Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX3735

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-05-2006
Datum publicatie
23-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/274
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet goederenvervoer over de weg

Vergunning binnenlands beroepsvervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/274 11 mei 2006

14010 Wet goederenvervoer over de weg

Vergunning binnenlands beroepsvervoer

Uitspraak in de zaak van:

A Transport B.V., te X, appellante,

gemachtigde: B directeur van appellante,

tegen

Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, verweerster,

gemachtigde: R.A. Scherpenisse, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 26 april 2005, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 18 maart 2005.

Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaarschrift van appellante gericht tegen twee besluiten van 20 oktober 2004 waarbij de aanvragen om een vergunning voor binnenlands en voor grensoverschrijdend beroepsvervoer ingevolge de artikelen 8 en 9 van de Wet goederenvervoer over de weg zijn afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 13 juli 2005 heeft verweerster een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 30 maart 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt hebben toegelicht.

2. Grondslag van het geschil

2.1 In de Wet goederenvervoer over de weg (hierna: Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 8

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend indien wordt voldaan aan de eisen van:

(…)

c. vakbekwaamheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ten minste een van hen.

(…)

Artikel 9

1. Een communautaire vergunning wordt slechts verleend en is na verlening slechts geldig, indien de aanvrager van die vergunning in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer (…)"

In het beleid van verweerster inzake vergunningverlening (zoals gewijzigd bij bekendmaking van 15 mei 1997, Stcrt. 1997, nr. 90) is onder meer het volgende bepaald.

"D. Vakbekwaamheid

(…) De vakbekwaamheid moet worden ingebracht door degene, die vanuit de plaats van vestiging permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden van de onderneming. (…)

Het onderzoek richt zich met name op de aard van de werkzaamheden en de daarbij behorende verantwoordelijkheden, het aantal uren dat betrokkene werkzaam is, de honorering van de verrichte werkzaamheden en een eventueel dienstverband elders. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omvang en aard van het bedrijf.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is op 22 maart 2004 opgericht en is gevestigd te X. A Logistic B.V. te X is directrice en enig aandeelhoudster van appellante.

B (hierna: B) is directeur en enig aandeelhouder van A Logistic B.V.. B is ook betrokken bij een in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd expeditiebedrijf. Tevens verricht B werkzaamheden ten behoeve van “Verkehrsseminare” c.q. als opleider in het goederen- en personenvervoer.

- Op 8 juli 2004 heeft appellante bij verweerster aanvragen om vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer ingediend. Appellante heeft hierin aangegeven dat B als persoon die de vereiste vakbekwaamheid inbrengt, permanent en daadwerkelijk leiding zal geven aan de transportonderneming.

- Bij haar aanvragen heeft appellante onder meer overgelegd (-) een “Führungszeugnis’ met betrekking tot B, afgegeven door der Generalbundesanwalt beim Bundesgerichthof te Bonn d.d. 7 januari 2004, (-) een verklaring betreffende de vakbekwaamheid van B, afgegeven overeenkomstig Richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/76/EG, inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (Pb 1996, L 124, blz.1), afgegeven door de Oldenburgische Industrie- und Handelskammer, Oldenburg d.d. 8 december 2003 en (-) een verklaring van appellante met betrekking tot de taken die door of onder verantwoordelijkheid van B worden uitgevoerd.

- Bij afzonderlijke besluiten van 20 oktober 2004 heeft verweerster de aanvragen van appellante afgewezen.

- Appellante heeft bij brief van 27 november 2004 tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Op 8 februari 2005 is appellante op haar bezwaren gehoord. Op de hoorzitting is afgesproken dat appellante nadere stukken zal overleggen, onder andere bescheiden waaruit de werkverdeling van B blijkt over appellante, het expeditiebedrijf in Duitsland en zijn vakopleiderschap in Duitsland.

- Bij brief van 11 februari 2005 heeft verweerster de gemaakte afspraken bevestigd en appellante verzocht om de gevraagde stukken voor 25 februari 2005 over te leggen. Bij brief van 1 maart 2005 heeft verweerster deze termijn verlengd tot 6 maart 2005.

- Bij faxbericht van 10 maart 2005 heeft verweerster een bericht van appellante ontvangen, waarin onder meer is meegedeeld dat naast B, ook diens echtgenote, C, beschikt over de vereiste vakbekwaamheid en dat zij, bij afwezigheid van B, aansprakelijk zal zijn voor de vervoerwerkzaamheden van appellante.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft aangetoond dat B daadwerkelijk en permanent leiding geeft aan de vervoerwerkzaamheden van appellante en derhalve niet wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid van artikel 8 van de Wet. Appellante heeft immers ondanks het verzoek van verweerster geen bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt hoe B zijn werkzaamheden verdeelt over appellante, het expeditiebedrijf in Duitsland en zijn vakopleiderschap in Duitsland. In dit verband acht verweerster ook van belang dat onduidelijk is welke werkzaamheden bij appellante door B zelf worden uitgevoerd, nu een aantal werkzaamheden door anderen wordt overgenomen.

