Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX9820

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/355 20 juni 2006

20330 Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen

Uitspraak in de zaak van:

Landbouwloonbedrijf A, te X, appellante van een uitspraak van het Tuchtgerecht Akkerbouwproductschappen van 18 april 2005 (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij uitspraak van 18 april 2005 met zaaknummer AM 04-50, aan appellante toegezonden bij brief van 19 april 2005, heeft het tuchtgerecht aan appellante een maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 7 van de Verordening HPA Aardappelmoeheid 2003 (hierna: verordening).

Bij brief van 27 mei 2005, bij het College binnengekomen op 30 mei 2005, heeft appellante tegen die beslissing hoger beroep bij het College ingesteld.

Bij brief van 2 juni 2005 heeft het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 27 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Namens appellante is verschenen B. Van de zijde van het Hoofdproductschap Akkerbouw zijn inlichtingen verstrekt door mr. O. van der Vliet en ir. ing. A. Waterink.

2. De grondslag van het geschil

In de Verordening HPA aardappelmoeheid 2003 is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3

1. Het is een ondernemer verboden aardappelen te telen op een perceel, waarop zich binnen de twee aan dat tijdstip voorafgaande kalenderjaren zulke planten hebben bevonden.

(…).

Artikel 5

(…)

4. De voorzitter stelt namens het bestuur bij besluit de voorschriften vast waaronder ontheffing van het bepaalde in artikel 3, eerste lid verleend kan worden.

(…)

Artikel 7

Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld. Een door het bevoegde tuchtgerecht op te leggen geldboete mag niet hoger zijn dan € 450,- per overtreding, totdat het op 24 februari 2000 ingediende voorstel van wet “Nieuwe regelen inzake tuchtrechtspraak in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (…)”, tot wet wordt verheven en in werking treedt.”

In het op grond van artikel 5, vierde lid, verordening vastgestelde Besluit HPA voorschriften ontheffingen aardappelmoeheid 2003 (hierna: Besluit) is bepaald:

“Artikel 2

1. Ontheffing van het in artikel 3, eerste lid van de verordening bepaalde kan worden verleend in de volgende situaties:

(…)

d. bijzondere situaties

2. De aanvraag dient voor 1 mei van het betreffende jaar te worden ingediend.

3. Aanvragen na 1 mei van het desbetreffende jaar worden niet meer in behandeling genomen.”

In de toelichting bij het Besluit is onder meer de volgende passage opgenomen:

“4. Bijzondere situatie

Hieronder wordt o.a. verstaan:

- (…)

- onttrekking aan agrarisch gebruik. (…)

(…).”

In de Wet van 29 januari 2004, houdende nieuwe regelen inzake tuchtrechtspraak in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004), die in werking is getreden op 1 april 2004, is onder meer bepaald:

“Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen (…), die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(…)

b. geldboete;

(…).

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,- .

(…).”

3. De bestreden uitspraak

Het tuchtgerecht heeft appellante een boete opgelegd van € 500 vanwege overtreding van het in artikel 3, eerste lid, verordening opgenomen verbod aardappelen te telen op een zelfde (gedeelte van een) perceel waar het jaar daarvoor ook aardappelen zijn geteeld.

Ter zake van het procesverloop, de beoordeling van de overtreding en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak, die in afschrift aan deze uitspraak gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het verwijt van het tuchtgerecht dat de overtreding bewust zou hebben plaatsgevonden, onterecht is. Daartoe heeft appellante het volgende aangevoerd.

De heer C, toezichthouder HPA, heeft naar aanleiding van een telefoongesprek in december 2004 een verklaring opgemaakt waaruit blijkt dat het perceel grond waarop in 2004 aardappelen geteeld zijn, was onttrokken aan de landbouw en de bestemming industrie had gekregen. Het perceel mocht gebruikt worden, mits het op 1 augustus 2004 leeg zou zijn. Op grond daarvan meende appellante dat geen ontheffing behoefde te worden aangevraagd. Daarom is ook geen sprake van bewuste overtreding.

Ter zitting van het tuchtgerecht bleek dat als ontheffing zou zijn aangevraagd, die ook zou zijn verkregen onder de eerder aangehaalde voorwaarde. Om die reden en omdat het de eerste keer is dat deze overtreding is begaan, is het redelijk dat de kosten van de ontheffing (€ 125,-) betaald zouden moeten worden in plaats van de opgelegde boete.

5. De beoordeling van het beroep

Het College is van oordeel dat het betoog van appellante dat de regelgeving niet bewust is overtreden, niet kan leiden tot het door appellante beoogde doel. Het College overweegt daartoe dat appellante als landbouwbedrijf op de hoogte dient te zijn van de regelgeving ter zake van de aardappelteelt en dat niet is gesteld of gebleken dat de nalatigheid van appellante ten aanzien van het aanvragen van een ontheffing gebaseerd is op een advies of toestemming van een autoriteit met zodanige kenmerken dat sprake zou kunnen zijn van verontschuldigbare rechtsdwaling. De uitleg die appellante heeft gegeven aan de, zoals door appellante verklaard, haar bekende regelgeving, dient derhalve voor risico van appellant te blijven.

Voor zover appellante heeft willen betogen dat zij geen ontheffing heeft aangevraagd (mede) vanwege tijdnood in verband met de noodzaak om vroeg in het seizoen (maart) aardappelen te poten, overweegt het College dat deze tijdnood kennelijk is voortgevloeid uit de wens van appellante de grond nog te benutten voor de aardappelteelt alvorens de grond bouwrijp zou worden gemaakt. Deze omstandigheid komt voor rekening van appellante, zodat dit evenmin af kan doen aan de (mate van) verwijtbaarheid van de overtreding van artikel 3, eerste lid, verordening.

Op grond hiervan is het College van oordeel dat het tuchtgerecht op goede gronden een maatregel heeft opgelegd.

De grief van appellante ter zake van de boeteoplegging slaagt derhalve niet.

Het College stelt vast dat het tuchtgerecht de hoogte van de boete heeft bepaald op grond van het belang dat de norm beoogt te beschermen (verspreiding aardappelziekte), de mate van verwijtbaarheid van de normovertreding (ernstig), de omstandigheid dat een ontheffing zou zijn verleend en de omvang van het perceel (niet al te groot). Het College is van oordeel dat het tuchtgerecht bij de bepaling van de hoogte van de boete de relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en acht de boete, mede tegen de achtergrond van artikel 4 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 en de kosten van de aanvraag van een ontheffing, passend en geboden. Ook deze grief van appellante slaagt derhalve niet.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van appellante ongegrond is.

Deze uitspraak steunt op de in rubriek 2 genoemde bepalingen, alsmede op Titel V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2006

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Graefe