Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX8386

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds

Wetsverwijzingen
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/543 6 juni 2006

28200 Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds

Uitspraak op het hoger beroep van:

Hiltex Technische Weefsels B.V., te Assendelft, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 21 juni 2005, in het geding tussen appellante

en

de Stichting Prepensioenfonds voor de Groothandel in Textielgoederen en Aanverwante Artikelen, te Amsterdam (hierna: Pretex).

Gemachtigde van appellante: mr. A.B. van Els, advocaat te Amsterdam.

Gemachtigde van Pretex: mr. S. Sanou-Leurink, werkzaam bij Pretex.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 29 juli 2005, bij het College binnengekomen op 1 augustus 2005, beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam (hierna: rechtbank) van 21 juni 2005 (BC 04/1826-ZWI).

Bij brieven van 13 september en 11 oktober 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevoerd.

Bij brief van 10 november 2005 heeft Pretex een reactie op het beroepschrift ingediend, waarbij zij heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Op 25 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geding in hoger beroep

2.1 In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 2

1. Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen.

(…)

Artikel 13

1. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling. 2. Het bedrijfstakpensioenfonds kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.”

De regels waar het eerder aangehaalde artikel 13, derde lid, Wet Bpf 2000 naar verwijst, zijn neergelegd in het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit). Het Vrijstellingsbesluit luidde tot 1 oktober 2004 onder meer als volgt:

“Artikel 2. Vrijstelling in verband met bestaande pensioenvoorziening

Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien de werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die al ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de aanvraag tot verplichtstelling van kracht was respectievelijk indien de werkgever voor zijn werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem van toepassing wordt, van kracht was.

Artikel 6. Vrijstelling om andere redenen

Op verzoek van een werkgever kan door het bedrijfstakpensioenfonds aan alle werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2 (…) en (…) vrijstelling worden verleend.”

Bij Besluit van 22 juli 2004 (hierna: wijzigingsbesluit), inwerkingtreding 1 oktober 2004, zijn hiervoor geciteerde artikelen 2 en 6 van het Vrijstellingsbesluit gewijzigd. In de artikelen 2 en 6 is onder meer de zinsnede “aan alle werknemers” vervangen door:

“voor alle werknemers of een deel van de werknemers”.

In de Nota van Toelichting bij het wijzigingsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

“Daarnaast is met het onderhavige besluit een wijziging hersteld die niet beoogd was met de omzetting van de <<Vrijstellingsregeling Wet Bpf>> in het <<Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000>>.

Bij de omzetting van ministeriële regeling in AMvB is de mogelijkheid om voor een deel van de werknemers vrijstelling aan te vragen, ten onrechte, komen te vervallen. Het was de bedoeling te regelen dat het <<Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000>> geen basis biedt voor individuele vrijstellingen, wel voor groepsgewijze. Om de individuele vrijstelling onmogelijk te maken was het woord <<alle>> toegevoegd, maar daarmee was ook de mogelijkheid van een groepsgewijze vrijstelling komen te vervallen.

Het aanvragen van vrijstelling voor een deel van de werknemers is met onderhavige wijziging weer mogelijk gemaakt. Daartoe is in de artikelen 2 (…) en 6 <<alle werknemers>> vervangen door << alle werknemers of een deel van de werknemers>>. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier heeft appellante op 21 juni 2002 Pretex verzocht voor twee van haar werknemers vrijstelling te verlenen van verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 13, eerste lid, Wet Bpf 2000 om redenen als bedoeld in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit.

- Bij besluit van 18 september 2003 heeft Pretex het verzoek van appellante afgewezen.

- Bij brief van 23 oktober 2003 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 13 mei 2004 heeft Pretex het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij brief van 21 juni 2004, aangevuld bij brief van 19 juli 2004, heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.

- Op 21 april 2005 heeft het onderzoek ter zitting bij de rechtbank plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft de rechtbank de aangevallen uitspraak gedaan.