Verweerster heeft het bestreden besluit gebaseerd op de gegevens die in het bezwaarschrift en op de hoorzitting naar voren zijn gebracht. De door appellante bij faxbericht van 10 maart 2005 toegezonden gegevens zijn niet bij het bestreden besluit betrokken, omdat zij niet tijdig zijn verstrekt. In aanvulling hierop heeft verweerster in het verweerschrift en ter zitting verklaard dat hieraan niet afdoet dat deze gegevens zijn verstrekt voordat het bestreden besluit werd genomen. Aan de gestelde termijn wordt de hand gehouden, aangezien in het kader van de besluitvorming de stukken tijdig naar een adviescommissie moeten worden gestuurd. Bovendien heeft deze commissie vaste vergaderdata. Niet is overwogen om de geplande behandeldatum te verplaatsen, zodat de stukken alsnog door de adviescommissie in de besluitvorming konden worden betrokken. Niets wees erop dat appellante nog stukken zou indienen. Indien bedoelde gegevens wel in aanmerking zouden zijn genomen zou het bestreden besluit gelijkluidend zijn.

In het geval dat naast B ook zijn echtgenote werkzaamheden ten behoeve van appellante verricht, kan worden voldaan aan het vereiste dat sprake is van het daadwerkelijk en permanent leiding geven aan de vervoerwerkzaamheden van appellante.

Appellante heeft in dit kader echter onvoldoende (duidelijke) informatie verstrekt, zodat geen inzicht bestaat in de onderlinge werkverdeling. Het in dit kader op een man/vrouw gerichte formulier heeft appellante niet ingevuld en geretourneerd. Indien verweerster ten tijde van de besluitvorming de beschikking zou hebben gehad over hierop betrekking hebbende gegevens, zouden deze mede zijn beoordeeld. Dit geldt ook aangaande de door appellante gestelde inzet van de zoon van B bij de vervoerwerkzaamheden van appellante.

Appellante heeft ook in dat kader geen gegevens verstrekt waaruit ondubbelzinnig de onderlinge taakverdeling blijkt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt dat B wel permanent en daadwerkelijk leiding aan de vervoerwerkzaamheden geeft en dat derhalve wordt voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. Appellante voert concreet aan dat B weliswaar ook werkzaamheden ten behoeve van zijn expeditiebedrijf en als vakopleider in Duitsland verricht, maar verweerster heeft ten onrechte geen belang gehecht aan het aantal bestede uren aan die werkzaamheden en de werkverdeling van appellante in dat kader. Immers, het expeditiebedrijf in Duitsland wordt gedreven door zijn echtgenote en een medewerkster. B is slechts een gering aantal uren binnen die onderneming werkzaam.

B verwacht ongeveer 3 dagen per week op het kantoor van appellante aanwezig te zijn. Het is de bedoeling dat bij zijn afwezigheid zijn echtgenote en zoon, die beiden aan de gestelde eisen van vakbekwaamheid voldoen, werkzaamheden ten behoeve van appellante gaan verrichten. De echtgenote en zoon van B zijn bereid de hiertoe bestemde formulieren in te vullen. Daarnaast is appellante voornemens een planner aan de stellen die sommige werkzaamheden binnen appellante van B zal overnemen.

Bovendien verzorgt B de cursus voor het beroepsvervoer in Duitsland slechts ongeveer één keer per maand. Alsdan zal zijn echtgenote dan wel zijn zoon hem ten kantore van appellante vervangen.

Op deze wijze is voorzien in permanente en daadwerkelijke leiding aan de vervoerwerkzaamheden van appellante.

Appellante acht de beslissing derhalve in strijd met de wet.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerster heeft de aanvragen om vergunning afgewezen, omdat appellante niet heeft aangetoond dat B, als persoon die de vereiste vakbekwaamheid inbrengt, permanent en daadwerkelijk leiding zal geven aan de transportonderneming. Hieraan heeft verweerster ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft aangetoond hoe B zijn beschikbare tijd over appellante, zijn in Duitsland gevestigde onderneming en zijn vakopleiderschap in Duitsland zal verdelen. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

Vaststaat dat appellante verweerster bij brief van 10 maart 2005, aldus na ommekomst van de door verweerster hiervoor tot 6 maart 2005 verleende termijn, nadere informatie heeft verstrekt en in dat kader heeft meegedeeld dat naast B ook zijn echtgenote C over de vereiste vakbekwaamheid beschikt, en dat zij bij afwezigheid van B werkzaamheden ten behoeve van appellante zal gaan verrichten. Vaststaat ook dat verweerster deze gegevens niet heeft betrokken bij de besluitvorming in bezwaar.

Ingevolge artikel 7:4, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen belanghebbenden tot tien dagen voor de hoorzitting nadere schrifturen of bewijsstukken indienen. Blijkens de wetsgeschiedenis staat dit artikellid niet in de weg aan het accepteren van stukken na ommekomst van genoemde termijn, op voorwaarde dat de goede procesorde daardoor niet wordt geschaad. In het bijzonder is daarbij van belang of andere belanghebbenden in de bezwaarprocedure zouden worden overrompeld door het in aanmerking nemen van hen niet bekende gegevens. In het onderhavige geval staat vast dat B de nadere gegevens heeft verstrekt na ommekomst van de tien dagentermijn. Niet gebleken is echter van omstandigheden waardoor het alsnog in aanmerking nemen van deze stukken in strijd zou komen met een goede procesorde. Het is immers verweerster zelf geweest die deze nadere gegevens van belang achtte voor haar besluitvorming, terwijl derden niet betrokken zijn bij de procedure. Evenmin is gebleken dat in verband met de beslissing op bezwaar een fatale termijn of vaste peildatum gold of dat anderszins belemmeringen zouden bestaan de informatie die in de bezwaarfase door appellante is verstrekt alsnog in aanmerking te nemen. Het door verweerster ter zitting genoemde belang van een tijdige aanlevering van gegevens aan de adviescommissie en de door die commissie gehanteerde vaste vergaderdata is, gelet hierop, onvoldoende grond om genoemde verstrekte informatie buiten beschouwing te mogen laten.

Hieruit volgt dat verweerster in de bezwaarprocedure had dienen te onderzoeken of en zo ja, op hiervoor genoemde gronden naar haar opvatting appellante aan de vakbekwaamheidseis voldeed en een hierop in het bestreden besluit toegesneden motivering dienen te geven. Het College neemt hierbij in aanmerking de verklaring van verweerster ter zitting dat in het geval naast B ook zijn echtgenote werkzaamheden ten behoeve van appellante verricht, kan worden voldaan aan het vereiste dat sprake is van het daadwerkelijk en permanent leiding geven aan de vervoerwerkzaamheden van appellante.

Ook is van belang de verklaring van verweerster dat indien zij ten tijde van de besluitvorming over deze gegevens de beschikking zou hebben gehad, zij deze mede in de beoordeling zou hebben betrokken. Voor zover verweerster concrete voor de beoordeling relevante gegevens miste, had het op haar weg gelegen appellante hierover specifieke vragen te stellen. Verweerster had naar het oordeel van het College appellante na ontvangst van het faxbericht van 10 maart 2005 duidelijk moeten maken welke specifieke informatie nog van haar werd verwacht.

Het bestreden besluit geeft evenwel geen blijk dat een dergelijk onderzoek in het kader van de besluitvorming van verweerster heeft plaatsgevonden. Het College constateert dat de door verweerster, in aanvulling op het bestreden besluit gegeven nadere motivering in het verweerschrift en ter zitting, evenmin blijk geeft van een zodanig onderzoek en daarop gerichte overwegingen.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat het onderzoek van verweerster onvoldoende elementen bevat om de slotsom dat appellante niet heeft aangetoond dat B permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan de onderneming en niet is voldaan aan de vakbekwaamheidseis, aanvaardbaar te doen zijn. Naar het oordeel van het College heeft verweerster, voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, onvoldoende onderzoek verricht om een volledig overzicht te krijgen van de voor de beoordeling van (het bezwaar tegen de afwijzing van) de aanvraag om vergunningen voor binnenlands en grensoverschrijdend beroepsvervoer relevante feiten en omstandigheden. Verweerster heeft het bestreden besluit in dit opzicht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en heeft derhalve gehandeld in strijd met artikel 3:2 Awb. Voorts berust haar in het bestreden besluit ingenomen hiervoor weergegeven standpunt, niet op een ingevolge artikel 7:12 Awb vereiste deugdelijke, casu quo voldoende draagkrachtige motivering.

5.2 Op grond van het vorenstaande zal het College het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerster opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Het College overweegt tenslotte dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar dient te worden vergoed.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2005;

- draagt verweerster op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen;

- bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,- (zegge:

tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.

w.g. J.A. Hagen w.g. I.K. Rapmund