Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX8817

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
16-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/550
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vezelvlas, vezelhennep en lijnzaad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/550 28 april 2006

5136 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vezelvlas, vezelhennep en lijnzaad

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, B, C en D te X, appellante,

gemachtigde: mr. A. Wiersma, advocaat te Groningen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F.S. Cooke, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 augustus 2005, bij het College op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 juni 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen verweerders besluit van 19 april 2004 op haar aanvraag oppervlakten 2003 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: Regeling).

Appellante heeft de gronden voor haar beroep aangevuld bij brief van 20 september 2005.

Op 25 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 10 maart 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Namens appellante was voorts aanwezig B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2860/2000, is onder meer geregeld aan welke voorwaarden moet worden voldaan alvorens met vezelhennep beteelde percelen in aanmerking kunnen komen voor steunverlening ingevolge Verordening (EG) nr. 1251/1999.

In artikel 3, eerste lid, onder d van Verordening (EG) nr. 2316/1999 is bepaald dat areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen uitsluitend worden toegekend voor oppervlakten waarvoor een aanvraag voor ten minste 0,3 ha is ingediend en waarvan elk perceel bouwland ten minste de minimumoppervlakte heeft die de lidstaat voor de betrokken regio heeft vastgesteld.

In de artikelen 31 en 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, is, voor zover hier van belang, bepaald dat, wanneer in een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, het steunbedrag wordt berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte verminderd met twee maal het vastgestelde verschil, wanneer dit groter is dan 3%, maar niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

In artikel 13, eerste lid van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is onder meer bepaald dat behoudens overmacht bij de indiening van een aanvraag oppervlakten na de uiterste termijn van indiening het bedrag waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben, indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, verlaagd wordt met 1 % per werkdag vertraging.

In artikel 4, tweede lid van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is bepaald dat elke lidstaat de minimumomvang bepaalt van een perceel landbouwgrond waarvoor een aanvraag kan worden ingediend. Deze minimumomvang mag evenwel niet groter zijn dan 0,3 ha.

In artikel 4, eerste lid, sub a van de Regeling is bepaald dat de producent in aanmerking komt voor een subsidie voor percelen akkerland met elk een oppervlakte van tenminste 0,3 hectare.

In de Regeling vaststelling indieningsperiode 2003 aanvraag oppervlakten (Stcrt. 2003; 62) is bepaald dat de indieningstermijn voor het seizoen 2003/2004 loopt van 1 april tot en met 15 mei 2003.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 mei 2003 heeft appellante verweerder een kopie van het voorblad van het formulier “Gecombineerde opgave 2003 voor Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag oppervlakten” en een kopie van één pagina van het gedeelte overzicht gewaspercelen uit dat formulier toegezonden. Op het voorbeeld is, met de hand geschreven, onder meer vermeld:

“ pro forma opgave; totale oppervlakte ±1.60 ha; o.a. grasland- maïs- hennep- bieten- bonen- aardappelen- wortelen- graszaad.

Maïs ±1.70 ha; hennep ±70 ha inclusief non food/braak; bonen ± 2 ha”

- Bij brief van 22 mei 2003 heeft verweerder appellante de ontvangst op 15 mei 2003 bevestigd en haar onder meer het volgende meegedeeld:

“ (…) Indien Laser uw originele gecombineerde opgaveformulier 2003 binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief ontvangt, geldt bovengenoemde datum als de ontvangstdatum. (…).

Indien u niet binnen deze 14-dagentermijn uw opgave voldoende aanvult maar wel vóór of op 10 juni 2003, geldt de werkelijke datum van ontvangst als ontvangstdatum voor uw opgave. Wanneer dit het geval is, dan zal u een brief over de wijziging van de ontvangstdatum gestuurd worden, waarin staat dat de indiendatum van de pro forma-aanvraag niet meer geldt als officiële indiendatum van uw gecombineerde opgave 2003.

Als u niet binnen deze 14-dagentermijn uw opgave voldoende aanvult en de ontvangstdatum ligt na 10 juni, zal uw gecombineerde opgave 2003 alsnog afgewezen worden en ontvangt u hiervan schriftelijk bericht.”

