Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX7219

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
08-06-2006
Zaaknummer
AWB 05/169 en 05/170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/169 en 05/170 18 mei 2006

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

Biodent B.V., te Nijmegen, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 25 januari 2005.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 25 januari 2005, heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 18 mei 2004 door appellante als klaagster ingediend tegen A, registeraccountant te B (hierna: betrokkene 1, zaak Awb 05/170) en C, Accountant-Administratieconsulent te B (hierna: betrokkene 2, zaak Awb 05/169).

Bij een op 3 maart 2005 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 10 maart 2005 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) respectievelijk artikel 69 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 21 april 2005 heeft betrokkene 1 zijn reactie aan het College doen toekomen. Bij brief d.d. 11 mei 2005 heeft betrokkene 2 gereageerd op hetgeen door appellante is gesteld.

Bij brief van 12 september 2005 heeft appellante een nadere toelichting op zijn standpunt aan het College doen toekomen.

Bij brief van 8 december 2005 heeft betrokkene 1 het College afschrift doen toekomen van een vonnis van de rechtbank Arnhem van 9 november 2005.

Bij brief d.d. 7 april 2006 heeft appellante het College een toelichting doen toekomen.

Op 20 april 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante werd vertegenwoordigd door haar bestuurder D, betrokkene sub 1 in persoon is verschenen, vergezeld van zijn raadsman mr. J.F. Garvelink, advocaat te Amsterdam en betrokkene 2 werd vertegenwoordigd door zijn raadsman mr. B. ten Doesschate, advocaat te Utrecht.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht tegen beide betrokkenen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Betrokkene 2 heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen het in aanmerking nemen van de brief van appellante d.d. 7 april 2006 bij de beoordeling van het beroep aangezien deze brief betrokkene 2 pas vlak voor de zitting heeft bereikt en zijn gemachtigde deze brief niet met hem heeft kunnen bespreken.

3.2 In dit betoog ziet het College geen grond de bedoelde brief van appellante van 7 april 2006, voorzover de inhoud daarvan niet treedt buiten de omvang van het beroep zoals dat in het beroepschrift is gemarkeerd, niet bij de beoordeling van het beroep te betrekken. Hierbij neemt het College in aanmerking dat deze brief weliswaar eerst op 10 april 2006 en derhalve kort voor de zitting door het College is ontvangen maar dat, mede gezien de beperkte omvang van het beroep en de inhoud van het onderhavige geschrift, niet zonder meer valt in te zien dat betrokkenen zijn geschaad in hun recht van verweer. Bovendien heeft het College deze brief ontvangen nog juist binnen de termijn die appellant voor het indienen van eventuele nadere stukken was gesteld. Betrokkene 2 heeft voorts evenmin gemotiveerd betoogd waarom de hem ter beschikking staande periode onvoldoende zou zijn om adequaat op deze brief te kunnen reageren noch heeft hij om uitstel van de zitting verzocht.

3.3 Aangezien de klacht met betrekking tot betrokkene 1, dat hij heeft toegestaan dat betrokkene 2 als partijarbiter is opgetreden, wordt gedragen door klachtonderdeel (i) tegen betrokkene 2 dat laatstgenoemde niet als partijarbiter had mogen fungeren, zal het College eerst beoordelen hetgeen appellante heeft aangevoerd tegen de beoordeling van de raad van tucht van de klacht voor zover die betrokkene 2 betreft.

3.4 Bij de beoordeling van het beroep voor zover dit de beslissing met betrekking tot betrokkene 2 betreft, stelt het College voorop dat dit zich, blijkens het beroepschrift uitsluitend richt tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel (i). De enkele opmerking in het beroepschrift dat het verweer van betrokkene 2 tegen klachtonderdeel (iii) door appellante niet wordt begrepen kan niet worden opgevat als een bestrijding van de beoordeling door de raad van tucht van dit. Appellante heeft evenmin argumenten aangevoerd waaruit zou kunnen blijken waarom appellante de beoordeling van de raad van tucht op dit onderdeel onjuist zou achten. Het beroepschrift refereert niet aan de beoordeling van klachtonderdelen (ii), (iv) en (v) zodat het beroep evenmin op deze klachtonderdelen betrekking heeft. De opmerkingen die appellante in zijn brief van 7 april 2006 aan het College en tijdens de mondelinge behandeling met betrekking tot klachtonderdelen (ii), (iii), (iv) en (v) heeft gemaakt kunnen niet leiden tot een beroep dat tevens deze klachtonderdelen betreft aangezien het voorwerp van het beroep wordt bepaald door hetgeen overeenkomstig artikel 52 Wet RA respectievelijk artikel 68 Wet AA aan de orde is gesteld.

