Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AY4167

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
19-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/248
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Anti-dumpingheffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/248 30 juni 2006

23510 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Anti-dumpingheffing

Uitspraak in de zaak van:

Cannondale Europe B.V., te Oldenzaal, appellante,

gemachtigden: mrs. R.G.A. Tusveld en D.L.L. van den Berg, werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V. te Rotterdam,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. T.J.W. Spanbroek, werkzaam bij de Belastingdienst/Douane Zuid, kantoor Roermond.

1. Het procesverloop

Op 5 maart 2003 heeft de Inspecteur van de Belastingdienst aan appellante een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt. Voorzover deze UTB betrekking heeft op door appellante te betalen anti-dumpingheffingen dan wel compenserende heffingen ten bedrage van € 3.961,48, heeft de inspecteur dit, zo blijkt uit de UTB, namens verweerder gedaan.

Bij besluit van 21 augustus 2003 heeft de Inspecteur het tegen de UTB van 5 maart 2003 gerichte bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Ter zitting is bevestigd dat dit, ten aanzien van de anti-dumpingheffingen, namens verweerder is gebeurd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 september 2003 beroep ingesteld bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam. Dit beroep is door de Douanekamer ontvangen op 18 september 2003.

Appellante heeft bij brief van 22 december 2003 de gronden van haar beroep aangevoerd.

Bij brief van 16 februari 2004 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de Douanekamer bij brief van 14 juli 2004 enige nadere stukken doen toekomen.

De Douanekamer heeft bij brief van 4 april 2005 het beroep van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2003, voorzover gericht tegen de handhaving in bezwaar van de anti-dumpingheffingen, doorgestuurd naar het College.

Het College heeft partijen bij brief van 30 september 2005 verzocht of zij kunnen instemmen met aanhouding van het bij het College aanhangige beroep, totdat de Douanekamer definitief heeft beslist op het beroep van appellante tegen het bestreden besluit voor wat betreft de opgelegde douanerechten.

Verweerder heeft bij brief van 13 oktober 2005, appellante bij brief van 18 oktober 2005, ingestemd met dit verzoek.

Naar aanleiding van nader overleg tussen het College en de Douanekamer heeft het College partijen bij brief van 14 maart 2006 bericht dat het College de behandeling van het beroep zal voortzetten. Bij deze brief is appellante daarnaast verzocht te reageren op de door verweerder op 14 juli 2004 in geding gebrachte stukken.

Bij brief van 27 maart 2006 zijn partijen uitgenodigd voor een zitting.

Appellante heeft bij brief van 4 april 2006 bericht geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om de zitting bij te wonen.

Op 19 mei 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Op 24 april 2002 heeft appellante voor een partij van tien kartons tweewielers, kleding en accessoires aangifte tot plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer gedaan. Zij heeft daartoe een document T1, met nr. 642086 d.d. 24 april 2002, afgegeven.

In dit document staat Slovenië als land van bestemming van de goederen vermeld.

De Douanepost Zuivering heeft appellante op 3 juli 2002 in een "Mededeling niet beëindiging regeling Douanevervoer" medegedeeld dat het terugzendingsexemplaar van voornoemde aangifte niet is ontvangen. Daarbij is appellante in de gelegenheid gesteld om het bewijs te leveren dat voornoemde regeling wel is beëindigd.

Bij brieven van 23 juli 2002, 3 december 2002 en 10 april 2003 heeft appellante met het oogmerk de beëindiging van de regeling te bewijzen, enkele bescheiden overgelegd.

De Inspecteur van de Belastingdienst heeft deze stukken evenwel niet als bewijs van zuivering aanvaard en aan appellante voornoemde UTB uitgereikt. De daarin namens verweerder opgelegde anti-dumpingheffingen zijn gebaseerd op artikel 22a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr).

Gelet op het bepaalde in artikel 30d Awr, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het College bevoegd om van het beroep tegen het opleggen van deze heffing kennis te nemen.

2.2 Appellante heeft in beroep uitsluitend aangevoerd dat verweerder het T1-document ten onrechte als niet-gezuiverd heeft aangemerkt en heeft hiertoe verwezen naar de door haar overgelegde stukken.

2.3 Het College overweegt het volgende.

Allereerst heeft appellante bij brief van 23 juli 2002 een afschrift overgelegd van het vierde exemplaar van het document T1. Namens de Finanzlandesdirektion für Steiermark te Oostenrijk is evenwel desgevraagd bij brief van 19 augustus 2002 verklaard dat de op dat exemplaar geplaatste stempelafdruk een vervalsing is. Het College ziet geen reden aan deze verklaring te twijfelen. Dit document kan bijgevolg niet dienen als bewijs van zuivering.

Ook het door appellante bij brief van 3 december 2002 overgelegde afschrift van een ander exemplaar van het T1-document, voorzien van een Sloveense stempelafdruk, kan niet als een zodanig bewijs gelden. Uit rubriek 54 van dit document blijkt dat het is afgetekend op 12 maart 2001. De aangifte tot plaatsing onder de regeling heeft echter eerst op 24 april 2002 plaatsgevonden.

Bij brief van 10 april 2003 heeft appellante verweerder nog een kopie van een ander exemplaar van een Sloveense aangifte met een Sloveense stempelafdruk, gedateerd 26 april 2002, doen toekomen. Na de beslissing op het bezwaar heeft appellante bij brief van 10 oktober 2003 het originele exemplaar van dit Sloveense document aan verweerder nagezonden. Bij brief van 3 maart 2004 heeft evenwel de Sloveense Douane verweerder bericht dat het als bewijs aangedragen Sloveense document niet tot stand is gekomen volgens de regels, niet kan worden geaccepteerd als een officieel invoerdocument van de Sloveense douaneautoriteiten en evenmin officieel is geregistreerd in Slovenië. Daarnaast heeft het Landelijk Team Falsificaten, blijkens een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van 6 mei 2004, vastgesteld dat het document niet officieel in Slovenië is geregistreerd en dat de gebruikte stempelafdruk afwijkt van het authentieke stempel van de Sloveense autoriteiten. Verweerder heeft derhalve terecht geoordeeld dat dit document kan niet kan worden aanvaard als bewijs van de juistheid van de door appellante in beroep ingenomen stelling.

2.4 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en dr. B. Hessel in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2006.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. R. Meijer