Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX9776

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/196
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 05/196 13 juni 2006

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting en

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

RUCO Industries Services B.V., gevestigd te Valkenswaard, appellante

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Volkers en mr. I.A.M. van Nieuwkerk, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om een verklaring als bedoeld in artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA)

Bij besluit van 3 februari 2005 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 16 maart 2005, ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 1 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 24, derde lid, van de WVA (zoals deze luidde ten tijde van belang) moet een verzoek om een S&O-verklaring door een S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk een S&O-belastingplichtige worden ingediend uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het desbetreffende loon zal worden genoten onderscheidenlijk uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het speur- en ontwikkelingswerk door de S&O-belastingplichtige zal worden verricht.

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat gelet op het bepaalde in artikel 24, voornoemd, de aanvraag voor 3 december 2003 moest zijn ingediend. De aanvraag heeft verweerder evenwel pas op 21 oktober 2004 ontvangen. Weliswaar kan appellante worden toegegeven dat appellante eind 2003 niet kon voorzien dat zij zou worden gesplitst, maar juist met het oog op bedrijfsorganisatorische wijzigen bestaat een tweede indieningsmogelijkheid halverwege het kalenderjaar, te weten 2 juni 2004. Van deze mogelijk is evenmin gebruik gemaakt. Het is niet mogelijk appellante te registreren als inhoudingsplichtige na de wettelijke indieningstermijn.

2.3 Appellante staat op het standpunt dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding, omdat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Nadat appellantes voorganger, RUCO Industries B.V., in november 2003 was meegedeeld te zijn ingedeeld in de CAO-categorie van het grootmetaal, werd het RUCI Industries B.V. pas eind januari 2004 duidelijk dat zij toch zou worden ingedeeld in de categorie van het kleinmetaal, mits zij voor 1 april 2004 zou zijn gesplitst. Ten behoeve van de splitsing is vervolgens appellante opgericht. Het was door deze omstandigheid voor appellante niet mogelijk om voor 3 december 2003 de aanvraag in te dienen.

2.4 Het College overweegt dat vast staat dat de aanvraag van appellante niet voor de uit artikel 24, derde lid, van de WVA voortvloeiende datum - in het onderhavige geval 3 december 2003 - is ingediend. Immers, tussen partijen wordt niet betwist dat appellante het verzoek op 20 oktober 2004 heeft ingediend en het door verweerder op 21 oktober 2004 is ontvangen. In hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd, te weten onduidelijkheid over de indeling van RUCO Industries B.V. in een bepaald CAO-categorie, behoefde verweerder geen aanleiding te zien zodanig bijzondere omstandigheden aanwezig te achten dat de onderhavige termijnoverschrijdingen van ruim tien maanden voor de eerste indieningstermijn en bijna vier maanden voor de tweede indieningstermijn, verschoonbaar zouden zijn.

Weliswaar kwam voor appellante pas in januari 2004 duidelijkheid over haar bedrijfsorganisatorische situatie, doch appellante heeft zelf ook de tweede indieningsmogelijkheid, halverwege het kalenderjaar voorbij laten gaan. Aangenomen moet worden dat appellante tegen die tijd haar bedrijfsprocessen zodanig op orde kon hebben dat van genoemde mogelijkheid gebruik kon worden gemaakt.

2.5 Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. L. van Duuren