- Bij besluit van 10 juni 2003 heeft verweerder, omdat binnen de 14- dagentermijn genoemd in zijn brief van 22 mei 2003 geen aanvulling op de pro forma aanvraag is ontvangen en de aanvraag aldus onvolledig gebleven is, deze buiten behandeling gesteld.

- Bij brief van 12 juni 2003 heeft verweerder vervolgens bevestigd dat op 10 juni 2003 van appellante een formulier gecombineerde opgave 2003 is ontvangen.

Met dit formulier heeft appellante, verdeeld over de percelen 3, 4, 7, 11, 18, 19, 21, 26, 27, 30, 31, 32, 33, 35, 37, 38 en 39, totaal 62.15 ha vezelhennep, 0.80 ha snijmaïs en 2.90 ha droog te oogsten tuinbonen voor akkerbouwsteun opgegeven. Daarnaast heeft zij, verdeeld over de percelen 5, 6, 15, 16, 17en 40, totaal 7.76 ha vezelhennep opgegeven als non-food/non-feedgewas (braak).

- Door de AID zijn op 22 juli, 11, 13 en 14 augustus 2003 controles uitgevoerd op het bedrijf van appellante. Deze controles hadden betrekking op de bemonstering op THC-gehalte van de door appellante opgegeven percelen vezelhennep. Blijkens het van deze controles opgemaakte rapport fysieke controle, voorzover hier van belang, was het niet mogelijk een monster te nemen van de voor bemonstering aangewezen gedeelten van de percelen 30, 31, 32 en 33, daar de daartoe aangewezen gedeelten op de dag van bemonstering reeds waren gemaaid.

- Ook op 19 augustus 2003 heeft de AID een controle bij appellante uitgevoerd. Blijkens het van deze controle opgemaakte rapport werden de percelen 3, 11, 19, 31 en 32 en 37, die waren opgegeven voor totaal 31.15 ha gemeten op totaal 30.55 ha. De voor totaal 7.97 ha opgegeven vezelhenneppercelen, die werden opgegeven als non-food/non-feed gewas werden gemeten op totaal 7.47 ha.

- Bij zijn op 19 april 2004 verzonden besluit heeft verweerder beslist op de aanvraag oppervlakten 2003 van appellante. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en daarnaast heeft verweerder appellante voor het seizoen 2004 uitgesloten voor een bedrag van € 3526,95.

- Bij brief van 26 mei 2004, aangevuld bij brieven van 13 en 15 juli 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Na een op 12 april 2005 gehouden hoorzitting, heeft appellante bij brief van 27 april 2005 een teeltcontract vezelhennep 2003 voor 65 ha met verwerker E te Y overgelegd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voorzover het de volledige afwijzing van de subsidieaanvraag betreft en voorzover het de uitsluiting tot een bedrag van € 3526,95 betreft. Aan appellante is alsnog een subsidie toegekend van € 11477,82. Daartoe is het volgende overwogen.

Van de percelen 30, 31, 32 en 33 konden blijkens de bevindingen van de AID geen monsters worden getrokken conform de bemonsteringsvoorschriften neergelegd in Verordening (EG) nr. 2316/1999, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2860/2000.

Deze voorschriften houden in dat ter bepaling van het tetrahydrocannabinolgehalte ((THC-gehalte) van de vezelhennepplanten tevoren te bemonsteren gedeelten van percelen worden aangewezen. Deze perceelsgedeelten mogen pas gemaaid worden nadat van deze perceelsgedeelten monsters zijn getrokken.

De voor bemonstering aangewezen perceelsgedeelten waren op het moment van de monsterneming reeds gemaaid, waardoor een analyse van monsters, afgenomen volgens de voorgeschreven procedure, niet meer mogelijk was. Deze percelen kunnen derhalve niet voor subsidie in aanmerking komen.