3.5 Appellante voert aan dat de raad van tucht klachtonderdeel (i) inhoudende dat betrokkene 2 niet als partijarbiter had mogen functioneren omdat hij in die hoedanigheid kreeg te oordelen over door hem vervaardigde cijferopstellingen, ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De omstandigheid dat ook appellante heeft ingestemd met de benoeming van betrokkene 2 als partijarbiter doet haars inziens niet af aan de zelfstandige verplichting zich als arbiter en accountant onafhankelijk op te stellen. Instemming met zijn benoeming impliceert niet instemming met de beoordeling door betrokkene 2 over een verantwoording die hij zelf heeft opgesteld. Aangezien betrokkene 2 zich in zijn brieven van oktober 2000 en april 2001 als Accountant-Administratieconsulent heeft gepresenteerd, treedt hij ook bij de arbitrage als openbaar accountant op. Onbekend is hoe betrokkene 2 zich heeft opgesteld bij de totstandkoming van de arbitrale uitspraak zodat volgens appellante dit argument niet mag meewegen bij de beoordeling van de klacht. De rol van betrokkene 2 als arbiter is haars inziens niet te verenigen met zijn rol als accountant van één van de partijen bij de arbitrage.

3.6 Voor de beoordeling van deze grieven is van belang of betrokkene 2 is opgetreden als accountant. Weliswaar blijkt uit de arbitrale uitspraak dat betrokkene 2 de deskundigheidsaanduiding Accountant-Administratieconsulent heeft gebezigd maar dit betekent niet zonder meer dat als vaststaand moet worden aangenomen dat hij ook als accountant is opgetreden. Hierbij is van belang dat de werkzaamheden waarop de klacht betrekking heeft niet zijn het beroepshalve afgeven van een verklaring. Evenmin zijn het werkzaamheden die zozeer op het terrein van de accountancy liggen dat moet worden geoordeeld dat betrokkene 2 als accountant is opgetreden. Daarnaast is van belang dat betrokkene 2 de werkzaamheden waarop de klacht betrekking heeft, heeft verricht als arbiter en dat gezien de wijze van benoeming, de uitdrukkelijke instemming van partijen bij de arbitrage met het benoemen van betrokkene 2 als partijarbiter en de stelselmatige aanduiding van betrokkene 2 als arbiter, over de aard en inhoud van de door betrokkene 2 verrichte werkzaamheden in redelijkheid geen misverstand kan worden aangenomen. Evenmin heeft betrokkene 2 zich in het kader van de betreffende arbitrageprocedure gepresenteerd onder gemeenschappelijke naam met een accountant als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, Gedrags- en Beroepsregels Accountants-Administratieconsulenten (hierna: GBAA). Dat betrokkene 2 in de periode voorafgaand aan de arbitrage wel kan worden aangemerkt als (openbaar) accountant in de zin van GBAA doordat hij als zodanig cliënten heeft bijgestaan en waarbij appellante met name heeft gewezen op zijn brieven van oktober 2000 en april 2001 als accountant van de onderneming die nadien in de arbitrage is opgetreden als eiseres in conventie en verweerster in reconventie, doet hieraan niet af, omdat ten tijde van de arbitrage steeds duidelijk moet zijn geweest welke rol betrokkene 2 vervulde en dat hij de werkzaamheden waarop klachtonderdeel (i) betrekking heeft slechts heeft verricht ter vervulling van zijn taak als arbiter. Het College is derhalve van oordeel dat betrokkene 2 niet als accountant is opgetreden. Dit brengt met zich dat voor de beoordeling van de gedragingen van betrokkene 2 die in dit klachtonderdeel aan de orde zijn gesteld van belang is het bepaalde in hoofdstuk II GBAA en niet de regels die zijn opgenomen in hoofdstuk III en IV GBAA.

