in diens hoedanigheid van directeur van WNB. Het is immers onbegrijpelijk hoe betrokkenen de opvatting kunnen huldigen dat de door hen aanvaarde werkzaamheden ten behoeve van de management buy out en de doorverkoop aan Meteo Consult door F werden opgedragen in zijn positie van bestuurder. Het is immers evident dat hier uitsluitend de privé-belangen van F in het geding waren. In dit verband zijn de e-mailberichten van belang van 29 juli 2003 (8.12 uur) waarin F schrijft: 'My interest remains. I would like to appoint mr C, accountant as my delegate’. En van 30 juli 2003 (8.14 uur) waarin F schrijft: 'Mr C is also operating as our accountant. He could have a conflict of interest when also representing me’. De woorden: 'my delegate' en 'representing me' laten er geen twijfel over bestaan, dat de toestemming gold voor door betrokkene 1 aan F privé te verlenen diensten en dus voor de management buy out en niet voor meer of anders dan dat.

Het oordeel van de raad van tucht komt erop neer dat WNB zou moeten betalen voor de werkzaamheden (-) waarmee F buiten zijn bevoegdheden van directeur is getreden,

(-) waarmee F en betrokkenen de afspraken met WNI van eind juli 2003 schonden

(-) waarvan de aandeelhouder en commissarissen met opzet onwetend werden gelaten en

(-) die zonneklaar de belangen van WNI en WNB hebben geschaad. De werkelijkheid is dat G voor de reguliere werkzaamheden maandelijks aan WNB declareerde en dat betrokkenen de behartiging van de privé-belangen van F op deze wijze ten laste van de vennootschap brachten. Het risico van ontdekking konden betrokkenen en F beperkt oordelen, want F zelf fiatteerde bij WNB de binnenkomende rekeningen.

3.8 Grief acht klaagt erover dat de raad van tucht ten onrechte uitgaat van de gedachte dat met de door betrokkene 1 aan F persoonlijk verleende bijstand mede het belang van WNI en WNB zou kunnen zijn gediend en dat daarom het declareren aan de vennootschap gerechtvaardigd was.

De raad van tucht motiveert niet zijn overweging dat de door F beoogde transacties mede het belang van WNI en WNB zouden kunnen dienen. Appellanten moeten derhalve volstaan met een verwijzing naar de uitvoerige toelichting bij de raad van tucht. Daaruit blijkt dat het belang van WNI en WNB er nu juist niet mee was gediend dat WNI door financiële offers te brengen F het in feite mogelijk maakte, WNB in handen te spelen van de concurrent.

Het was evident dat F zijn doorverkoopplannen in het geheim voorbereidde, omdat ze juist niet in het belang van WNI dan wel WNB waren. F hield deze plannen met opzet geheim, omdat hij maar al te goed wist dat bij vroegtijdige ontdekking hiervan het gevolg zou zijn dat WNB alle banden met hem zou verbreken. F wist welke risico's hij nam en ook de accountants zijn zich daarvan bewust geweest. Zij hebben het spel met F meegespeeld en zich daarbij wel degelijk schuldig gemaakt aan onoorbare handelingen, waaronder het dienen van tegenstrijdige belangen. Enerzijds die van WNI dan wel WNB en anderzijds die van F privé.

3.9 De negende grief strekt ten betoge dat de raad van tucht ten onrechte de door G toegepaste incassomaatregelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft geoordeeld.

Uit het niet afgeven aan WNB van boekhoudkundige gegevens volgt eens te meer, dat G de zijde van F had gekozen en zich aan de belangen van WNB, welke vennootschap zij lange tijd had bediend, niets meer gelegen liet liggen. Het ging niet alleen om de genoemde door G achtergehouden back-up, maar ook om het vertraagd afleveren van de jaaropgaven 2003, waar het personeel van WNB naar de accountants wisten, op zat te wachten.

4. De beoordeling

4.1 Artikel 68, eerste lid, onder b, Wet AA bepaalt – kort gezegd – dat tegen een beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen een Accountant-Administratieconsulent gerezen bezwaar bij het College beroep kan worden ingesteld door een klager, indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. Het College stelt vast de klacht bij de raad van tucht tegen betrokkenen is ingediend door WNB en niet (mede) door WNI. Dit betekent dat WNI geen beroep kan instellen tegen de beslissing van de raad van tucht, zodat haar beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.2 Met betrekking tot het beroep van WNB overweegt het College als volgt.

4.3 Het College stelt met de raad van tucht vast dat betrokkene 2 niet eerder dan op 6 april 2004 is ingeschreven als Accountant-Administratieconsulent in het accountantsregister als bedoeld in artikel 36 Wet AA. Het College stelt op grond van hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd voorts vast dat de gedragingen van betrokkene 2 waarover WNB bij de raad van tucht heeft geklaagd dateren van vóór deze inschrijving. Zij zijn derhalve niet aan het oordeel van de tuchtrechter onderworpen. Voor zover WNB in beroep derhalve opkomt tegen ongegrondverklaring van de klachtonderdelen die betrekking hebben op betrokkene 2, worden de daartoe strekkende grieven buiten beschouwing gelaten.

4.4 Ten aanzien van het beroep van WNB gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen die betrekking hebben op betrokkene 1 overweegt het College als volgt.

4.5 Het College stelt voorop dat in deze procedure aan de orde is of betrokkene 1 ter zake van zijn gedragingen waarover WNB bij de raad van tucht heeft geklaagd, een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Het handelen van F staat hier slechts zijdelings ter beoordeling, namelijk voorzover het gaat om de vraag of ten aanzien van het handelen van F in deze procedure genoegzaam vaststaat dat het jegens WNB of WNI, dan wel anderszins, onrechtmatig is geweest en dat betrokkene 1 ten tijde van belang redelijkerwijs van die onrechtmatigheid op de hoogte was of had behoren te zijn en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar handelde door daaraan zijn medewerking te verlenen.

Uit hetgeen in het hiernavolgende wordt overwogen omtrent het niet genoegzaam vaststaan van de feiten en omstandigheden die zouden leiden tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatigheden als hiervoor bedoeld, kan derhalve geenszins de conclusie worden verbonden dat het College van oordeel is dat die onrechtmatigheid in een ander kader al dan niet bewezen zal kunnen worden, doch slechts dat bij hetgeen thans is gesteld die conclusie niet kan worden getrokken, in aanmerking nemend dat het hier gaat om een tuchtrechtelijke procedure, waarin het College voor de raad van tucht noch voor zichzelf enige taak weggelegd ziet om via nadere bewijsvoering zich over die gestelde onrechtmatigheid een zelfstandig oordeel te vormen.

4.6 De eerste, tweede, derde en vijfde grief bestrijden de ongegrondverklaring van klachtonderdelen A en B. In deze klachtonderdelen heeft WNB geklaagd dat betrokkene 1 (A) tegelijkertijd diensten heeft verleend aan WNB en F in privé, terwijl de belangen van deze opdrachtgevers tegenstrijdig waren en (B) diensten heeft verleend aan F in privé betreffende de doorverkoop na een management buy out van WNB, waarvan WNI niet op de hoogte was – en in het belang van F in privé – niet op de hoogte mocht komen.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

4.6.1 Betrokkenen hebben niet, althans onvoldoende weersproken aangevoerd dat de financiële situatie van WNB ten tijde hier van belang slecht was: het eigen vermogen was zwaar negatief, er waren onvoldoende liquiditeiten om op korte termijn aan de verplichtingen te voldoen en WNB was technisch failliet. WNI wilde derhalve af van WNB.

Niet in geschil is dat in juli 2003 tussen WNI en F de mogelijkheid is besproken van een management buy out van WNB door F, door overname van de aandelen in WNB. F heeft zich geïnteresseerd getoond in deze mogelijkheid. Nadat F WNI aanvankelijk had bericht dat hij zich in het traject dat zou leiden tot de management buy out zou laten bijstaan door betrokkene 2, heeft hij bij e-mailbericht van 30 juli 2003 WNI meegedeeld dat hij betrokkene 1 daar voor heeft aangewezen, omdat betrokkene 2 een conflict van belangen kon hebben, nu betrokkene 2 de administratie van WNB verzorgde. Bij deze stand van zaken was naar het oordeel van het College het bijzondere belang dat betrokkene 1 in het kader van de management buy out vertegenwoordigde voor WNI kenbaar, zodat is voldaan aan artikel 9, tweede lid, Gedrags- en beroepsregels Accountants-Administratieconsulenten (hierna: GBAA).

4.6.2 Betrokkenen hebben aangevoerd dat betrokkene 1, naast de werkzaamheden in het kader van de management buy out, in opdracht van F ten behoeve van WNB onderzoek heeft gedaan naar de levensvatbaarheid van WNB. Hoewel WNB een en ander betwist ziet het College, mede gezien evenbedoelde financiële situatie van WNB, geen aanleiding hieraan te twijfelen. Aangezien niet is gebleken dat F niet de bevoegdheid had een dergelijke opdracht te verstrekken aan betrokkene 1, valt niet in te zien dat betrokkene 1 hieraan geen uitvoering zou hebben mogen geven. Daaraan doet dus niet af dat de opdracht niet van of met medeweten van WNI danwel de commissarissen van WNB kwam.

