Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX9324

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
26-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/791
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/791 11 april 2006

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en

Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 6 september 2005,

gemachtigde: F. de Wilde, werkzaam bij Dutchway-Group te Zaandam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 6 september 2005, heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 24 november 2004 door appellante ingediend tegen C AA (hierna: betrokkene).

Bij een op 25 oktober 2005 gedateerd beroepschrift, door het College ontvangen op 31 oktober 2005, heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 3 november 2005 op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 69 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 23 december 2005, ingekomen bij het College op 27 december 2005, heeft betrokkene haar reactie op het beroepschrift gegeven.

Op 17 maart 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. J.F. Garvelink, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht, de beoordeling van deze klacht door de raad van tucht en de hierbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Blijkens de tuchtbeslissing heeft de raad van tucht geoordeeld dat appellante haar klacht niet van gronden van feitelijke aard heeft voorzien, alsmede dat het klaagschrift slechts enkele stellingen bevat van de strekking dat betrokkene te kort is geschoten, zodat de klacht reeds daarom als ongegrond moet worden aangemerkt. Ook ter zitting van de raad van tucht is in geen enkel opzicht duidelijk geworden of en zo ja in hoeverre betrokkene in de uitoefening van haar werkzaamheden ten behoeve van appellante te kort is geschoten. Veeleer is volgens raad van tucht aannemelijk dat de klacht is ingediend vanwege het niet zijn voldaan van de facturen van betrokkene. Dat daarvoor gerechtvaardigde redenen waren, is gesteld noch gebleken.

3.2 Het College is van oordeel dat de raad van tucht terecht de klacht van appellante ongegrond heeft verklaard.

Met de raad van tucht is het College van oordeel dat appellante de klacht summier heeft omschreven en niet heeft onderbouwd met relevante stukken. Zoals het College overwoog onder meer in zijn uitspraak van 11 oktober 2005 (Awb 04/126, <www.rechtspraak.nl> LJN: AU4721) ligt het in beginsel op de weg van klagers hun klacht te motiveren en met bewijs te onderbouwen. De indiening van het klaagschrift is daartoe het geëigende moment.

Het College neemt voorts in aanmerking dat betrokkene tegen de klacht (voor zover mogelijk) bij brief van 11 maart 2003 gemotiveerd verweer heeft gevoerd, welk verweer appellante naar het oordeel van het College onvoldoende heeft bestreden. Hetgeen appellante in het beroepschrift heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betreft immers grotendeels een herhaling van hetgeen reeds het klaagschrift naar voren is gebracht. Het College ziet geen aanleiding aan deze stukken een andere gevolgtrekking te verbinden dan door de raad van tucht is gedaan, nu een steekhoudende toelichting waarom dat wèl zou moeten gebeuren, door appellante noch in haar beroepschrift noch ter zitting is gegeven. Appellante heeft naar het oordeel van het College dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door betrokkene.

3.3 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

3.4 Na te melden beslissing op het beroep van appellante berust op titel IV Wet AA.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra, mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.

w.g. B. Verwayen w.g. P.M. Beishuizen