3.7 Naar het oordeel van het College zal slechts in uitzonderlijke gevallen plaats zijn voor tuchtechtelijke ingrijpen indien een accountant-administratieconsulent die niet optreedt als accountant, de functie van arbiter vervult. Een tuchtprocedure is in beginsel niet bedoeld om de inhoud, de wijze van totstandkoming of het gezag van een arbitrale beslissing direct of indirect ter discussie te stellen; artikel 1064 en volgende van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorzien hiertoe in rechtsmiddelen waarvan, zo begrijpt het College uit de opmerkingen van betrokkenen, appellante ook gebruik heeft gemaakt.

3.8 Appellante heeft in essentie betoogd dat betrokkene 2 niet onpartijdig is geweest bij zijn werkzaamheden als arbiter. De bepalingen inzake onpartijdigheid en onafhankelijkheid uit GBAA maken deel uit van hoofdstuk III respectievelijk hoofdstuk IV GBAA die, zoals hiervoor geoordeeld, niet op voorliggend geschil van toepassing zijn. Dit laat evenwel onverlet dat onpartijdigheid in het optreden als arbiter een zodanige fundamentele norm is dat, indien zou worden geoordeeld dat betrokkene 2 als arbiter blijkt zou geven van partijdigheid, al snel (tevens) sprake zou zijn van schending van de eer van de stand van de Accountants-Administratieconsulenten als bedoeld in artikel 5 GBAA.

3.9 In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat betrokkene 2 zich in de arbitrageprocedure partijdig heeft opgesteld. Appellante heeft niet aangetoond dat betrokkene 2 zich daadwerkelijk partijdig heeft opgesteld. De omstandigheid dat één van de partijen bij de arbitrage een opstelling heeft overgelegd die door betrokkene 2 is vervaardigd in het kader van een aan de arbitrage voorafgaande mediation procedure, brengt niet mee dat betrokken 2 zijn werkzaamheden als arbiter niet onafhankelijk heeft verricht.

De omstandigheid dat betrokkene 2 als partijarbiter is aangewezen door een partij voor wie hij ook als accountant werkzaamheden verrichte, leidt evenmin tot het oordeel dat hij zijn werkzaamheden als arbiter partijdig heeft verricht. Weliswaar zou kunnen worden gemeend dat de door appellante genoemde omstandigheden licht de schijn wekken dat betrokkene 2 als arbiter niet onpartijdig zou zijn, maar daar staat tegenover dat appellante bij aanvang van de arbitrageprocedure uitdrukkelijk heeft ingestemd met de benoeming van betrokkene 2 tot arbiter en ook nadien geen aanleiding heeft gezien betrokkene 2 te wraken. In ieder geval kan zelfs indien desondanks bij appellante de schijn van partijdigheid zou zijn ontstaan, die niet tot de gevolgtrekking leiden dat betrokkene 2 als arbiter niet onpartijdig zou hebben gehandeld. De omstandigheid dat niet bekend is hoe betrokkene 2 zich heeft opgesteld bij de totstandkoming van de arbitrale uitspraak kan er niet toe leiden, zoals door appellante kennelijk wordt betoogd, dat als vaststaand zou moeten worden aangenomen dat betrokkene 2 bij uitoefening van zijn werkzaamheden als arbiter niet onpartijdig zou zijn geweest. De raad van tucht is derhalve niet op onjuiste gronden tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken dat betrokkene 2 in zijn rol van arbiter niet onafhankelijk heeft gefunctioneerd en dat klachtonderdeel (i) ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat het beroep tegen dit onderdeel van de beslissing moet worden verworpen.

3.10 Wat betreft de beslissing van de raad van tucht ten aanzien van de klacht met betrekking tot betrokkene 1, heeft appellante betoogd dat betrokkene 1 medeverantwoordelijk is voor de gedragingen van betrokkene 2 omdat zij nauw hebben samengewerkt en betrokkene 1 het werk van betrokkene 2 kan beoordelen.

3.11 Dienaangaande is het College van oordeel dat aangezien deze klacht uitsluitend betreft de medeverantwoordelijkheid van betrokkene 1 voor de gestelde inbreuk op de GBAA door betrokkene 2 waartoe, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden geconcludeerd, geen ruimte bestaat voor het oordeel dat betrokkene 1 inbreuk zou hebben gemaakt op de op hem toepasselijke Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994, zodat de raad van tucht niet ten onrechte heeft besloten de klacht met betrekking tot betrokkene 1 ongegrond te verklaren. Het beroep tegen dit onderdeel moet derhalve eveneens worden verworpen.