4.6.3 Betrokkene 1 heeft voorts niet dan wel onvoldoende weersproken aangevoerd dat hij in het kader van evenbedoeld onderzoek contact heeft gelegd met Meteo Consult (Wegener). Hij heeft er in dit verband op gewezen dat F een management buy out niet alleen zou kunnen financieren, zodat een derde partij noodzakelijk was om de management buy out te laten slagen. Vervolgens heeft betrokkene 1 met Meteo Consult (Wegener) de afspraak gemaakt om direct na de koop van WNB door F de activa en passiva van WNB te verkopen aan Meteo Consult (Wegener). Naar het oordeel van het College volgt uit de omstandigheid dat F omtrent zijn motieven over de management buy out en de door hem voorgenomen verkoop van de activa en passiva van WNB aan Wegener ten opzichte van WNI geen open kaart heeft gespeeld, niet dat betrokkene 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door desondanks deze werkzaamheden voor F te verrichten. Hiertoe overweegt het College dat, zoals de raad van tucht terecht heeft vastgesteld, uit de overgelegde correspondentie tussen F en de vertegenwoordiger van WNI niet kan worden afgeleid dat een dergelijke doorverkoop in strijd zou komen met de wensen van WNI. Het betoog van WNB dat tot aan de ontmaskering van F nog niet over verkoop restricties was gesproken, zodat niet met zekerheid valt te zeggen of dit bij voortzetting van de onderhandelingen al dan niet gebeurd zou zijn, overtuigt niet. Het College acht daarbij van belang dat op grond van hetgeen is aangevoerd moet worden vastgesteld dat de onderhandelingen zich reeds in een vergevorderd stadium bevonden en dat ook in de door WNI opgestelde conceptovereenkomst van 30 oktober 2003 geen verkooprestricties zijn opgenomen.

Het College is voorts met de raad van tucht van oordeel dat ook overigens niet in voldoende mate omstandigheden zijn komen vast te staan waaruit betrokkene 1 zou hebben moeten afleiden dat evenbedoelde verkoop in strijd zou komen met hetgeen WNI wenste, althans ontoelaatbaar zou zijn. De omstandigheid dat WNI in haar onwetendheid in feite niet zou meewerken aan een management buy out maar aan een verkoop aan de concurrent, waarbij de marktwaarde van de onderneming niet aan haar zou toekomen, maakt dat niet anders, aangezien WNI van WNB af wilde vanwege de slechte financiële situatie van laatstgenoemde.

Voorts is niet voldoende aannemelijk kunnen worden dat betrokkene 1 had behoren te begrijpen dat de belangen van F enerzijds en WNB anderzijds bij de voorgenomen verkoop van de activa en passiva van WNB aan Meteo Consult in zodanige mate conflicteerden dat hij door de door hem terzake verrichte activiteiten tuchtrechtelijk verwijtbaar handelde. Het College neemt hierbij in aanmerking dat het belang van F zich weliswaar duidelijk manifesteert, maar dat er niet aan voorbij kan worden gezien dat WNB zich in een slechte financiële situatie bevond en dat de opbrengst van de verkoop van haar activa en passiva aan haar ten goede zou komen.

4.6.4 Uit het voorgaande volgt dat de raad van tucht de klachtonderdelen A en B terecht ongegrond heeft verklaard. De eerste, tweede, derde en vijfde grief falen derhalve.

4.7 Klachtonderdeel C klaagt erover dat betrokkene 1 op verzoek van F in privé naar hun aard geheime bedrijfsgegevens van WNB heeft verzameld en deze heeft verstrekt aan Meteo Consult. De vierde grief richt zich tegen het oordeel van de raad van tucht dienaangaande. Het College overweegt daarover als volgt.

Betrokkene 1 heeft erkend dat hij op verzoek van F bedrijfsgegevens van WNB aan Wegener heeft verstrekt. Partijen verschillen niet van mening over het feit dat het verstrekken van vertrouwelijke bedrijfsgegevens inherent is aan de doorverkoop van (de activa en passiva van) een bedrijf. Deze verkoop aan de (aandeelhouder van de) concurrent brengt echter met zich dat prudent met het verstrekken van deze gegevens moet worden omgegaan. Betrokkene 1 heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Omdat Meteo Consult de directe concurrent van WNB is, zijn de gegevens niet aan Meteo Consult maar aan diens aandeelhouder Wegener verstrekt. Voorts is met Wegener een geheimhoudings-overeenkomst gesloten. Aangezien F zich ervan bewust was dat hij in het geval de overeenkomst met Wegener geen doorgang zou vinden toch in concurrentie met Meteo Consult moest blijven handelen, is ervoor gekozen alleen financiële informatie te verstrekken die niet schadelijk voor WNB zou kunnen zijn. Gegevens van strategische aard heeft betrokkene 1 niet verschaft. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van het College geen grond voor de conclusie dat betrokkene 1 niet prudent met de gegevens is omgegaan. Voorts bestaat, in aanmerking genomen de slechte financiële situatie van WNB ten tijde hier van belang, evenmin grond voor de conclusie dat betrokkene 1 deze gegevens in een onaanvaardbaar vroeg stadium van de onderhandelingen aan Wegener heeft verstrekt.