3. De uitspraak van de rechtbank

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat appellante afdoende in de gelegenheid is gesteld op haar bezwaren te worden gehoord. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat er geen rechtsregel is aan te wijzen die het bestuursorgaan verplicht om indien, zoals in dit geschil aan de orde, degene die bezwaar maakt, na daartoe uitgenodigd te zijn, (zonder tegenbericht) niet op de hoorzitting verschijnt, andermaal een hoorzitting te houden.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat Pretex terecht het verzoek van appellante om vrijstelling ten behoeve van twee werknemers op grond van artikel 13, eerste lid, Wet Bpf 2000 heeft afgewezen. De rechtbank heeft in navolging van haar uitspraak van 5 september 2003 (Awb 02/1988, <www.rechtspraak.nl>, LJN AK4094) overwogen dat indien het bedrijfs(tak)pensioenfonds zelf artikel 2 Vrijstellingsbesluit, zoals dit luidde tot 1 oktober 2004, aldus interpreteert dat ook partiële vrijstelling mogelijk is onder verwijzing naar de praktijk zoals die gold onder de Vrijstellingsregeling Wet Bpf 2000, hij gehouden is een beroep daarop in zijn heroverweging te betrekken, doch dat Pretex blijkbaar deze praktijk niet heeft toegepast. De rechtbank is van oordeel dat het niet aan haar is om Pretex te verplichten een buitenwettelijke praktijk van andere fondsen toe te passen, nu de tekst van de vrijstellingsbepaling op gespannen voet staat met deze praktijk. Dat de artikelen 2 en 6 Vrijstellingsbesluit zijn gewijzigd kan niet leiden tot een ander oordeel, aangezien het Vrijstellingsbesluit zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit dan wel ten tijde van het tijdstip waarop de aanvraag ziet, uitgangspunt dient te zijn en het wijzigingsbesluit niet voorziet in een wijziging van de vrijstellingsgronden met terugwerkende kracht.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat eerst indien moet worden aangenomen dat het Vrijstellingsbesluit ook het verlenen van partiële vrijstelling beoogde mogelijk te maken, een ruimere uitleg aan de destijds geldende vrijstellingsbepalingen kan worden gegeven. Een dergelijke ruime interpretatie kan appellante niet baten, aangezien uit de toelichting bij het wijzigingsbesluit blijkt dat met de tekst van de vrijstellingsbepalingen is beoogd individuele vrijstellingen uit te sluiten. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de verzochte vrijstelling voor twee werknemers moet worden gekwalificeerd als groepsvrijstelling, zodat het uitsluiten van vrijstelling als verzocht geheel overeenkomstig de bedoeling van de regelgever was.

4. De grieven in hoger beroep

Appellante heeft in hoger beroep, samenvattend weergegeven, de volgende grieven tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd.

4.1 Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat Pretex niet in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld als bedoeld in artikel 7:2 Awb door af te zien van het horen van appellante op haar bezwaren. Hieraan heeft appellante ten grondslag gelegd dat ten aanzien van haar zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 7:3 Awb, zodat het horen op haar bezwaren niet achterwege had mogen blijven. Een hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure is de plaats waar aan een rechtzoekende vragen kunnen worden gesteld en door hem moeten worden beantwoord. Aangezien bij Pretex onduidelijkheid bestond over de inhoud van de gronden van het bezwaar, bestond aanleiding voor een zodanige hoorzitting en diende Pretex bij appellante te informeren of al dan niet de hoorzitting plaats diende te vinden en zo ja wanneer.

4.2 Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het wijzigingsbesluit niet voorziet in een wijziging van de vrijstellingsgronden als bedoeld in de artikelen 2 en 6 met terugwerkende kracht. Weliswaar is in het wijzigingsbesluit niet expliciet een wijziging van deze vrijstellingsgronden met terugwerkende kracht opgenomen, toch dient de tekst, zoals deze gold tot 1 oktober 2004 conform de tekst zoals deze geldt vanaf 1 oktober 2004 te worden uitgelegd. Uit de toelichting bij het wijzigingsbesluit blijkt immers dat met die wijziging een herstel in genoemde artikelen 2 en 6 plaatsvindt, omdat in de oude tekst de mogelijkheid om groepsvrijstelling te verlenen, als hier verzocht, ten onrechte was komen te vervallen.