3.12 Na te melden beslissing berust op titel IV Wet AA alsmede op titel II Wet RA.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Venekamp

RAAD VAN TUCHT

voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten

te Amsterdam

BESLISSING van 25 januari 2005 in de zaken met de nummers R461 en A256 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BIODENT B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

KLAAGSTER,

t e g e n

1. A,

registeraccountant te B,

2. C,

accountant-administratieconsulent te B,

BETROKKENEN.

1. Het verloop van het geding

1.1 De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

(i) de klacht met bijlagen van 13 april 2004;

(ii) het verweerschrift met bijlagen van betrokkene A van 16 augustus 2004;

(iii) het verweerschrift met bijlagen van betrokkene C van 15 juli 2004;

(iv) de pleitnota met bijlagen van de vertegenwoordiger van klaagster;

(v) de pleitnota van de advocaat van betrokkene A.

1.2 De Raad heeft de klacht behandeld in zijn openbare zitting van 4 oktober 2004, gehouden te Amsterdam, alwaar klaagster is verschenen, vertegenwoordigd door haar bestuurder D, betrokkene A in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. D.R. Sonneveldt, en betrokkene C eveneens in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. B. ten Doesschate.

2. De vaststaande feiten

2.1 Klaagster (waarvan de aandelen indirect worden gehouden door D, hierna D te noemen) heeft vanaf 1993 met Dentres B.V. (hierna Dentres te noemen en waarvan de aandelen indirect worden gehouden door E, hierna E te noemen) een maatschap gevormd onder de naam Explore (hierna de maatschap te noemen). De maatschap had tot doel het ontwikkelen en exploiteren van tandheelkundige producten, in het bijzonder een speciaal tandvernis.

2.2 Tot en met 1995 heeft betrokkene C gefungeerd als de externe accountant van de maatschap. In die hoedanigheid heeft hij de jaarrekeningen 1994 en 1995 van de maatschap samengesteld. Betrokkene C fungeert thans nog als de externe accountant van Dentres.

2.3 De maatschap is in 1995 ontbonden. Haar activiteiten zijn uiteindelijk in januari 2000 gestaakt. Tussen de - voormalige - maten van de maatschap is eind 1996 een conflict ontstaan. Klaagster (in de persoon van D) en Dentres (in de persoon van E) beschuldigden elkaar ervan buiten de maatschap om en zonder medeweten van de andere maat activiteiten te hebben ondernomen en voorts onrechtmatig gelden aan de maatschap te hebben onttrokken.

2.4 In verband met de voormelde conflicten zijn tussen de maten geschillen ontstaan met betrekking tot de financiële afwikkeling van de maatschap en hetgeen de maten in verband daarmee al of niet van elkaar hebben te vorderen. E schreef klaagster bij brief van 20 maart 2000 dat hij, zoals voorzien in de maatschapovereenkomst, het geschil door middel van arbitrage wenste te beslechten en wees betrokkene C aan als zijn partijarbiter. Tevens dagvaardde Dentres klaagster in kort geding voor de President van de Rechtbank te Arnhem ter fine van betaling van een voorschot op hetgeen haar in verband met de afwikkeling van de maatschap zou toekomen. De President verwees partijen naar mediation

2.5 In het kader van de mediation werd afgesproken dat de respectieve accountants van partijen de jaarrekeningen 1996 tot en met 1999 zouden onderzoeken en hun opmerkingen dienaangaande kenbaar zouden maken, waarna een derde daarover een oordeel zou geven. Bij brief van 25 oktober 2000 aan F RA (hierna F te noemen) heeft betrokkene C zijn opmerkingen bij de bedoelde jaarrekeningen namens Dentres kenbaar gemaakt. In een brief met bijlage van 26 april 2001 aan G (hierna G te noemen) heeft betrokkene C kenbaar gemaakt tot welke verrekening tussen Dentres en klaagster de door hem gemaakte opmerkingen bij de bedoelde jaarrekeningen zijns inziens leidden. Volgens hem zou klaagster ter zake van de afwikkeling van de maatschap NLG 443.581 aan Dentres verschuldigd zijn.

2.6 Nadat - zoals zo vaak - het mediationtraject niet tot een oplossing van het geschil (en slechts tot meer kosten voor partijen) had geleid en de procedure in kort geding was hervat, heeft de President van de Rechtbank te Arnhem bij vonnis van 29 juni 2001 (naast betrokkene C als door Dentres benoemde partijarbiter en naast G als door klaagster benoemde partijarbiter) betrokkene A benoemd tot derde arbiter en hem tevens de functie van voorzitter van het college van arbiters toebedeeld, en bij vonnis van 31 augustus 2001 het door Dentres gevorderde voorschot toegekend.

2.7 Bij brief van 14 december 2001 aan de advocaat die klaagster onderscheidenlijk Dentres bijstond in de arbitrageprocedure en met afschrift aan betrokkene C en aan H (die door klaagster inmiddels in plaats van G als haar partijarbiter was benoemd), heeft betrokkene A klaagster en Dentres verzocht "schriftelijk te bevestigen dat (...) sprake is van een rechtsgeldig benoemd arbitraal college". Bij brieven van onderscheidenlijk 18 december 2001 en 19 december 2001 hebben G (namens Dentres) en I (namens klaagster) de gevraagde bevestiging gegeven.

2.8 De hiervoor in 2.4 en 2.6 bedoelde kort gedingprocedure is, nadat tegen het vonnis van de President van 31 augustus 2010 hoger beroep was ingesteld, geëindigd door het ten overstaan van het Gerechtshof te Arnhem op 17 december 2001 door klaagstere en Dentres sluiten van een vaststellingsovereenkomst, waarin het optreden van betrokkene A, betrokkene C en H als arbiters werd "bevestigd" en aan dezen tevens werd opgedragen de in de vaststellingsovereenkomst overigens vermelde geschilpunten te beslechten.

2.9 De arbitrageprocedure is uitgemond in een arbitraal vonnis van 1 juli 2004, waarin wat betreft de vordering van Dentres tot correctie en vaststelling van de jaarrekeningen 1996 tot en met 1999 van de maatschap slechts uitspraak is gedaan over de geschilpunten zoals betrokkene A die voorafgaand aan de mondelinge behandeling had geïdentificeerd en over de correctie van de kapitaalrekeningen van onderscheidenlijk klaagster en Dentres, en waarin voorts klaagster werd veroordeeld tot betaling aan Dentres van € 160.696 (NLG 354.127), te vermeerderen met rente. Opmerkingen over het deelnemen als arbiter aan de procedure en aan de beslissing zijn tijdens de procedure ten aanzien van geen der arbiters gemaakt.

3. De klacht

3.1 De klacht tegen betrokkene A houdt in dat hij heeft toegestaan dat betrokkene C als partijarbiter is opgetreden.

3.2 De klacht tegen betrokkene C houdt - naar de Raad begrijpt - in dat betrokkene C

(i) niet als partijarbiter had mogen fungeren nu hij in die hoedanigheid kreeg te oordelen over cijferopstellingen die hij zelf had vervaardigd;

(ii) ten onrechte in de jaarrekening 1995 van de maatschap in opdracht van Dentres onderzoekskosten en kosten vanwege waarneming van de tandartsenpraktijk van E heeft opgenomen en terzake de kapitaalrekening van Dentres heeft gecrediteerd;

(iii) op verzoek van Dentres heeft nagelaten de in klachtonderdeel (ii) genoemde posten in de jaarrekening 1995 van de maatschap te corrigeren, zulks hoezeer de maten van gezamenlijk daartoe opdracht hadden gegeven;

(iv) heeft nagelaten het verschil tussen de verkoopopbrengsten en de inkoopkosten - in de bijlage bij zijn brief van 26 april 2001 aan G vermeld en betrekking hebbend op van Certochem Production B.V. en Drukkerij SSN gekochte goederen - te boeken als onttrekking van gelden door Dentres aan de maatschap en de kapitaalrekening van Dentres dienovereenkomstig te debiteren;

(v) heeft nagelaten het in verband met een tandpastaonderzoek gerealiseerd werk in de jaarrekening 1999 van de maatschap te activeren.

4. De gronden van de beslissing

4.1 Omtrent de klachten en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad als volgt.

De klacht tegen betrokkene A

4.2 De klacht wordt gedragen door klachtonderdeel (i) tegen betrokkene C dat deze niet als partijarbiter had mogen fungeren. Nu, zoals hierna wordt overwogen, dat klachtonderdeel ongegrond is, faalt reeds op die grond de klacht tegen betrokkene A.

4.3 De Raad van Tucht overweegt ten overvloede nog het volgende. Voorop staat dat de klacht slechts het optreden van betrokkene A als arbiter betreft en - het is ook niet gesteld - niet ook dat van hem als (openbaar) accountant. Uitgangspunt is derhalve dat het handelen van betrokkene A slechts kan worden getoetst aan hoofdstuk II van de Gedrags- en Beroepsregels 1994 (GBR-1994), in het bijzonder artikel 5 daarvan, en dat toetsing aan hoofdstuk III van de GBR-1994 niet aan de orde is.

4.4 Gezien in de eerste plaats de omstandigheid dat het niet aan betrokkene A is te beslissen wie wel of niet door een partij in een arbitrale procedure als partijarbiter wordt benoemd, gezien voorts de regeling van Boek 4, Titel 1, Afdeling 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en meer in het bijzonder van artikel 1003 van dat wetboek inzake de wraking van arbiters, alsmede ten slotte in aanmerking genomen dat namens klaagster een aantal malen is ingestemd met de benoeming van C als de door Dentres benoemde partijarbiter en dat tijdens de arbitrale procedure over zijn deelname daaraan geen opmerkingen zijn gemaakt, valt zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet in te zien dat en zo ja in welk opzicht betrokkene A in het licht van de hier van toepassing zijnde gedrags- en beroepsregels er tuchtrechtelijk een verwijt van valt te maken dat hij niet heeft verhinderd dat betrokkene C - nog langer - als arbiter fungeerde. Ook afgezien van het in 4.2 overwogene is de klacht tegen betrokkene A dus ongegrond.

De klacht tegen betrokkene C

4.5 Aan klachtonderdeel (i) heeft klaagster ten grondslag gelegd dat betrokkene C tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft door als arbiter te fungeren in een arbitrageprocedure waarin (mede) hij diende te oordelen over door hemzelf opgestelde stukken ter schraging van de in de arbitrale procedure ingestelde vordering van Dentres.

4.6 Betrokkene C heeft daartegen aangevoerd dat de brieven van 25 oktober 2000 en 26 april 2001 niet als een verantwoording of als een door hemzelf opgestelde of ingediende vordering kunnen worden beschouwd, maar slechts het standpunt van Dentres met betrekking tot hetgeen zij haars inziens had te vorderen van klaagster in verband met de vereffening van de maatschap weergeven.

4.7 Het klachtonderdeel is ongegrond. Hoezeer het uit een oogpunt van wat verstandig handelen van een accountant-administratieconsulent mag heten bepaald de voorkeur zou hebben verdiend - in het licht van de omstandigheden dat betrokkene C eerder de externe accountant van de maatschap is geweest, dat tussen de maten conflicten zijn gerezen met betrekking tot de afwikkeling daarvan, dat deze conflicten hebben geleid tot diverse procedures en dat betrokkene C zich (daarin) zo niet al als belangenbehartiger dan toch in ieder geval als spreekbuis van een van de (voormalige) maten had opgeworpen - indien betrokkene C had besloten niet - langer - als door Dentres genoemde arbiter te willen fungeren in de procedure waarin moest worden beslist over de gevolgen van het uiteenvallen van de maatschap, de daarop betrekking hebbende geschillen en de bij wijze van verrekening door klaagster aan Dentres te betalen bedragen (al hetgeen, anders dan betrokkene C heeft doen betogen, bepaald niet op één lijn kan worden gesteld met de situatie dat een accountant als zodanig een bijzonder belang vertegenwoordigt en dat voldoende kenbaar maakt), gaat het niet aan dat klaagster betrokkene C van dat fungeren een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen maken, nu zij een- en andermaal daarmee heeft ingestemd en ook niet tijdens de gang van de arbitrale procedure op enige wijze enig bezwaar daartegen kenbaar heeft gemaakt. Daarbij komt dat gesteld noch gebleken is dat, al aangenomen dat de beide andere arbiters hem daartoe de ruimte zouden hebben willen bieden, betrokkene C in zijn rol als arbiter niet in onafhankelijkheid van - het belang - van klaagster heeft gefunctioneerd.

