Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX9777

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/303
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/303 13 juni 2006

4000 Heffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

Productschap Pluimvee en Eieren, verweerder,

gemachtigde: mr. W.J.L. Verheul, werkzaam bij de Productschappen Vee, Vlees en Eieren.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 9 mei 2005, bij het College binnengekomen op 10 mei 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 12 november 2004, waarbij op grond van de Verordening heffingen edelpelsdieren (PPE) 2004 een heffing is opgelegd, ongegrond verklaard.

Bij brief van 12 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven, gedateerd 4 juni 2006, door het College ontvangen op 9 mei 2006, heeft appellant een nader stuk ingediend.

Op 29 mei 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: de wet) bepaalt, voorzover thans van belang:

"Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan (…):

a. (…);

e. onderzoek op sociaal, economisch en technisch terrein;

g. fondsen en andere instellingen in het belang der bedrijfsgenoten.

(…)

Artikel 126

1. Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld.

(…) "

De Verordening heffingen edelpelsdieren (PPE) 2004 (hierna: de Verordening), zoals gewijzigd en voorzover hier van belang, luidt:

"Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

onderneming : een onderneming waarvoor het productschap is ingesteld;

ondernemer : een natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft.

Artikel 2

1. Elke ondernemer die nertsen of vossen houdt is aan het productschap een heffing verschuldigd over het aantal moederdieren nertsen en moederdieren vossen die hij op het tijdstip van de landbouwtelling in het kalenderjaar 2004 houdt.

2. Het tarief van de in het eerste lid bedoelde heffing bedraagt:

€ 1,79877 per moederdier nerts en moederdier vos, waarvan:

€ 0,03652 voor de dekking van huishoudelijke uitgaven,

€ 0,13613 voor het gezondheidszorgfonds en

€ 1,62612 voor het o. en o.-fonds

bestemd is.

Artikel 8

De voorzitter kan, namens het bestuur, in bepaalde gevallen ontheffing verlenen van de bepalingen in de artikelen 2 en 3, tweede en vijfde lid, van deze verordening. (…) "

In de toelichting bij de Verordening staat onder meer het volgende vermeld:

"- de doelstellingen die worden nagestreefd en de te verwachten (neven)effecten van de verordening

De in het kader van onderhavige verordening op te leggen heffingen worden aangewend voor de financiering van de werkzaamheden van het productschap en van de maatregelen op het vlak van de gezondheidszorg en onderzoek en ontwikkeling. (…)

Gebleken is dat de resultaten van het pelsdierenpraktijkonderzoek, gezien de politieke discussie over de toelaatbaarheid van de pelsdierensector in Nederland, van levensbelang zijn voor de sector. Per 31 december 2003 dient het huidige praktijkonderzoekcentrum te worden ontruimd. Ter vervanging van dat centrum is elders een onderzoeksaccomodatie gekocht. De financiering van die aankoop zal voor een belangrijk deel collectief moeten worden opgebracht.

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten

en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluiten van 12 november 2004 heeft verweerder aan appellant krachtens de Verordening een heffing opgelegd tot een bedrag van € 2.518,28, berekend op basis van 1.400 moederdieren. Hiervan is € 2.276,57 bestemd voor het onderzoekscentrum.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 december 2004 bezwaar gemaakt. Bij schrijven van 16 januari 2005 heeft appellant het bezwaar aangevuld en aan verweerder medegedeeld dat hij afziet van een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij – samengevat weergegeven – het volgende overwogen.

Het onderzoekscentrum, dat mede door de heffing wordt gefinancierd, zal diensten verrichten voor alle bedrijfsgenoten van het productschap, ongeacht of zij lid zijn van de Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders (hierna: NFE). Hierom wordt in de Verordening volgens verweerder ook geen rekening gehouden met het eventuele lidmaatschap van de NFE en ook de ontheffingsmogelijkheid van artikel 8 van de Verordening ziet niet op deze omstandigheid. Voorts kan en wordt bij de toepassing van de Verordening geen rekening gehouden met de door appellant voorgehouden mogelijkheid dat een heffingsplichtige bedrijfsgenoot na het tijdstip van de landbouwtelling zijn bedrijf beëindigt. Nu appellant niet heeft gesteld en evenmin anderszins is gebleken dat hij geen ondernemer is in de zin van de heffingsverordening of dat het aantal moederdieren waarop de heffing is gebaseerd onjuist is, is de heffing op goede gronden opgelegd. Verweerder heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat met het onderzoekscentrum een algemeen en sectoraal belang wordt gediend en dat daarom de heffing aan iedere ondernemer die nertsen of vossen houdt wordt opgelegd. De kritiek van appellant, dat de regeling onredelijk is, kan hieraan niet afdoen.

In zijn verweerschrift heeft verweerder hieraan nog toegevoegd dat appellant gedurende het gehele kalenderjaar 2004 een ondernemer is geweest als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening. Voorts is niet van belang of appellant, als individuele ondernemer, profijt heeft van de met de heffing bekostigde activiteiten. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van het College van 19 december 2003 (nr. AWB 02/379, www.rechtspraak.nl, LJN AO1784).

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn beroep, kort weergegeven, aangevoerd dat in de Verordening ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat een ondernemer, die op het tijdstip van de landbouwtelling op 1 mei moederdieren houdt, op 2 mei stopt met het bedrijf. In deze situatie zou de ondernemer toch volledig moeten betalen voor een activiteit waar hij de komende jaren part noch deel aan zou hebben. Volgens appellant is het in strijd met de geest van de wet om degenen die geen gebruik zullen maken van de (resultaten van de) nieuwe onderzoeksaccommodatie daarvoor toch te laten betalen en is het evenmin redelijk dat degenen die ná 1 mei 2004 nertsen houden en in de toekomst profijt zullen hebben van de proeffarm juist niets hoeven bij te dragen aan de kosten daarvan.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat appellant niet heeft betwist dat de heffing voor 2004 overeenkomstig de Verordening is opgelegd. Dit betekent dat het bestreden besluit slechts voor vernietiging in aanmerking zou komen, indien geoordeeld moet worden dat de Verordening die aan de in geding zijnde heffing ten grondslag ligt, onverbindend is. Verweerder komt bij de vaststelling van de bestemming van een heffing een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe en het College dient de uitoefening van deze bevoegdheid derhalve terughoudend te toetsen.

Zoals onder meer blijkt uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van 19 december 2003, is de bevoegdheid van verweerder tot het opleggen van een heffing als de onderhavige niet afhankelijk van het profijt dat de individuele ondernemer al dan niet heeft bij de hiermee bekostigde activiteiten. Het College gaat er vanuit dat het onderhavige onderzoekscentrum een algemeen nut kan hebben voor de sector. Dit betekent dat in onderhavige zaak uitsluitend aan de orde is of de keuze van de regelgever om het gehele bedrag dat nodig is voor het onderzoekscentrum in één jaar door de bedrijfsgenoten te laten opbrengen en hiebrij geen uitzondering te maken voor ondernemers die binnen een korte termijn na oplegging van de heffing hun onderneming beëindigen, de rechterlijke toets kan doorstaan.

Namens verweerder is hieromtrent ter zitting nog onweersproken gesteld, dat bij het opstellen van de Verordening in aanmerking is genomen dat de financiële situatie van de bedrijfsgenoten over het algemeen goed is en dat geen aanleiding is gezien om speciaal voor ondernemers die hun onderneming zouden willen beëindigen een aparte benadering te kiezen.

Het College overweegt dat, hoewel een andere keuze om de lasten over de bedrijfsgenoten te verdelen denkbaar zou zijn geweest, niet kan worden volgehouden dat de Verordening, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid op deze wijze mocht worden vastgesteld. Er valt geen rechtsregel aan te wijzen die eraan in de weg staat ervoor te kiezen de kosten voor de accommodatie om te slaan over alle ondernemers die in een bepaald jaar actief zijn.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat de Verordening onverbindend is. Verweerder heeft het bezwaar van appellante tegen de opgelegde heffing daarom terecht ongegrond verklaard. De conclusie is dan ook dat het beroep eveneens ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zijn geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. J.M.W. van de Sande