Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX8797

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
16-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/151
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/151 13 juni 2006

28200 Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds

Uitspraak op het hoger beroep van:

Randridge Contracting B.V., te Oudenbosch, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 14 januari 2005, in het geding tussen appellante

en

MN Services N.V., te ‘s-Gravenhage (hierna: MN Services).

Gemachtigde van appellante: mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal.

Gemachtigde van MN Services: mr. M.J.H. Halsema, advocaat te Rotterdam.

1. De procedure

Bij factuur van 16 mei 2003 heeft MN Services aan appellante voor de periode 1 april 2003 tot en met 30 juni 2003 diverse bedragen in rekening gebracht vanwege verplichte deelneming van appellante in het bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken en in de overige sociale regelingen voor het “Elektrotechnisch Bedrijf”.

Bij brief van 19 mei 2003 heeft appellante MN Services meegedeeld dat zij deze factuur niet in behandeling neemt.

Bij brief van 25 juli 2003 heeft appellante bij de rechtbank te Rotterdam (hierna: rechtbank) beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar naar aanleiding van haar bij brief van 19 mei 2003.

De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 27 februari 2004 onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil.

Bij uitspraak van 20 september 2004 heeft de rechtbank het verzet van appellante tegen die uitspraak gegrond verklaard, zodat de uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2004 is vervallen en het onderzoek is voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Op 11 januari 2005 heeft het onderzoek ter zitting bij de rechtbank plaatsgehad.

Bij uitspraak van 14 januari 2005 (BC 03/2313-NIFT) heeft de rechtbank zich vervolgens alsnog onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil.

Appellante heeft bij brief van 24 februari 2005, bij het College binnengekomen op 25 februari 2005, beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2005.

Bij brief van 25 april 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevoerd.

Bij brief van 19 juli 2005 heeft MN Services een reactie op het beroepschrift ingediend.

Bij brief van 22 februari 2006 zijn partijen uitgenodigd voor de behandeling van het hoger beroep ter zitting van het College.

Bij telefax van 17 maart 2006 heeft de gemachtigde van MN Services het College meegedeeld dat appellante bij rechterlijke uitspraak van 3 augustus 2005 met ingang van dezelfde datum in staat van faillissement is verklaard.

Bij telefax van 27 maart 2006 heeft de gemachtigde van appellante het College bericht dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

Bij telefax van 31 maart 2006 heeft het College de curator in het faillissement van appellante verzocht mede te delen of hij de procedure wil voortzetten.

Bij telefax van 4 april 2006 heeft de curator het College laten weten dat hij de procedure niet overneemt en dat hij niet ter zitting van 7 april 2006 zal verschijnen.

Bij telefax van 4 april 2006 heeft het College, onder toezending van de telefax van de curator van 4 april 2006, MN Services verzocht mee te delen of zij, gelet op artikel 27, tweede lid, Faillissementswet ontslag van instantie wil vragen voor deze procedure.

Bij telefax van 6 april 2006 heeft de gemachtigde van MN Services het College gevraagd ontslag van instantie te verlenen op grond van artikel 27, tweede lid Faillissementswet. Tevens heeft de gemachtigde aangegeven dat hij ter zitting zal verschijnen.

Bij telefax van 6 april 2006 heeft de gemachtigde van appellante het College bericht dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

Op 7 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij aanwezig was mr. M.J.H. Halsema, gemachtigde van MN Services. Zoals aangekondigd zijn mr. I.M. van den Heuvel, gemachtigde van appellante en mr. A.P.M. Jacobs, curator in het faillissement van appellante niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 2

1. Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplichtstellen.

(…)

Artikel 13

1. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling.

(…)”

Artikel 8:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

“1. In geval van faillissement (…) zijn de artikelen (…) 27 (…) van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

2. De artikelen (…) en 27 vinden geen toepassing, indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen.”

Artikel 27 van de Faillissementswet luidt als volgt:

“1. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door den schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te

bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.

2. Zoo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tusschen den gefailleerde en den gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van den

boedel.

3. Ook zonder opgeroepen te zijn, is de curator bevoegd het proces te allen tijde over te nemen en den gefailleerde buiten het geding te doen stellen.”

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil op de grond dat de factuur van 16 mei 2003 van MN Services geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt, zodat daartegen - evenals tegen het vermeende niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen die factuur - geen beroep ingevolge artikel 26 Wet Bpf 2000 of enige andere wettelijke bepaling kan worden ingesteld.

De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de factuur niet is gericht op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg, alleen al nu het bedrijfstakpensioenfonds buiten het beslissen omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 13 Wet Bpf 2000 niet met enig openbaar gezag is bekleed.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Met betrekking tot de aanduiding van MN Services B.V. als verweerster in de aanhef van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam overweegt het College het volgende.

Het College verwijst naar zijn overwegingen in zijn, partijen bekende, uitspraak van heden in het hoger beroep van Randridge Recruitment B.V., geregistreerd bij het College onder nr. AWB 05/150, ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2000 in het geding tussen Randridge Recruitment B.V. als appellante en MN Services als verweerster. In die uitspraak heeft het College geconcludeerd dat het in dat geding om een kennelijke verschrijving van de rechtbank gaat en bedoeld is de N.V. als verweerster in beroep aan te duiden. In het onderhavige hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen. Gelet op het voorgaande aanvaardt het College de stelling van MN Services en concludeert dat het hier eveneens om een kennelijke verschrijving van de rechtbank gaat en bedoeld is M.N. Services N.V. als verweerster in beroep aan te duiden.

4.2 Het College gaat vervolgens ambtshalve in op de vraag of het door appellante ingestelde hoger beroep ontvankelijk is. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

4.3 Appellante is op 3 augustus 2005 failliet verklaard. Aangezien partijen na de faillietverklaring zijn uitgenodigd op de zitting te verschijnen, is ingevolge artikel 8:22, eerste en tweede lid, van de Awb artikel 27 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

4.4 MN Services heeft het College bij fax van 17 maart 2006 ingelicht over het faillissement van appellante onder mededeling van de gegevens van de curator. Het College heeft deze fax beschouwd als een verzoek om de curator op te roepen tot overneming van het geding als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Faillissementswet. De griffier heeft de curator vervolgens bij fax van 31 maart 2006 geïnformeerd over dit verzoek en de mondelinge behandeling van het hoger beroep, waarop de curator bij fax van 4 april 2006 heeft laten weten de procedure niet over te zullen nemen.

4.5 Het College heeft vervolgens bij fax van 4 april 2006 MN Services in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van haar recht ontslag van de instantie te vragen op grond van artikel 27, tweede lid van de Faillissementswet. Naar aanleiding hiervan heeft MN Services bij fax van 6 april 2006 ontslag van de instantie gevraagd.

4.6 Het College heeft ter zitting het verzoek om ontslag van de instantie van MN Services toegewezen, aangezien in de stukken, noch ter zitting is gebleken dat redenen aanwezig zijn de procedure voort te zetten.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:70 Awb zal het College het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

4.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

4.8 Op grond van al het vorenstaande wordt beslist als volgt.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.A. Fierstra en mr. J. Borgesius in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.

w.g. C.M. Wolters w.g. I.K. Rapmund