Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX8823

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-06-2006
Datum publicatie
19-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/552
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 05/552 8 juni 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Slor, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 30 juli 2005, bij het College binnengekomen op 3 augustus 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juni 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 15 januari 2004 betreffende appellantes aanvraag akkerbouwsteun voor het jaar 2003 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij brief van 27 oktober 2005 heeft verweerder bericht dat hij voornemens is het bestreden besluit te herzien. Bij besluit van 22 december 2005 heeft verweerder, onder vervallen verklaring van het besluit van 23 juni 2005, opnieuw op het bezwaar van appellante beslist.

Bij brief van 16 januari 2006 heeft appellante aanvullende gronden ingediend.

Bij brief van 17 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 27 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Namens appellante is verschenen B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 2

1. In de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen kunnen onder de in deze verordening aangegeven voorwaarden een areaalbetaling aanvragen.

2. De areaalbetaling wordt vastgesteld per hectare en wordt naar regio gedifferentieerd. De areaalbetaling wordt toegekend voor een met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakte of een overeenkomstig artikel 6 braakgelegde oppervlakte (...)

Artikel 6

1. De braakleggingsverplichting wordt voor elke producent die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend en dat op grond van deze verordening uit productie wordt genomen.

Het basispercentage van de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op 10% vanaf verkoopseizoen 2000/2001 tot verkoopseizoen 2006/2007.

2. (…).”

In de Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (Pb 1999, L 280, blz. 43), zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald.

“ Artikel 19

1. (…)

2. (…)

3. De braakgelegde grond mag niet voor andere vormen van landbouwproductie dan die bedoeld in artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1251/1999 worden gebruikt en evenmin voor andere landbouwdoeleinden of andere winstgevende bestemmingen die met akkerbouw onverenigbaar zijn.

(…).“

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 118/2004, is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 31 – Berekeningsgrondslag

1. Wanneer de geconstateerde oppervlakte voor een gewasgroep groter is dan de in de steunaanvraag aangegeven oppervlakte, wordt voor de berekening van het steunbedrag de aangegeven oppervlakte in aanmerking genomen.

(…)

Artikel 32 – Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3% of dan 2 ha, doch niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

(…)

Bij de Regeling was, voorzover hier van belang, onder meer het volgende bepaald.

“ Artikel 17

De oppervlakte, bedoeld in artikel 16, wordt gedurende een aaneengesloten periode, die loopt van uiterlijk 15 januari tot tenminste 31 augustus daaropvolgend, niet gebruikt voor een vorm van landbouwproductie en evenmin voor andere landbouwdoeleinden of andere winstgevende bestemmingen die met akkerbouw onverenigbaar zijn.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft door middel van het formulier Gecombineerde Opgave 2003 op 29 april 2003 een aanvraag oppervlakten in het kader van de Regeling ingediend. Bij deze aanvraag heeft zij akkerbouwsubsidie aangevraagd voor 23.64 ha tarwe en 11.30 ha rogge (waaronder het perceel 13 met een opgegeven oppervlakte van 3.10 ha) in de gewasgroep overige gewassen. Daarnaast heeft zij in de gewasgroep braak 8.68 ha groene braak voor akkerbouwsteun opgegeven (waaronder het perceel 8 met een opgegeven oppervlakte van 1.10 ha).

- Naar aanleiding van deze aanvraag heeft GeoRas, het bureau dat verweerder adviseert in teledetectie-aangelegenheden, op 15 oktober 2003 de resultaten van een teledetectiecontrole meegedeeld. GeoRas heeft het voor 7.87 ha opgegeven tarweperceel 5 op 8.36 ha, het groene braakperceel 8 op 0.77 ha, het voor 0.83 ha opgegeven groene braakperceel 6 op 0.92 ha en het roggeperceel 13 op 3.29 ha gemeten.

- Met deze bevindingen van Georas geconfronteerd heeft appellante bij brief van 8 december 2003 onder meer het volgende meegedeeld:

“ (…) Verder zijn wij van mening dat de geconstateerde oppervlakte van 77 are bij het perceel (…) 8 onjuist is. Uiteraard is het thans lastig om de exacte situatie van destijds te reconstrueren. We vragen ons dan ook af waarom we niet eerder op de hoogte zijn gesteld van het geconstateerde. Wat we nu gedaan hebben op de dag van ontvangst van bovenvermelde brief (28 november 2003) is naar het bewuste perceel toegaan. Vervolgens hebben we het gedeelte met de nog aanwezige groenbemester, weliswaar doodgespoten met het oog op het komend teeltseizoen, opgemeten. Vanaf de insteek van de sloot hebben we een breedte van 60 meter en een lengte van 152 meter vastgesteld.

Waar exact de perceelsovergang met het naastgelegen perceel met perceelsnummer 9 heeft gelegen konden we niet meer vaststellen. Na de oogst van de rogge is namelijk in het naastgelegen perceel een groenbemester ingezaaid in de vorm van bladrammenas en daarbij is de zaaimachine niet altijd op hetzelfde punt in/uitgezet. Vandaar dat er een aantal meters over de volledige 152 meter lengte voorzien is van gras en bladrammenas. Wat we zoals hiervoor aangegeven vastgesteld hebben is enkel voorzien van de genoemde groenbemester. Naar onze mening hoort bij het betreffende perceel dan ook tenminste een oppervlakte van 91 are.”

- Bij besluit van 15 januari 2004 heeft verweerder conform de bevindingen van Georas beslist op de aanvraag oppervlakten. Daarbij is in de gewasgroep overige gewassen de subsidiabele oppervlakte conform de aanvraag vastgesteld op 34.94 ha. De geconstateerde oppervlakte in de gewasgroep braak is vastgesteld op 3.61 ha. Daardoor is een verschil ontstaan tussen de aangevraagde oppervlakte braak en de geconstateerde oppervlakte dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 7.48% bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 22419/2001 wordt dan over de geconstateerde oppervlakte minus twee maal het gevonden verschil van 0.27 ha uitbetaald. De subsidiabele oppervlakte braak bedraagt derhalve 3.07 ha. Daarnaast heeft appellante met een geconstateerde oppervlakte braak van 3.61 ha niet voldaan aan de verplichte braak van tenminste 10%. Verweerder heeft het percentage braak op basis waarvan wordt uitbetaald vastgesteld op 92.99%. Aan appellante is vervolgens €11189,78 aan akkerbouwsubsidie toegekend.

- Bij brief van 22 februari 2004 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt

- Bij een op 28 juni 2004 verzonden besluit heeft verweerder appellante meegedeeld dat de haar toegekende subsidie tengevolge van een computerfout onjuist is berekend en de subsidie vastgesteld op €11022,40.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 12 april 2005 gehouden hoorzitting, het besluit van 23 juni 2005 genomen. Dit besluit is vervangen door het besluit van 22 december 2005 (hierna: het bestreden besluit).

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Tijdens de hoorzitting op 12 april 2005 heeft appellante aangegeven dat haar bezwaar zich vooral richt tegen de vaststelling van de oppervlakte van het braakperceel 8 op 0.77 ha. Naar aanleiding daarvan is, naast het door Georas gebruikte satellietbeeld van 4 augustus 2003 tevens de door appellante overgelegde luchtfoto van 8 mei 2003 geraadpleegd. Verweerder heeft aan de hand van dit materiaal niet kunnen vaststellen dat de oppervlakte ten onrechte op 0.77 ha werd gemeten.

Uitgaande van de door Georas geconstateerde oppervlakte was verweerder gehouden toepassing te geven aan artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Daarnaast was verweerder ook nog eens op grond van rechtstreeks werkende Europese regels gehouden de subsidiabele oppervlakte in de gewasgroep te verlagen met een breuk 3.61/3,88 omdat appellante niet voldeed aan de verplichting van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 om tenminste 10% van de voor subsidie in aanmerking gebrachte oppervlakte braak te leggen.

Appellante heeft tijdens de hoorzitting en in het telefoongesprek van 23 november 2005 aangegeven dat zij er in april/mei achter kwam dat te weinig braak was gelegd. Appellante heeft er toen voor gekozen om een gedeelte voor het aansluitende perceel 9, dat beteeld was met rogge, bij het braakperceel te trekken. De rogge is gecultiveerd en daarna is een groenbemester ingezaaid. Naar verweerders mening moet hierin de verklaring worden gezocht voor het feit dat appellantes meting afwijkt van die van GEORAS.

Ingevolge artikel 17 van de Regeling mag de oppervlakte, bedoeld in artikel 16, eerste lid, gedurende een aaneengesloten periode, die loopt van uiterlijk 15 januari tot ten minste 31 augustus daaropvolgend, noch gebruikt worden voor een vorm van landbouwproductie noch voor andere landbouwdoeleinden of andere winstgevende bestemmingen die met akkerbouw onverenigbaar zijn. Het gecultiveerde deel rogge is volgens verweerder niet reeds vanaf 15 januari 2003 uit productie genomen en voldoet dientengevolge niet aan voornoemde voorwaarde voor braak. Rogge is een eenzaadlobbige en is als groenbemester op een braakperceel toegestaan, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 20, tweede lid, onder a, van de Regeling. Het moet dan een mengsel van gewassen betreffen in een dichtheid van maximaal 7 kg per hectare zaaizaad per soort, met een maximum van 35 kg per hectare in totaal. Op 15 januari was echter geenszins sprake van een mengsel, maar van een monocultuur met de bedoeling deze te oogsten.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Appellante is van mening dat heel perceel 8 aan voldoet aan de definitie van braak. Om te voldoen aan deze definitie, dient een perceel van uiterlijk 15 januari tot ten minste 31 augustus daaropvolgend, noch gebruikt te worden voor een vorm van landbouwproductie noch voor andere landbouwdoeleinden of andere winstgevende bestemmingen die met akkerbouw onverenigbaar zijn. Op perceel 8 heeft geen oogst, bemesting, bespuiting of iets van dien aard in vorengenoemde periode plaatsgevonden. Appellante heeft slechts de vereiste hoeveelheid zaaizaad ingezaaid van de grasgroenbemester voor de uiterste datum voorzover dat nodig was, en heeft vervolgens enkele keren het gras geklepeld. Dat er in het begin van de braakperiode rogge op het perceel groeide was niet of niet meer gericht op enige vorm van akkerbouw. Na 15 januari heeft appellante niets meer gedaan met de geteelde rogge.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 6:19 Awb is het beroep tegen het besluit van 23 juni 2005 mede gericht tegen het besluit van 22 december 2005. Niet gebleken is dat appellante nog enig belang heeft bij de beoordeling van het besluit van 23 juni 2005. Het daartegen gerichte besluit wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

5.2 Ingevolge artikel 19, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2316/1999 en artikel 17 van de Regeling mag een voor braak opgegeven perceel gedurende een aaneengesloten periode, die loopt van uiterlijk 15 januari tot ten minste 31 augustus daaropvolgend noch gebruikt worden voor een vorm van landbouwproductie noch voor andere landbouwdoeleinden of andere winstgevende bestemmingen die met akkerbouw onverenigbaar zijn. Appellante heeft verklaard dat een gedeelte van het door haar opgegeven braakperceel met volgnummer 8 beteeld was met rogge. Het enkele feit dat een deel van een perceel 8 met een akkerbouwgewas is beteeld, leidt naar oordeel van het College tot de conclusie dat dit deel van het perceel dient te worden aangemerkt als grond in gebruik zijnde voor een vorm van een landbouwproductie. De grond is immers, doordat hij beteeld is met rogge, in gebruik als akkerland. Dat appellante (ná 15 januari 2003) niet meer de intentie had om de rogge te oogsten en geen werkzaamheden ter zake meer verricht heeft, doet aan het voorgaande niet af. Voor de vraag of een perceel voor een vorm van landbouw in gebruik is, is in eerste instantie bepalend of daar een gewas op staat. Het College komt derhalve tot de conclusie dat verweerder braakperceel 8 terecht op 0,77 hectare heeft vastgesteld. Tegen de consequenties die verweerder aan deze vaststelling verbonden heeft, heeft appellante geen argumenten aangevoerd.

5.3 Gelet op vorenoverwogene dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2005 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2005 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz