Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX2499

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-05-2006
Datum publicatie
19-05-2006
Zaaknummer
AWB 03/823
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet goederenvervoer over de weg

Bestuurdersattest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Nr. AWB 03/823 11 mei 2006

14022 Wet goederenvervoer over de weg

Bestuurdersattest

Uitspraak in de zaak van:

Cargofoor Transport- en Expeditiebedrijf B.V., gevestigd te Maastricht,

gemachtigden: mr. H.J. Kastein, advocaat, en mr. L.P. Berg, beiden werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden,

tegen

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO), te Rijswijk, verweerster,

gemachtigden: mr. R.J.M. van den Tweel, advocaat te ´s-Gravenhage, alsmede mr. R.A. Scherpenisse, mr. T.L. Muller en mr. P.Th.J.M. Hamilton, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij besluit van 27 juni 2003 heeft verweerster beslist op het bezwaar van appellante tegen besluiten van 19 maart 2003 tot weigering aan appellante bestuurdersattesten af te geven ten behoeve van twintig bij haar in dienst zijnde chauffeurs met de Roemeense nationaliteit.

Bij brief van 24 juli 2003, ingekomen op dezelfde dag, heeft appellante hiertegen beroep ingesteld bij het College.

Bij brief van 7 november 2003 heeft verweerster een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2004. Het onderzoek is vervolgens gesloten, waarna de voorzitter heeft bepaald dat in beginsel zes weken na de zitting uitspraak zal worden gedaan.

Het College is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft bij beslissing van 10 december 2004 het vooronderzoek heropend, teneinde van verweerster antwoord te krijgen op bij brief van de zelfde datum door het College gestelde vragen. Bij brief van 25 januari 2005 heeft verweerster die vragen beantwoord.

Appellante heeft daarop bij brief van 1 maart 2005 een reactie gegeven, waarop verweerster vervolgens bij brief van 9 maart 2005 heeft gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek in de zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De preambule bij Verordening (EG) nr. 484/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 1 maart 2002 tot wijziging, met het oog op de invoering van een bestuurdersattest, van Verordeningen (EEG) nr. 881/92 en (EEG) nr. 3118/92 van de Raad, (Pb. L 076; hierna verordening 484/2002), luidt, voor zover van belang, als volgt:

"(1) Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 881/92 (…) kan internationaal goederenvervoer over de weg alleen worden uitgevoerd onder dekking van een communautaire vergunning, dat wil zeggen een uniform document.

(2) Het ontbreken van een uniform document van dezelfde aard dat de officiële bevestiging inhoudt dat een bestuurder gerechtigd is een voertuig te besturen dat onder dekking van een communautaire vergunning goederen vervoert, dat wil zeggen internationaal vervoer als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 881/92 en cabotagevervoer als gedefinieerd in en mogelijk gemaakt door Verordening (EEG) nr. 3118/93 (…), verhindert de lidstaten te controleren of bestuurders uit derde landen op wettige wijze zijn tewerkgesteld dan wel ter beschikking gesteld van de vervoersonderneming die verantwoordelijk is voor de vervoersactiviteit.

(3) Een bestuurdersattest dient te worden ingevoerd en het toepassingsgebied van deze verordening dient te worden beperkt tot de bestuurders die onderdaan zijn van derde landen, terwijl later, op basis van een evaluatie door de Commissie, moet worden besloten over een eventuele uitbreiding ervan.

(4) Deze verordening heeft geen gevolgen voor de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten en de Gemeenschap inzake het verkeer, het verblijf en de toegang tot het beroep voor werknemers.

(5) De onmogelijkheid om de wettigheid van de tewerkstelling of terbeschikkingstelling van de bestuurders buiten de lidstaat van vestiging van de vervoersonderneming te controleren heeft geleid tot een marktsituatie waarin bestuurders uit derde landen soms op onregelmatige wijze en alleen voor internationaal vervoer buiten de lidstaat van vestiging van de vervoer-onderneming worden aangenomen met de bedoeling inbreuk te maken op de nationale wetgeving van een lidstaat van vestiging die de communautaire vergunning van de vervoersonderneming heeft afgegeven.

(6) Dergelijke onregelmatig in dienst genomen bestuurders, werken vaak in slechte omstandigheden en zijn vaak onderbetaald, hetgeen de verkeersveiligheid in gevaar brengt.

(7) Een dergelijke systematische inbreuk op de nationale wetgeving heeft tot ernstige verstoringen van de concurrentieverhoudingen geleid tussen vervoersondernemingen die zich met dergelijke praktijken inlaten en vervoersondernemingen die slechts wettig tewerkgestelde bestuurders inzetten.

(8) Het is de bevoegde instanties onmogelijk de werkomstandigheden van deze onregelmatig tewerkgestelde bestuurders te controleren.

(9) De invoering van een bestuurdersattest kan niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt en kan dus overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. Overeenkomstig het in dit zelfde artikel gestipuleerde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te bereiken.

(…)"

De artikelen van verordening (EG) 484/2002 luiden voor zover hier van belang als volgt:

"Artikel 1

Verordening (EEG) nr. 881/92 wordt als volgt gelezen:

(…)

2. artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt als volgt gelezen: "1. Het internationale vervoer wordt uitgevoerd onder dekking van een communautaire vergunning in combinatie, indien de bestuurder een onderdaan van een derde land is, met een bestuurdersattest.";

b) het volgende lid wordt toegevoegd: "3. Het bestuurdersattest wordt met inachtneming van artikel 6 door een lidstaat afgegeven aan elke vervoerder die:

- in het bezit is van een communautaire vergunning,

- in deze lidstaat op wettige wijze bestuurders die onderdaan zijn van een derde land tewerkstelt dan wel op wettige wijze bestuurders inzet die onderdaan zijn van een derde land en die te zijner beschikking zijn gesteld met inachtneming van de arbeidsvoorwaarden en voorwaarden inzake beroepsopleiding voor bestuurders die in deze lidstaat zijn vastgesteld bij:

- wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en eventueel

- bij collectieve overeenkomsten, volgens de voorschriften die van toepassing zijn in deze lidstaat.";

3. in artikel 4 wordt de huidige tekst lid 1 en wordt het volgende lid toegevoegd: "2. Het in artikel 3 bedoelde bestuurdersattest houdt een officiële bevestiging in dat bij vervoer over de weg onder dekking van een communautaire vergunning de bestuurder die onderdaan is van een derde land en die dit vervoer verricht, in de lidstaat van vestiging van de vervoersonderneming tewerk is gesteld in overeenstemming met de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en eventueel in overeenstemming met de collectieve overeenkomsten, volgens de voorschriften die van toepassing zijn in deze lidstaat, betreffende de arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden inzake beroepsopleiding voor bestuurders, om er vervoer over de weg te verrichten.";

(…)

5. artikel 6 wordt vervangen door de volgende tekst: "Artikel 6

1. Het in artikel 3 bedoelde bestuurdersattest wordt afgegeven door de bevoegde instanties van de lidstaat waar de vervoersonderneming is gevestigd.

2. Het bestuurdersattest wordt door de betrokken lidstaat op verzoek van de houder van de communautaire vergunning afgegeven voor iedere bestuurder die onderdaan is van een derde land en die hij wettig tewerkstelt dan wel die hem wettig ter beschikking is gesteld overeenkomstig de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en eventueel overeenkomstig de collectieve overeenkomsten, volgens de voorschriften die van toepassing zijn in deze lidstaat, betreffende de arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden inzake beroepsopleiding voor bestuurders die in deze lidstaat gelden. Elk bestuurdersattest houdt de officiële bevestiging in dat de daarin genoemde bestuurder in dienst is onder de in artikel 4 bedoelde voorwaarden. (…)

5. Het bestuurdersattest wordt afgegeven voor een periode die wordt bepaald door de lidstaat die het afgeeft en die maximaal vijf jaar bedraagt. Het bestuurdersattest blijft slecht geldig zolang aan de voorwaarden waaronder het is afgegeven wordt voldaan. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat indien aan deze voorwaarden niet langer wordt voldaan deze attesten door de vervoersonderneming onmiddellijk worden teruggezonden aan de instanties die ze hebben afgegeven."

6. in artikel 7 wordt de huidige tekst lid 1 en wordt het volgende lid toegevoegd: " 2. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging zien er, door ieder jaar ten minste 20% van de in deze lidstaat afgegeven geldende attesten regelmatig op toe, te controleren, of nog wordt voldaan aan de in artikel 3, lid 3, bedoelde voorwaarden voor de afgifte van een

bestuurdersattest."

De artikelen 2 en 8 van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna ook: WAV) luiden als volgt:

"Artikel 2

1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie tevens een ander als werkgever optreedt, indien die ander beschikt over een voor de desbetreffende arbeid geldige tewerkstellingsvergunning.

Artikel 8

Een tewerkstellingsvergunning wordt geweigerd:

a. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt beschikbaar is;

(…)"

De Regeling bestuurdersattest (Stct. 2003, nr. 40, hierna ook: Regeling) luidt onder meer als volgt:

"Artikel 1

1. De NIWO geeft aan de houder van een communautaire vergunning ten behoeve van een bij hem in dienstbetrekking zijnde bestuurder, die onderdaan is van een niet tot de Europese Unie behorend land, op diens aanvraag een bestuurdersattest af als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 881/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 484/2002 van 1 maart 2002, indien:

a. de aanvrager beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, en

b. de betrokken bestuurder beschikt over een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 8 van de Regeling getuigschrift vakbekwaamheid.

2. Het bestuurdersattest is slechts geldig zo lang wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder het is afgegeven; de geldigheidsduur bedraagt ten hoogste vijf jaar.

Artikel 2

Indien de aanvrager niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning, wordt de aanvraag niettemin toegewezen indien op grond van artikel 3, eerste lid, of artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, geen tewerkstellingsvergunning is vereist."

In de artikelen 3 en 4 van de WAV is bepaald dat het verbod van artikel 2, eerste lid, van die wet niet van toepassing is op in die artikelen nader aangeduide vreemdelingen, alsmede op vreemdelingen die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie danwel een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werkzaamheden verricht.

2.2 Bij de beoordeling van het beroep gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Appellante heeft - onder meer - 20 Roemeense bestuurders in dienst en richt zich met name op tankvervoer vanuit Roemenië naar bestemmingen in West-Europa.

- Bij brief van 7 februari 2003 heeft appellante de Centrale organisatie voor werk en inkomen (hierna: CWI) verzocht om afgifte van tewerkstellingsvergunningen voor haar Roemeense werknemers.

- Bij brief van 12 maart 2003 heeft de CWI appellante bericht dat op grond van artikel 1, onder b, van het Besluit ter uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen het verbod van artikel 2, eerste lid, van die wet niet van toepassing is op de onderhavige werknemers van appellante, zodat geen tewerkstellingsvergunning is vereist. Tevens heeft het CWI appellante verzocht binnen 10 dagen aan te geven of zij haar aanvraag om een tewerkstellingsvergunning wenst te handhaven.

- Bij brief van 7 maart 2003 heeft appellante een aanvraag om een bestuurdersattest bij verweerster ingediend.

- Bij brief van 17 maart 2003 heeft appellante het CWI meegedeeld dat naar haar opvatting wel een tewerkstellingsvergunning voor haar Roemeense chauffeurs is vereist en heeft zij verzocht die vergunning(en) alsnog te verlenen.

- Bij twintig afzonderlijke besluiten van 19 maart 2003 heeft verweerster het verzoek van appellante om afgifte van bestuurdersattesten voor haar Roemeense chauffeurs afgewezen.

- Bij brief van 21 maart 2003 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 26 maart 2003 heeft de CWI de aanvraag van appellante om een tewerkstellingsvergunning voor de Roemeense chauffeurs afgewezen. Aan dit besluit wordt het volgende ontleend:

"De werkgever heeft aangegeven dat onderhavige aanvragen worden ingediend ter verkrijging van een bestuurdersattest ingevolge Verordening (EG) 484/2002. De werkgever heeft verklaard dat onderhavige vreemdelingen hun arbeid geheel buiten Nederland verrichten. Betrokken chauffeurs bezitten een arbeidsovereenkomst met de vertegenwoordiging van Cargofoor met als standplaats Ploiesti in Roemenië. Er wordt gebruik gemaakt van in Nederland geregistreerde voertuigen.

De doelstellingen van de Wet arbeid vreemdelingen zijn: de restrictieve toelating van arbeidsmigranten, de verbetering van de allocatie op de arbeidsmarkt, de bestrijding van illegale tewerkstelling en het laten van een zo groot mogelijke vrijheid van arbeidskeuze aan eenmaal duurzaam tot Nederland toegelaten vreemdelingen.

De kern van de Wet arbeid vreemdelingen is de bepaling in artikel 2 lid 1: "het is de werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning".

Als algemeen uitgangspunt voor de toepasselijkheid geldt, dat arbeid die buiten Nederland verricht wordt buiten de werkingssfeer valt van de Wet arbeid vreemdelingen ook al wordt die verricht door een vreemdeling in dienst van of in opdracht van een Nederlandse werkgever.

In casu wordt geen toelating tot de arbeidsmarkt beoogd. Betrokken vreemdelingen hebben hun hoofdverblijf in het buitenland. Het is evenmin de bedoeling dat de betrokken werknemers in de toekomst naar Nederland zullen komen om voor de werkgever werkzaamheden te verrichten noch voornemens zijn hun hoofdverblijf te verplaatsen naar Nederland.

In casu wordt overwogen dat gelet op het vorenstaande de werkgever niet vergunningplichtig is in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen, derhalve geen tewerkstellingsvergunning is vereist. De werkgever heeft geen belang in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen tot afgifte van de tewerkstellingsvergunning."

- Bij uitspraak van 24 april 2003 (AWB 03/348 en 03/400) heeft de voorzieningen-rechter een verzoek om voorlopige voorziening van appellante afgewezen.

- Op 10 juni 2003 heeft verweerster appellante naar aanleiding van haar bezwaar gehoord, waarna verweerster het bestreden besluit heeft genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster de afwijzing van de aanvragen om een bestuurdersattest voor de Roemeense chauffeurs van appellante gehandhaafd, op grond van de overweging dat zij niet beschikken over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WAV.

Hiertoe heeft verweerster overwogen dat de omstandigheid dat een tewerkstellings-vergunning niet wordt afgegeven wanneer de vreemdeling niet in Nederland werkzaam is, niet betekent dat de Regeling in strijd is met Verordening 484/2002 of dat een attest ten onrechte wordt onthouden. Het is in het licht van inhoud en bewoordingen van die verordening juist uitdrukkelijk de bedoeling om tewerkstelling in Nederland te verlangen, omdat alleen dan effectieve controle op de naleving van geldende arbeidsvoorwaarden mogelijk is.

Het doel van Verordening 484/2002 zou bovendien worden ondermijnd indien verweerster een bestuurdersattest zou afgeven in de situatie dat de chauffeur nooit in Nederland arbeid zou verrichten. In dat geval kunnen noch verweerster, noch de CWI effectief controleren of de betrokken chauffeur(s) daadwerkelijk wordt (worden) beloond overeenkomstig de CAO.

De Regeling en het bestreden besluit zijn in overeenstemming met (doel en strekking van) Verordening 484/2002.

Appellante kan aan deze verordening niet rechtstreeks een recht op afgifte van een bestuurdersattest ontlenen. Haar stelling dat wordt voldaan aan de eisen van Verordening 484/2002 kan haar dan ook niet baten, aangezien deze verordening juist verwijst naar de in de lidstaten geldende voorschriften.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt dat verweerster ten onrechte aan de bij haar in dienst zijnde Roemeense chauffeurs bestuurdersattesten heeft onthouden. Hiertoe voert zij allereerst aan dat artikel 2 van de Regeling onverbindend is. De CWI heeft de afgifte van een tewerkstellings-vergunning geweigerd, gezien de territoriale werking van de Wet arbeid vreemdelingen.

Ten onrechte is in de Regeling aan afgifte van een bestuurdersattest de eis van een dergelijke vergunning gekoppeld. Appellante heeft bovendien recht op afgifte van een bestuurdersattest voor haar Roemeense chauffeurs, reeds omdat zij voldoet aan de vereisten van artikel 3, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 881/92, zoals ingevoerd bij Verordening 484/2002. Appellante verricht immers vervoer van goederen over de weg onder dekking van een communautaire vergunning met chauffeurs van buiten de EU.

Indien de Wet arbeid vreemdelingen territoriale werking heeft, kan een tewerkstellings-vergunning nooit een rechtsgeldige voorwaarde zijn voor wettige tewerkstelling voor arbeid in Roemenië en in landen in West-Europa buiten Nederland. In zoverre zijn de Wet arbeid vreemdelingen en de bijbehorende uitvoeringsregels in strijd met evengenoemde verordeningen.

Appellante heeft voorts betoogd dat artikel 2 van de Regeling toelaat dat aanvragen om een bestuurdersattest worden toegewezen, ook als wordt niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning. Toewijzing vindt immers plaats voorzover die vergunning ingevolge de artikelen 3 en 4 van de WAV niet is vereist. Nu het ingevolge deze artikelen mogelijk is bij AMvB af te wijken van de eis van een tewerkstellingsvergunning, is het a fortiori mogelijk om in het onderhavige geval van die eis af te zien.

5. De beoordeling van het beroep

5.1 Appellante heeft verzocht om afgifte van bestuurdersattesten voor Roemeense chauffeurs die zij inzet op internationaal vervoer buiten Nederland. Voor dit vervoer is haar een communautaire vergunning verleend.

Het College staat voor de beantwoording van de vraag of verweerster terecht heeft geweigerd die attesten af te geven, op grond van de overweging dat appellante niet beschikt over tewerkstellingsvergunningen voor die chauffeurs. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend, waartoe als volgt wordt overwogen.

5.2 Verweerster heeft in haar schriftelijke reactie op de door het College gestelde vragen onder meer verklaard dat aansluiting is gezocht bij het bestaande publiekrechtelijke instrument van een tewerkstellingsvergunning, omdat de CWI bij aanvragen voor een dergelijke vergunning toetst op prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt en op - onder meer - arbeidsconforme beloning. Langs deze weg is controle mogelijk op de naleving van de CAO-voorwaarden, een taak die niet haalbaar is voor verweerster zelve.

Voorts heeft verweerster gesteld dat een gevolg van de keuze voor een tewerkstellings-vergunning als voorwaarde voor de afgifte van een bestuurdersattest, is dat een chauffeur incidenteel naar Nederland moet komen, hetgeen eveneens de controle op de naleving van de in Nederland geldende arbeidsvoorwaarden vergemakkelijkt. De WAV kent immers een territoriale werking.

5.3 Vast staat dat appellante niet over een tewerkstellingsvergunning voor haar Roemeense chauffeurs beschikt. De CWI heeft haar die vergunningen bij besluit 26 maart 2003 geweigerd, omdat niet wordt beoogd de betrokken chauffeurs arbeid in Nederland te laten verrichten.

5.4 Blijkens de preambule bij Verordening 484/2002 is tot invoering van bestuurdersattesten besloten, omdat is gebleken dat chauffeurs uit derde landen worden aangenomen voor het uitsluitend verrichten van internationaal vervoer buiten de lidstaat van vestiging van de vervoerder en deze chauffeurs vaak in slechte omstandigheden werken en onderbetaald zijn, hetgeen niet alleen de concurrentie vervalst, maar ook de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Doel van de verordening is zulks tegen te gaan.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van Verordening 881/92, zoals ingevoerd bij Verordening 484/2002, wordt een bestuurdersattest afgegeven aan de vervoerder die in zijn lidstaat van vestiging op wettige wijze chauffeurs uit derde landen tewerkstelt. Ingevolge artikel 4, tweede lid, houdt het bestuurdersattest een officiële bevestiging in dat bij vervoer over de weg onder dekking van een communautaire vergunning de bestuurder die onderdaan is van een derde land en die dit vervoer verricht, in de lidstaat van vestiging van de vervoersonderneming te werk is gesteld in overeenstemming met de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en eventueel in overeenstemming met de collectieve arbeidsovereenkomsten, volgens de voorschriften die van toepassing zijn in deze lidstaat, betreffende de arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden inzake de beroepsopleiding voor bestuurders, om er vervoer over de weg te verrichten.

Blijkens overweging 9 van de preambule van Verordening 484/2002 gaat deze verordening, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als vervat in artikel 5 van het Verdrag, niet verder dan nodig is om de aan de invoering van een bestuurdersattest ten grondslag liggende doelstelling te bereiken.

5.5 Het College concludeert dat Verordening 484/2002 aldus - mede - ziet op de controle van de arbeidsvoorwaarden van chauffeurs uit derde landen die werkzaam zijn buiten de lidstaat van vestiging van de vervoersonderneming, waarbij zij in dienst zijn en dat deze verordening daarmee beoogt de concurrentieverhoudingen tussen de lidstaten en de verkeersveiligheid te beschermen.

Naar het oordeel van het College gaat het, in aanmerking genomen het in overweging 9 van de preambule aangehaalde evenredigheidsbeginsel, verder dan gezien de doelstelling(en) van Verordening 484/2002 noodzakelijk is om in de uitvoeringsregels op nationaal niveau - door de koppeling aan de tewerkstellingsvergunning ingevolge de WAV - te verlangen dat een vervoerder, die voor internationaal vervoer buiten Nederland ten behoeve van een uit een derde land afkomstige chauffeur een bestuurdersattest wenst te verkrijgen, die chauffeur ook in Nederland vervoerswerkzaamheden moet laten verrichten.

Naar het oordeel van het College valt niet in te zien dat, zoals verweerster heeft gesteld, slechts op deze wijze verzekerd zou kunnen worden dat de doelstelling van Verordening 484/2002 wordt gerealiseerd. Zoals appellante terecht heeft betoogd, kan aan bepaalde - categorieën van - vreemdelingen ingevolge artikel 2 van de Regeling juncto de artikelen 3 en 4 WAV in het kader van een aanvraag voor een bestuurdersattest het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning niet worden tegengeworpen, zodat in dergelijke gevallen (ook) niet door de CWI wordt getoetst of sprake is van (prioriteit genietend aanbod en) marktconforme beloning en arbeidsvoorwaarden. In dergelijke gevallen dient verweerster derhalve zelfstandig te toetsen of aan de in artikel 3 van Verordening 881/92 (zoals gewijzigd bij Verordening 484/2002) opgenomen vereisten voor een bestuurdersattest wordt voldaan. Hierbij komt dat bij toetsing van een aanvraag om een tewerkstellings-vergunning sprake is van een momentopname en verweerster, gelet op de bij Verordening 484/2002 ingevoerde artikelen 6, vijfde lid, en 7, tweede lid, van Verordening 881/92, gehouden is periodiek te controleren of - nog steeds - aan de bij Verordening 484/2002 ingevoerde voorwaarden voor een bestuurdersattest wordt voldaan.

Voorts wordt er bij het stellen van het vereiste van een tewerkstellingsvergunning aan voorbij gezien dat de hoofddoelstelling van de WAV de restrictieve toelating van arbeidsmigranten in Nederland is en dat arbeid die buiten Nederland wordt verricht buiten de werkingssfeer van die wet valt. Aangezien in het voorliggende geval voor de bij appellante in dienst zijnde Roemeense chauffeurs in het geheel geen toelating tot de Nederlandse arbeidsmarkt wordt beoogd, valt ook om die reden niet in te zien waarom verweerster onverkort aan het vereiste van een tewerkstellingsvergunning zou mogen vasthouden.

Naar het oordeel van het College kan het ter zitting door verweerster ingenomen standpunt dat het eisen van een tewerkstellingsvergunning geheel in lijn is met het aan Verordening 484/2002, in het bijzonder het daarbij ingevoerde tweede lid van artikel 4 van Verordening 881/92, ten grondslag liggende beginsel van "home state control" en derhalve rechtmatig is, niet worden aanvaard. Zoals ook namens verweerster is betoogd, is de belangrijkste doelstelling van Verordening 484/2002 dat bestuurders die onderdaan zijn van een derde land, overeenkomstig de voor vervoer in de lidstaten - in het onderhavige geval Nederland - geldende arbeidsvoorwaarden worden beloond. De passage in evengenoemd artikel 4, tweede lid, dat sprake moet zijn van een tewerkstelling "volgens de voorschriften die van toepassing zijn in de lidstaat, betreffende arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden inzake beroepsopleiding voor bestuurders, om er (onderstr. CBB) vervoer over de weg te verrichten" dient naar het oordeel van het College dan ook aldus te worden gelezen, dat de voorwaarden voor tewerkstelling van bestuurders uit derde landen in overeenstemming moeten zijn met de voorwaarden die zijn gesteld aan bestuurders die in de lidstaat van tewerkstelling, in dit geval Nederland, vervoer over de weg verrichten.

Dat, zoals verweerster stelt, aan bestuurders uit derde landen de eis zou kunnen of zelfs moeten worden gesteld dat zij ook in de betrokken lidstaat vervoer over de weg verrichten, kan uit evengenoemde zinsnede van artikel 4, tweede lid, van Verordening 881/92 niet worden afgeleid.

Het onverkort vasthouden aan de eis van een tewerkstellingsvergunning, zoals neergelegd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, is in dit geval dan ook onevenredig beperkend.

5.6 Het College komt tot de slotsom dat verweerster door het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning doorslaggevend te achten, heeft besloten in strijd met Verordening 484/2002.

5.7 Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.8 Het College acht termen aanwezig verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante, zijnde de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met in achtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2003;

- draagt verweerster op opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerster in de door appellante gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 805,-- (zegge: achthonderdvijf

euro);

- bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht, te weten € 116,-- (zegge: honderdzestien euro),

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. van der Ham en mr. J.H.W. de Planque, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.

w.g H.C. Cusell w.g. L. van Duuren