Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AX2496

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-05-2006
Datum publicatie
19-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/664
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 05/664 16 mei 2006

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. C.N. Gajadhar, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2005 heeft verweerder appellantes aanvraag om een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) voor het tweede halfjaar van 2005 afgewezen, omdat deze te laat was ingediend.

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 9 augustus 2005 heeft appellante bij brief van 29 augustus 2005, bij het College binnengekomen op 30 augustus 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 2 mei 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante haar directeur, B, en voor verweerder zijn gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 24, derde lid, van de WVA (zoals dat luidde ten tijde van belang) moet een verzoek om een S&O-verklaring door een S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk een S&O-belastingplichtige worden ingediend uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het desbetreffende loon zal worden genoten onderscheidenlijk uiterlijk vier weken voor de aanvang van het kalenderhalfjaar waarin het speur- en ontwikkelingswerk door de S&O-belastingplichtige zal worden verricht.

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat appellantes aanvraag om een S&O-verklaring over het tweede halfjaar van 2005 gelet op artikel 24, derde lid, WVA uiterlijk op 2 juni 2005 ingediend had moeten zijn, terwijl deze pas op 16 juni 2005 en dus te laat is ontvangen. Appellantes stelling dat de overschrijding van de indieningstermijn het logisch gevolg is van het feit dat de beslissing op haar aanvraag voor het eerste halfjaar pas in juni 2005 is ontvangen, doet niet af aan haar verantwoordelijkheid zich van de indieningsdata op grond van de WVA op de hoogte te stellen en vervolgens tijdig een aanvraag in te dienen.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante te kennen gegeven dat van de zijde van verweerder geen verwachtingen zijn gewekt of afspraken zijn gemaakt omtrent een latere indieningsdatum. De termijnoverschrijding komt derhalve voor haar rekening.

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat bij de beoordeling van de aanvraag van appellante over de eerste helft 2005 niet is meegedeeld dat deze voor de (uiterste) indieningsdatum voor de aanvraag over het tweede halfjaar zou plaatsvinden, terwijl laatstgenoemde aanvraag pas op 30 maart 2005 zodanig was gecompleteerd dat deze in behandeling kon worden genomen.

2.2 Appellante stelt dat zij een startend bedrijf is en dat zij de aanvraag voor het tweede halfjaar van 2005 pas wilde indienen, nadat op de aanvraag voor het eerste halfjaar was beslist. Zij wilde ervaring opdoen met de beoordeling van dit soort aanvragen, teneinde voor het tweede halfjaar een 'verbeterde' aanvraag te kunnen indienen.

De financiering van het onderhavige project is volledig opgebracht door de aandeelhouders en appellante heeft verder geen inkomsten. In deze fase van het project is de aangevraagde afdrachtvermindering uitermate belangrijk voor de financiering ervan, terwijl de S&O-verklaring bovendien belangrijk is voor andere subsidies en financieringsmogelijkheden.

Hoewel circa 90% van de aangevraagde projecten gedurende het hele jaar 2005 - en soms nog verder - doorloopt, is in overleg met SenterNovem besloten in november 2004 eerst een aanvraag over het eerste halfjaar 2005 in te dienen. Appellante ging ervan uit dat die aanvraag uiterlijk medio mei 2005 zou zijn afgewerkt. Omdat de aanvraag voor het tweede halfjaar 2005 feitelijk het zelfde zou zijn als die voor het eerste halfjaar is met indiening van de aanvraag voor het tweede halfjaar gewacht tot duidelijkheid bestond over de beoordeling met betrekking tot het eerste halfjaar.

Appellante acht het onredelijk dat SenterNovem niet uiterlijk medio mei 2005 de aanvraag voor het eerste halfjaar 2005 heeft beoordeeld en haar dan tegenwerpt dat de aanvraag voor het tweede halfjaar niet tijdig is ingediend. Zij vindt deze stellingname bureaucratisch en bepaald niet innovatiebevorderend.

2.3. Het College stelt vast dat de termijnoverschrijding voor de indiening van de onderhavige aanvraag door appellante niet is betwist.

Hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd behoefde voor verweerder geen aanleiding te vormen bijzondere omstandigheden aanwezig te achten, op grond waarvan die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn.

Dat appellante op het moment dat de indieningstermijn voor het tweede halfjaar verstreek nog geen beslissing had ontvangen op haar aanvraag over het eerste halfjaar van 2005, kan niet als zodanige omstandigheid worden aangemerkt. Zowel in bezwaar als bij de behandeling van het beroep heeft appellante erkend dat haar niet, laat staan onvoorwaardelijk, is toegezegd dat zij met de indiening van de hier aan de orde zijnde aanvraag kon wachten totdat duidelijkheid was verkregen omtrent de aanvraag voor het eerste halfjaar. Van de zijde van verweerder is ter zitting bovendien terecht opgemerkt dat appellante tijdig een pro forma aanvraag had kunnen indienen en deze na de ontvangst van de beslissing met betrekking tot het eerste halfjaar 1995 had kunnen aanvullen.

Ook het door appellante gestelde financiƫle belang bij een inhoudelijke beslissing op haar onderhavige aanvraag, kan geen grond vormen haar de overschrijding van de indieningstermijn niet tegen te werpen.

2.5 Het beroep is derhalve ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2006.

w.g. M.A. van der Ham w.g. L. van Duuren