Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX9695

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
03-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 05/212 13 juni 2006

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

Astrotec Holing B.V., gevestigd te Dwingelo, appellante

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. R. Volkers en mr. I.A.M. van Nieuwkerk, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2005 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om een verklaring als bedoeld in artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA)

Bij besluit van 11 februari 2005 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 maart 2005, ingekomen op 25 maart 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 mei 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 1 december 2005 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht. Zijdens appellante zijn voorts verschenen B en C.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 24, derde lid, van de WVA (zoals deze luidde ten tijde van belang) moet een verzoek om een S&O-verklaring door een S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk een S&O-belastingplichtige worden ingediend uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het desbetreffende loon zal worden genoten onderscheidenlijk uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het speur- en ontwikkelingswerk door de S&O-belastingplichtige zal worden verricht.

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de aanvraag door hem is ontvangen op 27 december 2004. De aanvraag zelve is op 24 december 2005 aangetekend verzonden. Gelet op het bepaalde in artikel 24, voornoemd, is niet aan de wettelijke indieningstermijn voldaan.

Eventuele fouten of vergissingen bij de verzending van de aanvraag komen voor rekening en risico van de aanvrager.

2.3 Appellante staat op het standpunt dat zij een volledige en juiste aanvraag tijdig heeft voorbereid en toegestuurd. Aan de hand van de indieningsdiskette kan worden afgelezen dat de aanvraag reeds op 2 december 2004 indieningsgereed was. Thans wordt appellante benadeeld door wellicht onzorgvuldig handelen door TPG post. Appellante heeft de aanvraag immers op 2 december 2004 aangetekend in een rode postzak van de TPG verzonden. Enkele weken later bleek dat dit aangetekende poststuk zich nog in de postzak bevond. Op 24 december 2004 is de postzak, met daarin de aanvraag, opnieuw ter postbezorging bij de TPG aangeboden.

Verweerder neemt voorts en onrechte niet het interne postboek van appellante als bewijs voor het tijdig verzenden van de aanvraag in aanmerking. Alle uitgaande stukken worden immers opgenomen in het postboek.

2.4 Voor het College staat vast dat verweerder op 27 december 2004 een aanvraag heeft ontvangen voor de periode van 1 januari 1005 tot en met 31 december 2005. Verweerder is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat appellante de aanvraag niet tijdig, te weten uiterlijk vier weken voor de aanvang van het desbetreffende kalenderhalfjaar, heeft ingediend.

Appellante heeft onvoldoende aanknopingspunten geboden voor het oordeel dat de aanvraag daadwerkelijk op 2 december 2004 bij de TPG is aangeboden. Het is aan appellante haar bedrijfsprocessen zo in te richten, dat poststukken tijdig worden verzonden. Daarbij is het appellantes verantwoordelijkheid te controleren of poststukken die zij ter verzending in een postzak aanbiedt, ook daadwerkelijk door TPG in ontvangst zijn genomen. Fouten of vergissingen komen - zoals verweerder terecht heeft opgemerkt - voor rekening en risico van appellante.

Het interne postboek, waarin melding wordt gemaakt van de verzending op 2 december 2004, kan niet worden aangemerkt als bewijs voor tijdige verzending van het poststuk. In hetgeen appellante terzake heeft aangevoerd behoefde verweerder geen aanleiding te vinden de onderhavige termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2.5 Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

w.g. H.C. Cusell w.g. L. van Duuren