Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX9696

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/199, 05/200 en 05/201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 05/199, 05/200 en 05/201 13 juni 2006

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaken van:

1. Groeneveld Transport Efficiency B.V.,

2. Hightech Consultants Europe B.V.,

3. Groeneveld Information Technology B.V., alle gevestigd te Gorinchem, appellanten,

gemachtigde: mr. A.P. van der Wees, werkzaam bij Arthur’s Legal,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Volkers en mr. C. Hulzebosch, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. Het procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 28 december 2004 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvragen van appellanten om een verklaring als bedoeld in artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA)

Bij afzonderlijke besluiten van 11 februari 2005 heeft verweerder de hiertegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben appellanten bij afzonderlijke brieven van 18 maart 2005, ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 mei 2005 heeft verweerder in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Op 1 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 24, derde lid, van de WVA (zoals deze luidde ten tijde van belang) moet een verzoek om een S&O-verklaring door een S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk een S&O-belastingplichtige worden ingediend uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het desbetreffende loon zal worden genoten onderscheidenlijk uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het speur- en ontwikkelingswerk door de S&O-belastingplichtige zal worden verricht.

2.2 Bij de bestreden besluiten heeft verweerder overwogen dat gelet op voornoemd artikel 24, de aanvragen in het geval appellanten uiterlijk 3 december 2004 moesten zijn ingediend. Als datum van indiening is 6 december 2004 vastgesteld, hetgeen betekent dat de aanvragen te laat zijn ingediend. Weliswaar zijn de aanvragen op 1 december 2004 ter verzending aangeboden, doch zulks is geschied bij UPS. Bij een koeriersdienst geldt - aldus verweerder - als indieningsdatum de datum waarop de aanvraag aan de balie is afgeleverd. Voorts heeft verweerder overwogen dat het door hem gemaakte onderscheid tussen de TPG en koeriersdiensten, voortvloeit uit de omstandigheid dat de postbezorging van de TPG, in tegenstelling tot koeriersdiensten, is gebaseerd op de Postwet. Ook artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) maakt dit onderscheid. In verband met de wettelijke waarborgen die de postbezorging van de TPG kent, wordt genoemd onderscheid door verweerder ook toegepast op subsidieaanvragen in het kader van de WVA.

2.3 Appellanten staan op het standpunt dat de aanvragen wel tijdig zijn ingediend, te weten 1 december 2004. De (te) late postbezorging op 6 december 2004 bij verweerder kan hun niet kan worden toegerekend, nu de oorzaak daarvan is gelegen in een omissie van de postbezorger, UPS. De oorzaak van de late bezorging ligt derhalve buiten de schuld van appellanten zodat sprake is van een niet-toerekenbare tekortkoming dan wel een bijzondere omstandigheid. Bovendien mag het bij de wijze van ter poststelling van stukken voor het bewijs van tijdige indiening, niet uitmaken of de postbezorger nu de TPG is dan wel een koeriersdienst. Voorts hebben appellanten gesteld dat het gewicht van het totaalpakket van de drie aanvragen 539 gram bedroeg. Verweerder is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de bijzondere status van de TPG slechts geldt voor brieven tot 100 gram.

2.4 Naar het oordeel van het College heeft verweerder voor de beantwoording van de vraag of de onderhavige aanvraag tijdig is ingediend, terecht aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 6:9 Awb. Wat de uitleg van het tweede lid van dit artikel betreft, wijst het College op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 8 oktober 2004 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl, LJN AR3512) onder verwijzing naar zijn arrest van 10 augustus 2001 (JB 2001/267) heeft overwogen, inhoudende dat een verzending per koeriersdienst niet kan worden aangemerkt als "verzending per post" in de zin van artikel 6: 9 tweede lid, Awb. In de wijziging van de Postwet per 1 juni 2000, waarbij de concessie van TPG is gewijzigd van brieven die elk afzonderlijk 500 gram wegen naar brieven die elk 100 gram wegen, heeft de Hoge Raad geen aanleiding gevonden zijn jurisprudentie terzake aan te passen.

De Hoge Raad acht van belang dat bij verzending per post langs de conventionele weg via de TPG is voorzien in een wettelijk geregelde universele dienst welke aan strikte kwaliteitsnormen dient te voldoen en waarbij vragen omtrent de tijdigheid van verzending op eenvoudige en doorgaans betrouwbare wijze kunnen worden beantwoord.

In verband met het voorafgaande moet worden geoordeeld dat verweerder er terecht van is uitgegaan dat de onderhavige aanvraag is ingediend op 6 december 2004, de datum waarop de aanvraag bij verweerder is bezorgd. Gezien de toepasselijke voorschriften is deze indiening te laat geschied.

Door de aanvragen per koerier te verzenden hebben appellanten een risico genomen dat geheel voor hun rekening komt. In het door appellanten gestelde dat de te late bezorging hun niet kan worden toegerekend omdat sprake is geweest van een fout van UPS, kan geen aanleiding worden gevonden de onderhavige termijnoverschrijding verschoonbaar te achten..

2.5 De beroepen zijn derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. L. van Duuren