Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX9712

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/354
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 05/354 22 juni 2006

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, kantoorhoudende te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 19 april 2005.

1. De procedure

Bij brief van 3 november 2003 heeft C B.V. te D (hierna: klaagster) bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen appellant.

Bij beslissing van 19 april 2005 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Bij een op 30 mei 2005 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brief van 2 juni 2005 stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 4 juli 2005 heeft klaagster gereageerd op het beroepschrift.

Op 11 mei 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, alwaar zijn verschenen, appellant en namens klaagster, E (hierna: E) en F, respectievelijk haar algemeen directeur en haar financieel directeur.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en appellant terzake van de gegrond bevonden onderdelen de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het College stelt vast dat het beroep van appellant zich uitsluitend richt tegen de gegrondverklaring van het eerste klachtonderdeel en tegen de aan appellant opgelegde maatregel. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel heeft de raad van tucht geoordeeld dat appellant de door hem te betrachten geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

3.2 Ingevolge artikel 10, eerste lid, Verordening Gedrags- en Beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) houdt de registeraccountant geheim al hetgeen hem in de uitoefening van zijn beroep als geheim is toevertrouwd of wat daarbij als een vertrouwelijke aangelegenheid te zijner kennis is gekomen, voor zover bij of krachtens de wet niet anders wordt vereist.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, GBR-1994 maakt de registeraccountant van vertrouwelijke gegevens die in de uitoefening van zijn beroep te zijner kennis zijn gekomen, niet verder of anders gebruik, en geeft hij aan die gegevens niet verder of anders bekendheid, dan voor de vervulling van zijn taak of bij of krachtens de wet wordt vereist.

Ingevolge artikel 10, derde lid, GBR-1994 is degene wiens aangelegenheid het betreft, indien deze de registeraccountant heeft ontslagen van zijn plicht tot geheimhouding, gehouden de belangen van alle betrokkenen en van de stand der registeraccountants zorgvuldig af te wegen alvorens tot bekendmaking over te gaan.

3.3 Tussen partijen is niet in geschil zodat als vaststaand wordt aangenomen dat appellant op grond van de cliƫntrelatie met klaagster de beschikking heeft gehad over vertrouwelijke gegevens van klaagster, te weten diens boekhouding, waartoe de concept-declaraties behoorden. Op appellant rustte derhalve in beginsel de plicht deze gegevens geheim te houden. Daarbij is niet van belang dat appellant niet was belast met de wettelijke controle van klaagster, maar ten tijde als hier aan de orde een samenstellingsopdracht had.

Betrokkene heeft gesteld dat klaagster hem weliswaar niet uitdrukkelijk heeft ontslagen van zijn geheimhoudingsverplichting, maar dat hij met klaagster heeft gesproken toen hij de concept-declaraties in de administratie aantrof en dat hij uit de opstelling van klaagster heeft begrepen dat klaagster er geen bezwaar tegen had indien uit deze concept-declaraties blijkende informatie zou worden gebruikt in een procedure tegen de ex-compagnon van betrokkene. Aangezien klaagster ontkent toestemming voor gebruik door betrokkene van de concept-declaraties te hebben gegeven en deze niet op objectief verifieerbare wijze blijkt, kan het College onder deze omstandigheden slechts constateren dat niet is gebleken dat betrokkene van zijn geheimhoudingsverplichting ten aanzien van bedoelde stukken is ontheven. Dat betrokkene een andere duiding heeft gegeven aan zijn gesprek terzake met klaagster valt onder deze omstandigheden, mede gelet op het vertrouwen dat klaagster mag stellen in naleving van de geheimhoudingsverplichting, binnen zijn risicosfeer.

Voorts heeft appellant erkend afschriften van deze declaraties uit de administratie van klaagster te hebben meegenomen. Appellant heeft vervolgens toegestaan dat zijn compagnon, G (hierna: G), kennis nam van een gedeelte van klaagsters boekhouding en genoemde afschriften heeft gebruikt als productie bij een concept-dagvaarding, die is uitgebracht in verband met een door de maatschap aan te spannen civiele procedure tegen de voormalig compagnon. Het College is van oordeel dat appellant hiermee gegevens aan een derde heeft bekend gemaakt en deze gegevens heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze hem ter kennis zijn gekomen. Voor de vervulling van zijn taak als samenstellend accountant van klaagster was het immers niet noodzakelijk dat appellant afschriften aan G bekend maakte. In de relatie tussen appellant en klaagster heeft G te gelden als derde, omdat niet is gebleken dat G, noch diens persoonlijke vennootschap betrokken was bij de werkzaamheden die appellant op basis van zijn samenstellingsopdracht voor klaagster heeft verricht. Het betoog van appellant dat hij als lid van de maatschap persoonlijk belanghebbende was bij de door hem gestelde overtreding van het non-relatiebeding door H en dat hij de afschriften van de declaraties heeft willen aanwenden om deze overtreding in rechte aan te tonen, maakt het gedrag van appellant weliswaar inzichtelijk, maar rechtvaardigt dit niet.

Gelet op het voorgaande heeft de raad van tucht terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Appellant heeft daarmee artikel 10 GBR-1994 overtreden.

3.4 Met betrekking tot de opgelegde maatregel overweegt het College als volgt. Als cliƫnt van appellant mocht klaagster erop vertrouwen dat appellant haar gegevens vertrouwelijk zou behandelen. Appellant heeft dit vertrouwen beschaamd door vertrouwelijke gegevens van klaagster ten behoeve van zich zelf, althans van de maatschap aan een derde bekend te maken. Hiermee heeft appellant opzettelijk zijn geheimhoudingplicht ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen belang om H te houden aan het non-relatiebeding. Dit moet appellant ernstig worden aangerekend.

Daarnaast heeft de raad van tucht ten aanzien van het in beroep onbestreden tweede klachtonderdeel geoordeeld dat appellant in strijd heeft gehandeld met artikel 26 GBR-1994.

Het College acht, gezien het voorgaande, de maatregel van schriftelijke berisping passend en geboden.

3.5 Het beroep moet derhalve worden verworpen.

De hierna te vermelden beslissing berust op Titel II van de Wet RA en artikel 10 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. R.J.G.M. Widdershoven, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.

w.g. M.A. Fierstra w.g. A. Venekamp