Gelet hierop bestaat aanleiding voor een uitleg van de artikelen 2 en 6 (oud) waarin conform de bedoeling van de besluitgeefster op basis van die artikelen groepsvrijstelling als hier verzocht wordt verleend.

4.3 Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek om vrijstelling niet als een verzoek om groepsvrijstelling gekwalificeerd. Het Vrijstellingsbesluit geeft immers geen definitie van het begrip ‘groepsvrijstelling’. Het begrip ‘groep’ moet derhalve beschouwd worden in relatie tot het aantal werknemers binnen de onderneming waarop het verzoek ziet en het totaal aantal werknemers binnen de onderneming. Aangezien het verzoek betrekking heeft op twee werknemers op een totaal van slechts zes werknemers in het jaar 2004 is sprake van een groep werknemers. Van belang is ook dat de betrokken groep werknemers als zodanig aan objectieve kenmerken voldoet, aangezien deze werknemers in dienst waren bij appellante vóór de verplichtstelling, jonger zijn dan 30 jaar en voor hen reeds een eigen voorziening was getroffen, die adequaat en zo mogelijk gunstiger is dan de verplichte pensioenvoorziening. Dit betekent dat Pretex niet op goede gronden heeft beslist geen vrijstelling te verlenen voor twee werknemers van appellante.

4.4 Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat haar uitspraak van 5 september 2003 niet relevant is voor dit geschil. Appellante meent dat dit oordeel van de rechtbank niet is gebaseerd op een deugdelijke grondslag, aangezien Pretex in het onderhavige geschil wel een buitenwettelijk beleid ter zake heeft gevoerd. Pretex heeft zich immers ter zitting bij de rechtbank in die zin uitgelaten. In ieder geval heeft Pretex onvoldoende gemotiveerd of zij binnen haar bedrijfstakpensioenfonds een beleid voert waarin vrijstelling voor een deel van de werknemers wordt verleend. Van misbruik aan de zijde van appellante is geen sprake, aangezien de eigen regeling Pretex meer kost dan de verplichte voorziening.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Met betrekking tot de in § 4.1 van deze uitspraak weergegeven grief overweegt het College als volgt.

Het College stelt vast dat niet betwist is het oordeel van de rechtbank dat de nieuwe uitnodiging voor een hoorzitting, gedaan naar aanleiding van een verzoek tot verdaging van de hoorzitting door appellante, correct geadresseerd was. Met de rechtbank is het College van oordeel dat het op de weg van appellante had gelegen om, toen zij niets vernam, te informeren bij Pretex of er al een nieuwe datum was vastgesteld. Dat Pretex naar de opvatting van appellante vragen had over de bezwaargronden maakt dit niet anders. Nu er, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geen rechtsregel is aan te wijzen die het bestuursorgaan verplicht om indien, zoals in dit geschil aan de orde, degene die bezwaar maakt, na daartoe uitgenodigd te zijn, (zonder tegenbericht) niet op de hoorzitting verschijnt, andermaal een hoorzitting te houden, komt het College tot het oordeel dat Pretex in het onderhavige geval niet in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb.

Gelet hierop faalt deze grief.

5.2 Voorts zijn aan de orde de in § 4.2, § 4.3 en § 4.4 van deze uitspraak weergegeven grieven. Deze grieven werpen de vraag op of Pretex terecht en op juiste gronden heeft beslist om appellante voor twee van haar werknemers geen vrijstelling te verlenen van de verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 13, eerste lid, Wet Bpf 2000, aangezien niet is voldaan aan de regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent als bedoeld in de artikelen 2 en 6 Vrijstellingsbesluit.

5.2.1 Inzake de in § 4.2 van deze uitspraak weergegeven grief overweegt het College het volgende.

Voor zover appellante hiermee heeft beoogd te stellen dat in het voorliggende geschil het recht van toepassing is zoals dat geldt na de inwerkingtreding van de wijziging van het Vrijstellingsbesluit, kan zij hierin niet worden gevolgd.

Vaststaat dat zowel ten tijde van de aanvraag om vrijstelling (21 juni 2002) als ten tijde van het bestreden besluit (13 mei 2004) de bepalingen in de artikelen 2 en 6 van het Vrijstellingsbesluit zoals die luidden tot 1 oktober 2004 golden.

Dit betekent dat in het onderhavige geval het recht van toepassing is zoals dat gold vóór de wijziging van de bepalingen in de artikelen 2 en 6 Vrijstellingsbesluit op 1 oktober 2004. Hierbij neemt het College in aanmerking dat het wijzigingsbesluit niet voorziet in een andersluidende overgangsbepaling en dat uit de tekst van de toelichting, met name uit de zin “Het aanvragen van vrijstelling voor een deel van de werknemers is met onderhavige wijziging weer mogelijk gemaakt”, blijkt dat het niet de bedoeling van de besluitgeefster is geweest om aan die wijziging terugwerkende kracht vóór 1 oktober 2004 te verlenen. Het College is van oordeel dat de door appellante gegeven uitleg van eerdergenoemde artikelen - er op neerkomende dat de tekst, zoals deze gold tot 1 oktober 2004 in overeenstemming met de tekst zoals deze geldt vanaf 1 oktober 2004 moet worden uitgelegd - niet verenigbaar is met de tekst en strekking van het wijzigingsbesluit.

5.2.2 Inzake de in § 4.3 van deze uitspraak weergegeven grief overweegt het College als volgt.

Uit de tekst van artikel 2 c.q. artikel 6 Vrijstellingsbesluit volgt dat vrijstelling op grond van deze bepalingen slechts wordt c.q. kan worden verleend indien dit wordt verzocht voor alle werknemers en niet slechts voor een deel van de werknemers van die werkgever.

Vast staat dat het onderhavige verzoek om vrijstelling geen betrekking heeft op alle werknemers van appellante, zoals bedoeld in hiervoor genoemde artikelen, doch op slechts twee van alle, naar appellante heeft gesteld, op dat moment zes werknemers. Het College is gelet hierop reeds van oordeel dat Pretex zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hiermee niet is voldaan aan de regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin zij vrijstelling van de verplichtstelling verleent als bedoeld in de artikelen 2 en 6 Vrijstellingsbesluit.

5.2.3 Inzake de in § 4.4 van deze uitspraak weergegeven grief wordt het volgende overwogen.

De rechtbank heeft overwogen dat haar anders dan in het geschil waarin zij uitspraak heeft gedaan op 5 september 2003 niet is gebleken dat Pretex een buitenwettelijk beleid heeft gevoerd waarin zij artikel 2 Vrijstellingsbesluit (oud) aldus interpreteert dat op grond daarvan ook partiële vrijstelling mogelijk is en dat zij een zodanige praktijk hier blijkbaar niet heeft toegepast. Het College is evenmin van een zodanig beleid of een zodanige praktijk van Pretex gebleken. Pretex heeft het bestaan van een zodanig beleid of praktijk uitdrukkelijk betwist en verklaard dat zij geen met onderhavige aanvraag vergelijkbare aanvraag heeft ontvangen. Appellante heeft tenslotte haar stelling dat sprake zou zijn van een met de uitspraak van 5 september 2003 vergelijkbare situatie niet nader onderbouwd, zodat het College tot de conclusie komt dat ook de in § 4.2, § 4.3 en § 4.4 van deze uitspraak weergegeven grieven geen doel treffen.

5.3 De hiervoor in § 5.2 geformuleerde vraag dient dientengevolge in ontkennende zin te worden beantwoord.

Het beroep is derhalve ongegrond; de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.4 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.

w.g. C.M. Wolters w.g. I.K. Rapmund