4.8 Wat klachtonderdeel (ii) betreft heeft betrokkene C aangevoerd dat de boeking van de bedoelde posten en de daarmee samenhangende crediteringen overeenstemden met de hem ter beschikking gestelde boekingsbescheiden, zoals blijkt uit de brief van 25 november 1996 van D en E, en dat niet juist is wat de hier besproken boekingen betreft dat deze slechts op verzoek van Dentres hebben plaatsgevonden en voorts dat het klachtonderdeel ook daarom behoort te worden verworpen omdat dit klachtonderdeel eerst na zeveneneenhalf jaar na de geïncrimineerde gedraging is ingediend.

4.9 De Raad van Tucht onderschrijft het standpunt van betrokkene C dat het, mede gezien aard en omvang van hetgeen betrokkene C in dit verband wordt verweten, in strijd komt met het, ook in het tuchtrecht voor accountants geldende, aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te ontlenen beginsel dat tegen een persoon ingebrachte bezwaren binnen een redelijke tijd kenbaar dienen te worden gemaakt, indien het onderhavige klachtonderdeel alsnog beoordeeld zou worden. Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond. Dat zou trouwens niet anders zijn indien omtrent het vorenoverwogene anders zou moeten worden geoordeeld. Gelet op hetgeen terzake over en weer is gesteld en gezien met name de voormelde brief moet immers worden geoordeeld dat het verweer van betrokkene C op goede gronden berust. Althans heeft klaagster daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat de feitelijke grondslag van haar klachtonderdeel deugdelijk is.

4.10 Wat klachtonderdeel (iii) betreft geldt, zoals blijkt uit de voormelde brief van 25 november 1996, dat de maten betrokkene C weliswaar aanvankelijk hadden opgedragen de hiervoor vermelde posten te corrigeren maar evenzeer dat, zoals staat te lezen in een brief van E van 2 december 1997 aan J waarvan de inhoud niet door klaagster is tegengesproken, E kort daarna betrokkene C heeft geïnstrueerd die opdracht niet uit te voeren. Gegeven het aldus blijkbaar bestaande conflict tussen de maten omtrent de boeking van deze posten, valt het betrokkene, die het immers niet vrijstond in dat conflict partij te kiezen, niet tuchtrechtelijk te verwijten dat hij het standpunt betrok dat het hem niet langer vrij stond gevolg te geven aan de eerder door de maten tezamen gegeven opdracht. De Raad van Tucht acht derhalve ook het hier beoordeelde klachtonderdeel (iii) ongegrond.

4.11 Met betrekking tot klachtonderdelen (iv) en (v) heeft betrokkene C aangevoerd dat zij posten betreffen die betrekking hebben op het boekjaar 1999 van de maatschap en dat de jaarrekening over dat jaar is samengesteld door D, alsmede dat het geen gewoonte was - de resultaten van - onderhanden werk van de maten te activeren. Klaagster heeft dat betoog niet dan wel onvoldoende weersproken, zodat niet valt in te zien welk tuchtrechtelijk verwijt betrokkene C terzake valt te maken.

4.12 Voorzover klaagster nog mocht hebben bedoeld te stellen dat de klachtonderdelen (iv) en (v) betrokkene C verwijten als arbiter te hebben nagelaten wat die klachtonderdelen inhouden dat hij had dienen te doen, falen zij reeds zowel omdat geenszins er van kan worden uitgegaan dat betrokkene C zich als arbiter op het betwist standpunt heeft gesteld als omdat - behoudens een zeer uitzonderlijke situatie waarvan gesteld noch is gebleken dat daarvan in het onderhavige geval sprake is - een arbitrale beslissing noch wat de wijze van totstandkomen ervan betreft noch wat de inhoud ervan betreft en evenmin het fungeren van een arbiter in dat verband, ook in het geval dat deze een accountant is, in een tuchtprocedure als de onderhavige ter toets kan komen.

4.13 Ook de klachtonderdelen (iv) en (v) zijn mitsdien ongegrond.

4.14 De slotsom is dat de klacht tegen betrokkene C in alle onderdelen als ongegrond van de hand dient te worden gewezen.

5. De beslissing

De Raad van Tucht:

verklaart de klacht tegen betrokkene A RA ongegrond;

verklaart de klacht tegen betrokkene C AA in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.H.M. Willems, voorzitter, Tsj. Hotsma RA en drs. E.J.F.A. de Haas RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Lakerveld, adjunct-secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van 25 januari 2005.

_______________ _______________

(adjunct-secretaris) (voorzitter)