De raad van tucht heeft klachtonderdeel C derhalve terecht ongegrond verklaard, zodat de daartegen gerichte vierde grief geen doel treft.

4.8 Ten aanzien van klachtonderdeel D, waarin WNB betrokkene 1 verwijt de kosten van de voor F in privé verrichte werkzaamheden aan haar in rekening te hebben gebracht, terwijl door die werkzaamheden de belangen van WNI dan wel WNB werden geschaad en de op het oordeel van de raad van tucht over dit klachtonderdeel betrekking hebben grieven zes, zeven en acht, overweegt het College als volgt.

WNB heeft ter onderbouwing van haar stellingen gewezen op factuurspecificaties van het kantoor G van de maanden oktober 2003 en november 2003. Uit deze specificaties blijkt dat door dit kantoor werkzaamheden van betrokkene 1 zijn gedeclareerd aan WNB. Uit die specificaties, noch anderszins is gebleken dat deze gedeclareerde werkzaamheden ten behoeve F privé zijn verricht. Zowel tijdens de zitting van de raad van tucht als tijdens de zitting van het College heeft betrokkene 1 zich op het standpunt gesteld dat aan WNB uitsluitend werkzaamheden zijn gedeclareerd die in opdracht van F in diens hoedanigheid van directeur van WNB zijn verricht. De werkzaamheden in het kader van de management buy out zijn volgens betrokkene 1 bij F in rekening gebracht.

Bij deze stand van zaken en in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat WNB door deze werkzaamheden is benadeeld, acht het College geen aanknopingspunt aanwezig voor het terzake aan betrokkene gemaakte verwijt. De raad van tucht heeft klachtonderdeel D derhalve terecht ongegrond verklaard. De grieven zes, zeven en acht slagen derhalve niet.

4.9 In klachtonderdeel E heeft WNB geklaagd dat betrokkenen tot uitoefening van een retentierecht zijn overgegaan toen WNB gemotiveerd weigerde de declaraties terzake van voor F in privé verrichte werkzaamheden te voldoen, als gevolg waarvan WNB € 1.500,- aan extra kosten heeft gemaakt.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Hoewel zijn naam nog steeds verbonden is aan kantoor G, was betrokkene 1 ten tijde hier van belang niet werkzaam bij dit kantoor. Hij verleende desgevraagd wel diensten voor het kantoor. De aan evenbedoeld klachtonderdeel ten grondslag liggende correspondentie is namens het kantoor G gevoerd door betrokkene 2 en dateert van vóór diens inschrijving in het accountantsregister. De vraag of betrokkene 1 onder de gegeven omstandigheden verantwoordelijk kan worden gehouden voor het hier aan de orde zijnde gedrag van betrokkene 2, zal het College in het midden laten, nu WNB niet aannemelijk heeft gemaakt dat en waarom betrokkene 2 gehouden was de door hem achtergehouden back-up aan haar te verstrekken. Het College neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene 2 ter zitting van het College onweersproken heeft verklaard dat het ging om een back-up van de software met behulp waarvan de boekhouding van WNB werd verwerkt. Hoewel WNB tevens heeft aangevoerd dat ook de jaaropgaven 2003 vertraagd werden afgeleverd, hebben betrokkenen daartegenover gesteld dat als gevolg van drukke werkzaamheden weliswaar enige vertraging is ontstaan bij het afleveren van deze jaaropgaven, maar dat deze tijdig aan Belastingdienst en UWV zijn verstrekt. De raad van tucht heeft dit klachtonderdeel derhalve terecht ongegrond verklaard, zodat de negende grief, die hiertegen is gericht, faalt.

4.10 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep voor het overige moet worden verworpen.

4.11 De hierna te vermelden beslissing berust op titel IV van de Wet AA.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van WNI niet-ontvankelijk;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J.H.W. de Planque in tegenwoordigheid van

mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2006.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Venekamp