Dat deze percelen niet bemonsterd konden worden doordat E, naar later bleek ten onrechte, op basis van faxberichten van verweerder van 12 en 15 augustus 2003 veronderstelde dat de percelen voor maaien waren vrijgegeven, maakt dit niet anders. De gerezen misverstanden bij E gaven verweerder slechts aanleiding om te concluderen dat appellante van het te vroeg maaien geen schuld treft. Ingevolge het bepaalde in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 heeft verweerder daarom besloten af te zien van het opleggen van kortingen en uitsluitingen. Nu, in tegenstelling tot de situatie ten tijde van het besluit van 19 april 2004, een teeltcontract voor de vezelhennep is overgelegd dient de geconstateerde oppervlakte van de percelen 3, 4, 7, 18, 19, 21, 26, 27, 35, 37, 38 en 39 conform de door de AID gemeten oppervlakte, in totaal 34.43 ha, te worden vastgesteld.

In totaal heeft appellante voor de percelen 5, 6, 15, 16, 17 en 40 een braaksubsidie aangevraagd voor 7,97 hectare. Van de braakpercelen met vezelhennep die voor de non- food/non-feed regeling zijn opgegeven is het perceel 40 dat is opgegeven met een oppervlakte van 0.21 ha niet meegeteld, omdat het niet de volgens artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 vereiste minimale oppervlakte van 0.30 ha heeft. Perceel 5 is wel inhoudelijk beoordeeld omdat het voor tenminste 0.30 ha is opgegeven en is derhalve ook meegenomen voor de totale aangevraagde oppervlakte. De aangevraagde oppervlakte komt daarmee op 7,76 hectare. De geconstateerde oppervlakte van perceel 5 bedraagt 0.27 ha. Derhalve is de gemeten oppervlakte van perceel 5 gelet op de artikelen 3, eerste lid, sub d van Verordening (EG) nr. 2316/99 en artikel 4, eerste lid, sub a van de Regeling, op 0 hectare gezet. De totale geconstateerde oppervlakte komt hiermee uit op 6,97 hectare.

Het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte non-food/non-feed gewas, rekening houdend met de resultaten van de door de AID uitgevoerde metingen, is derhalve 0,79 hectare. Uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte is dit 11.33%. Ingevolge artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 wordt de steun dan berekend over de geconstateerde oppervlakte minus twee maal het verschil tussen de gevraagde en de geconstateerde oppervlakte. De steun moet worden berekend over 5,49 ha braak.

De aanvraag is door appellante ingediend op 10 juni 2003. Dat is 16 werkdagen na de uiterste dag van indiening op 15 mei 2003. De toe te passen korting bedraagt dan 16 %.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van haar beroep het volgende aangevoerd.

Dat de AID-controleur, toen hij de percelen 30 tot en met 33 wilde bemonsteren, moest constateren dat reeds gemaaid was, komt voort uit het feit dat E een aan haar gericht bericht dat bepaalde percelen waren vrijgegeven voor maaien na monsterneming verkeerd heeft verwerkt. E dacht dat het om de percelen 30 tot en met 33 ging en is – buiten medeweten van appellante – direct tot maaien over gegaan.

Zoals het College reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 juni 2004 in de zaak 03/1166 heeft verweerder door – in afwijking van de regel dat vrijgave van percelen na monsterneming geschiedt door schriftelijke mededeling aan de teler – de vrijgave van percelen vooraf aan verwerkers als E te zenden en geen voorzieningen te treffen om te voorkomen dat de verwerker aldus foutieve informatie verspreidt, een situatie geschapen waarin afgegaan zal worden op informatie van de verwerker dat de bemonstering is afgerond. Gelet daarop is het niet redelijk het risico, als er inderdaad op basis van verkeerde informatie tot maaien wordt overgegaan, volledig bij de teler te leggen. Verweerder heeft daarom ten onrechte de percelen 30 tot en met 33 als niet premiewaardig aangemerkt. Dit klemt te meer nu in dit geval E zelf gemaaid heeft en niet appellante.

Van de door appellante voor de non-food/non-feed regeling opgegeven percelen met de nummers 5, 6, 15, 16, 17 en een oppervlakte van 0.30, 0.70, 2.15, 2.41, 2.20 en 0.21 ha., komen de percelen met nummer 5 en 40 niet voor subsidie in aanmerking omdat ze kleiner zijn dan 0.30 ha. Appellante is van mening dat deze percelen dan ook niet meegerekend dienen te worden bij de berekening van de opgegeven oppervlakte. In die situatie komt appellante op een opgegeven oppervlakte van 7,46 hectare; de geconstateerde oppervlakte komt hiermee op 6.97 ha en is er sprake van een verschil van 0.49 ha. Bij correcte toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 dient dan subsidie te worden toegekend voor 6.97- (2x 0.49 ) = 5.99 ha. De door verweerder toegepaste berekening is onbegrijpelijk en onjuist.

Ten onrechte is een korting van 16% toegepast wegens te late indiening van de aanvraag. De ingediende proforma-aanvraag was wel degelijk tijdig en rechtsgeldig. Daarop is een aanvulling ingediend. Dit betekent dat een geheel rechtsgeldige aanvraag tijdig is ingediend.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Niet in geschil is dat de voor monsterneming aangewezen perceelsgedeelten vezelhennep zijn gemaaid nog voor de AID tot monsterneming was overgegaan. Daarmee is niet gehandeld conform de voorwaarden met betrekking tot monsterneming waaraan voldaan moet zijn alvorens de percelen voor akkerbouwsteun in aanmerking kunnen komen. Conclusie is dat de betrokken percelen 30 tot en met 33 niet voor subsidie in aanmerking komen. Appellantes ter zitting naar voren gebrachte stelling dat monsterneming zonder verlies van kwaliteit van de controle had kunnen plaatsvinden, is onjuist, omdat het toestaan van de oogst vóór controle mogelijkheden voor fraude schept.

5.2 De opvatting van appellante dat het bestreden besluit haaks staat op de uitspraak van 23 juni 2004, deelt het College niet. Verweerder heeft zich, in lijn met de uitspraak van het College van 15 juni 2005 (AWB 04/819; <www.rechtspraak.nl>, LJN AT 8908), wel degelijk rekenschap gegeven van het oordeel dat het risico voor het vroegtijdig maaien van de betrokken perceelsgedeelten vezelhennep niet geheel op appellante dient te rusten. Verweerder heeft immers erkend dat appellante geen schuld treft in de zin van artikel 44, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, als gevolg waarvan alsnog een subsidie van € 11477,82 is toegekend en de uitsluiting van € 3526,95 voor het jaar 2004 ongedaan is gemaakt. Een en ander neemt echter niet weg dat de percelen, nu niet aan de voorwaarden voldaan is, niet voor steun in aanmerking komen. Voorts valt niet in te zien waarom verweerder in strijd met de geldende regels steun zou moeten uitkeren, als bij E een misverstand is ontstaan en appellante E toestaat te oogsten voordat zijzelf een bericht van vrijgave van verweerder ontvangen heeft.

5.3 Met betrekking tot de berekening van de subsidie voor de braakpercelen met vezelhennep die voor de non-food/non-feed regeling door appellante zijn opgegeven, stelt het College vast dat partijen slechts van mening verschillen over de vaststelling van de totaal aangevraagde oppervlakte van de braakpercelen. Verweerder heeft perceel 5 met een aangevraagde oppervlakte van 0,30 hectare terecht meegenomen voor berekening van de totaal aangevraagde oppervlakte en de totaal aangevraagde oppervlakte vastgesteld op 7,76 hectare. Perceel 5 voldoet immers volgens de opgave aan het gestelde in artikel 3, eerste lid van Verordening (EG) nr. 2316/1999 juncto artikel 4, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, namelijk dat het, om voor subsidie in aanmerking te worden gebracht, tenminste 30 are groot moet zijn. Als een correct opgegeven perceel bij controle kleiner blijkt te zijn, zodat het geheel niet voor subsidie in aanmerking komt, levert dat een verschil op tussen aangevraagde en geconstateerde oppervlakte, terwijl er geen reden is de aanvraag ambtshalve te verminderen.

5.4 Het College overweegt ten aanzien van de toegepaste kortingspercentage als volgt. Vaststaat dat appellante niet binnen de gegeven termijn van 2 weken gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om haar op 15 mei 2004 ingediende proforma-aanvraag te completeren. De volledig ingevulde aanvraag is immers eerst op 10 juni bij verweerder ingediend. Nu de aanvraag 16 werkdagen na de uiterste termijn van indiening is ingediend, heeft verweerder conform artikel artikel 13, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 terecht een korting van 16% toegepast.

5.5 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2006.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz