Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW9292

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
08-05-2006
Zaaknummer
AWB 04/1169 en 04/1170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/1169 en 04/1170 26 april 2006

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaken van:

Koninklijke Coöperatie Cosun U.A., te Breda,

appellante,

gemachtigden: mr. W.G.B. van de Ven en mr. M.L Pigmans, beiden advocaat te Amsterdam,

tegen

TenneT, Transmission System Operator B.V., verweerder,

gemachtigden: mr. M.W. Engelen en mr. E.A.M. van Cuyk, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 27 december 2004, bij het College op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 18 november 2004.

Bij besluiten met de kenmerken ENQ 04-1104 en ENQ 04-1105 heeft verweerder de bezwaren van appellante van 4 augustus 2004 tegen zijn besluiten van 25 juni 2004 strekkende tot weigering van een zogeheten MEP-subsidie ingevolge de Elektriciteitswet 1998 voor de periodes 1 juli 2003 t/m 31 december 2003, respectievelijk 1 januari 2004 t/m 31 december 2004, ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 januari 2005 heeft appellante de gronden van beroep ingediend.

Bij brief van 16 februari 2005, hangende de beroepen, heeft verweerder appellante medegedeeld dat de directie van TenneT zelf op grond van artikel 6:18 Awb de besluiten van 18 november 2004 heeft ingetrokken en nieuwe besluiten heeft genomen met dezelfde inhoud als de ingetrokken besluiten.

Bij brief van 21 februari 2005 heeft verweerder het College ingelicht omtrent deze intrekking onder toezending van een afschrift van zijn brief van 16 februari 2005.

Op 5 april 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 13 januari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Bij die gelegenheid hebben partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, hun standpunten toegelicht. Zijdens appellante hebben tevens M. van Dijk en H. Schuil het woord gevoerd.

2. De grondslagen van de geschillen

2.1 De Elektriciteitswet 1998 (hierna: wet) luidt, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

s. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw - met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen -, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

t. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

u. duurzame elektriciteit: elektriciteit, opgewekt in productie-installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, alsmede elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in hybride productie-installaties die ook met conventionele energiebronnen werken, met inbegrip van elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen en die wordt gebruikt voor accumulatiesystemen, en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig is van accumulatiesystemen;

v. klimaatneutrale elektriciteit: elektriciteit, opgewekt in een productie-installatie waarin waterstof of elektriciteit wordt geproduceerd uit fossiele energiedragers, waarbij de koolstof of kooldioxide die vrijkomt bij het omzettingsproces, nuttig wordt toegepast of blijvend in de ondergrond wordt opgeslagen, en waarvoor een bij ministeriële regeling omschreven verklaring is verkregen;

w. installatie voor warmtekrachtkoppeling: installatie voor de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit, en waarin een brandstof, niet zijnde een hernieuwbare energiebron, wordt verstookt, en waarvoor een bij ministeriële regeling omschreven verklaring is verkregen;

Artikel 72m

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verstrekt op aanvraag een subsidie ten behoeve van de productie van duurzame elektriciteit, klimaatneutrale elektriciteit of elektriciteit die is opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling, die is genoemd in de ministeriele regeling, bedoeld in artikel 72p, tweede lid, aan:

(…)

b. een op een Nederlands net of een Nederlandse installatie aangesloten producent die elektriciteit opwekt door middel van warmtekrachtkoppeling.

Artikel 72s

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

a. de aanvraag niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet bepaalde of (…)”

In de memorie van toelichting op de Wijziging van de Elektriciteitswet 1998 ten behoeve van de stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie (TK vergaderjaar 2002-2003, nr. 28665, nr. 3, pagina 21) is het volgende opgenomen:

“Als in een installatie voor warmtekrachtkoppeling ook biogas wordt verstookt, moet die installatie niet langer meer gezien worden als een WKK-installatie in de zin van dit wetsvoorstel, maar als een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit. Een dergelijke productie-installatie valt dan onder het regime voor de subsidie van de productie van duurzame elektriciteit en niet onder het regime van de subsidie voor de productie van elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- De directie van verweerder heeft bij besluit van 27 juni 2003 de bevoegdheid om ingevolge artikel 69 van de Wet, subsidies ten behoeve van de milieukwaliteit van de energieproductie (verder: MEP-subsidies) te verlenen gemandateerd aan de directie van EnerQ.

- Op 2 december 2003 en 23 december 2003 heeft appellante aanvragen ingediend bij EnerQ B.V. voor het verkrijgen van MEP-subsidie voor de opwekking van elektriciteit door middel van een met aardgas gestookte warmtekracht-koppelinginstallatie van de Suiker Unie fabriek (verder: wkk-installatie), te Puttershoek, voor de periode 1 juli 2003 t/m 31 december 2003, respectievelijk voor de periode 1 januari 2004 t/m 31 december 2004.

- Naar aanleiding van de aanvragen heeft EnerQ bij brieven van 16 december 2003 en 27 januari 2004 appellante verzocht om aanvullende informatie.

- Appellante heeft bij brieven van 9 november 2003 en 9 maart 2004 informatie en een processchema van de installatie verstrekt. De omschrijving van de installatie vermeldt onder andere:

“Voor de stroomvoorziening zijn er drie stoomketels. Ketel 3 produceert oververhitte stoom met een druk van 55 bar en een temperatuur van ca. 425 graden C. Ketel 1 en 2 produceren stoom met een druk van 23 bar en een temperatuur van ca. 375 graden C. Ketel 2 is eigenlijk geen ketel, maar is een thermische procesgasreinigingsinstallatie, waarbij naast biogas aardgas wordt bijgevoegd. (…)”

- Bij besluiten van 25 juni 2004 heeft EnerQ namens verweerder de MEP-subsidie voor de periodes 1 juli 2003 t/m 31 december 2003, respectievelijk 1 juli 2004 t/m 31 december 2004 geweigerd.

- Bij brief van 4 augustus 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze weigeringen.

- Op 27 oktober 2004 is appellante door de bezwaarschriftencommissie MEP omtrent haar bezwaren gehoord.

- De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd bij advies van 27 oktober 2004, door TenneT ontvangen op 8 november 2004.

- Vervolgens heeft ir. B.G.M. Voorhorst, Bezwaar en beroep commissaris werkzaam bij EnerQ, namens verweerder de besluiten van 18 november 2004 genomen.

- Bij brief van 16 februari 2005 heeft verweerder appellante medegedeeld dat hij op grond van artikel 6:18 Awb zijn besluiten van 18 november 2004 heeft ingetrokken en dat zijn directie zelf nieuwe besluiten heeft genomen, met dezelfde inhoud als die van de ingetrokken besluiten.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het advies van de Bezwaarschriftencommisie MEP overgenomen en de bezwaren ongegrond verklaard.

Het advies wordt door de Bezwaarschriftencommissie als volgt gemotiveerd:

“Inhoud bezwaarschrift

(…)

1. EnerQ heeft niet vroegtijdig Cosun geïnformeerd omtrent het feit dat de subsidieaanvraag zou worden afgewezen, zodat Cosun in een zo vroeg mogelijk stadium kon stoppen met het bijstoken van biogas en Cosun niet de gelegenheid gegeven om na 31 december 2003 een aangepaste subsdieaanvraag voor de periode juli 2003 tot en met december 2003 in te dienen, waarin niet meer van bijstook van biogas werd uitgegaan, zodanig dat de ketel waarin bijstook heeft plaatsgevonden (ketel 2) buiten de systeemgrens en daarmee buiten de subsidieaanvrag, zou worden geplaatst. Het besluit is derhalve in strijd met artikel 3:2, eerste lid, artikel 3:4, tweede lid, artikel 4:2 en artikel 4:5, eerste lid Awb.

2. Bij de Wkk-centrale van Cosun te Puttershoek is geen sprake van ‘bijstook van biogas’, nu de ketel waarin biogas wordt gestookt niet wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit. De Wkk-centrale te Puttershoek is daarom in de bestreden besluiten ten onrechte niet als 'installatie voor Wkk’ in de zin van artikel 1, eerste lid, onder w, Elektriciteitswet aangemerkt.

3. Bij de Wkk-centrale van Cosun te Puttershoek is geen sprake van bijstook van biogas, nu het biogas dat in de Wkk-cebntrale wordt gebruikt moet worden beschouwd als primaire energiebron en niet als hernieuwbare energiebron. De installatie te Puttershoek is daarom in de bestreden besluiten ten onrechte niet als ‘installatie voor Wkk’ in de zin van artikel 1, eerste lid, onder w, Elektriciteitswet aangemerkt.

4. Het niet aanmerken van de Wkk-centrale te Puttershoek als een installatie voor Wkk in de zin van artikel 1, eerste lid, onder w, Elektriciteitswet, omdat biogas wordt bijgestookt is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:4, eerste en tweede lid Awb, nu het percentage biogas dat in de Wkk-centrale wordt gebruikt zeer gering is. De nadelige gevolgen van het bestreden besluit zijn voor Cosun onevenredig in verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doelen, in het bijzonder gelet op artikel 16, tweede lid, onder e, en artikel 68, eerste lid Elektriciteitswet en de milieuwetgeving.

5. EnerQ heeft in strijd gehandeld met haar wettelijke bevoegdheid door de subsidieaanvraag van Cosun af te wijzen nadat de regionale netbeheerder voor de installatie te Puttershoek een blauwverklaring had afgegeven.

(…)

Beordeling bezwaren

(…)

Van belang is in de eerste plaats dat door partijen niet wordt bestreden dat er in de Wkk een (geringe) hoeveelheid biogas wordt bijgestookt.

De commissie meent dat het eerste bezwaar relevantie mist nu vaststaat dat het niet de taak van EnerQ is om aanvragers van subsidie te wijzen op het feit dat een bepaalde bijstook van biogas niet is toegestaan. EnerQ behandelt de aanvragen om MEP-subsidie en beoordeelt aan de hand van het daarvoor bestemde aanvraagformulier alsmede de bijbehorende stukken of een installatie al dan niet in aanmerking komt voor subsidie. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de toestand waarin een installatie zich bevindt op het moment van aanvraag. Dit bezwaar kan daarom niet gehonoreerd worden.

(…)

De commissie stelt, gelet op de tekst van de wet en het gestelde in de Memorie van toelichting, vast dat de definities van artikel 1, eerste lid, onder s, t en onder w met zich meebrengen dat een Wkk--installatie waarin ook biogas wordt verstookt niet meer als Wkk in de zin van de Elektriciteitswet 1998 kan worden aangemerkt, maar als installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit. De wetgever heeft hierbij niet voorzien in een regeling waarbij een Wkk-installatie als "hybride" kan worden aangemerkt zodat het oordeel van verweerder dat de betreffende installatie geen Wkk--installatie in de zin van de Elektriciteitswet 1998 is, door de commissie niet als onredelijk kan worden aangemerkt. Het door reclamant gestelde dat Ketel 2, waarin biogas wordt verstookt, een zelfstandig keteltje is en dat deze ketel enkel warmte levert blijkt niet uit de bijgeleverde stukken. Het gestelde dat in ieder geval enkel ketel 1 en 3 als WKK dienen te worden aangemerkt, kan niet worden gehonoreerd, daar de aanvraag is ingediend voor het totaal van drie ketels, waarin biogas wordt bijgestookt. Ook het tweede bezwaar kan derhalve geen doel treffen naar het oordeel van de commissie.

(…)

Ten aanzien van het derde bezwaar stelt de commissie vast dat de definitiebepalingen van de Elektriciteitswet 1998 in dit geval tot een ongewenst resultaat leiden. Van de zijde van verweerder is dat met zoveel woorden ter zitting oak bevestigd. Dit probleem doet zich ook in andere gevallen voor en is reden geweest om in de evaluatie van de MEP aan te dringen op een wijziging van de definltiebepalingen in de Elektriciteitswet 1998. Inmiddels werkt het ministerie van Economische Zaken aan reparatiewetgeving-zo is van de zijde van verweerder aangegeven. Tot op heden is er echter naar het oordeel van de commissie, voor EnerQ geen beleidsruimte aanwezig om op deze beoogde wetswijziging te anticiperen en aldus af te wijken van de Elektriciteiitswet 1998. De wettekst laat derhalve niet toe dat EnerQ redelijkerwijs tot een ander oordeel had kunnen komen.

(…)

Het enkele feit dat een zogenaamde ‘blauwverklaring’ is afgegeven door een netbeheerder kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat subsidie in het kader van de MEP-regeling wordt verstrekt. EnerQ toetst ook zelf nog of een installatie voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld in de Elektriciteitswet en aanverwante regelingen om voor MEP-subsdidie in aanmerking te komen. In de onderhavige kwestie voldoet de installatie van reclamant niet aan de eisen om in aanmerking te komen voor MEP-subsidie, vanwege de bijstook van biogas.

(…)”

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de informatie die een aanvrager van een subsidie verstrekt, maatgevend is voor de beoordeling van de aanvraag. In het geval van deze aanvraag is tevens betekenis toegekend aan de omschrijving en het schema van de wkk-installatie die door appellante zelf naar aanleiding van de aanvragen zijn overgelegd. Daarin is ketel 2, waarin biogas wordt bijgestookt, als onderdeel van de wkk-installatie opgenomen. Indien appellante deze ketel buiten de wkk-installatie had geplaatst, was er - aldus verweerder desgevraagd - wellicht een andere afweging gemaakt. Nu appellante dit proces binnen de wkk-installatie heeft geplaatst kan verweerder niet anders dan toepassing geven aan de wettelijke definitie van een wkk-installatie. Verweerder heeft niet de vrijheid om daar van af te wijken, mede gezien de duidelijke toelichting op de wet. Verweerder kan derhalve geen rekening houden met het feit dat in de wkk-installatie van appellante slechts een geringe hoeveelheid biogas wordt verstookt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van de beroepen - samengevat - het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Allereerst is appellante van mening dat formele gebreken kleven aan de bestreden besluiten. De door verweerder ingetrokken besluiten van 18 november 2004 waren, zoals door appellante in haar beroepschrift is betoogd, onbevoegd genomen aangezien de ondertekenaar ervan, ir. B.G.M. Voorhorst, Bezwaar en beroep commissaris, niet gemandateerd was om beslissingen op bezwaar namens verweerder te nemen. Appellante meent voorts dat de hier aan de orde zijnde bevoegdheid zich niet leent voor mandatering aan de Bezwaar en beroep commissaris van EnerQ, omdat EnerQ niet voldoende vrij staat van de producenten van energie. Door het intrekken van deze besluiten en het nemen van een nieuw besluit, dat door de directie van verweerder is ondertekend, heeft verweerder vervolgens een nieuw probleem in het leven geroepen. Het besluit van 16 februari 2005 bevat zelf geen motivering maar verwijst wat inhoud betreft volledig naar de ingetrokken besluiten. Aldus ontbeert het nieuwe besluit een deugdelijke motivering. Verder is appellante van mening dat het horen van appellante namens verweerder onbevoegd en niet met waarborgen omkleed, is geschied omdat de Bezwaarschriftencommissie zijn bevoegdheid uitsluitend zou kunnen ontlenen aan een beslissing van de - blijkens het voorgaande - onbevoegde Bezwaar en beroep commissaris van EnerQ. Het advies mag derhalve niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd zodat geconcludeerd wordt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid.

Appellante brengt voorts de volgende inhoudelijke grieven naar voren. Primair is appellante van mening dat ketel 2, waarin biogas verstookt wordt, als een zelfstandig ketel functioneert en los moet worden gezien van de twee ketels van de wkk-installatie (ketels 1 en 3). De primaire functie van ketel 2 is geurverbranding en deze ketel is bedoeld voor de nabehandeling van procesgassen. Deze mogen op grond van de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer waarover appellante beschikt, niet onbehandeld worden geëmitteerd om geurhinder voor de omgeving te voorkomen. Tevens wordt in ketel 2 biogas dat vrijkomt uit de waterzuivering gecombineerd met aardgas verbrand. De stoom (warmte) uit ketel 2 wordt niet gebruikt voor opwekking van elektriciteit. Daarmee stelt appellante dat ketel 2 geen onderdeel uitmaakt van de wkk-installatie zodat de installatie voldoet aan de definitie van artikel 1, eerste lid, onder w, van de wet. Dat op de door appellante verstrekte tekening de ketel 2 onderdeel lijkt te zijn van de wkk-installatie maakt dat niet anders. Het processchema is door verweerder ten onrechte als bepalend aangemerkt bij het beoordelen van de installatie. Verweerder had zich op grond van de technische informatie een zelfstandig oordeel moeten vormen over de onderdelen die tezamen de wkk-installatie vormen. Met ingang van 2004 is overigens ketel 2 buiten de systeemgrens geplaatst. Verweerder heeft deze wijziging inmiddels geaccepteerd en daarmee feitelijk geaccepteerd dat deze ketel niet onder de wkk-installatie als zodanig valt.

Subsidiair stelt appellante dat zelfs indien ketel 2 als onderdeel van de wkk-installatie wordt aangemerkt, de onderhavige installatie aan de definitie uit de wet voldoet. Immers, in de installatie wordt een brandstof, niet zijnde een hernieuwbare energiebron, namelijk aardgas, gestookt. Aangezien artikel 1, eerste lid, onder w van de wet niet eist dat “uitsluitend” een dergelijke brandstof in een wkk-installatie wordt gestookt, kan het bijstoken van biogas er derhalve niet toe leiden dat de subsidie op die grond wordt geweigerd.

Meer subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat de onderhavige installatie een hybride installatie is, die gedeeltelijk - voor zover de elektriciteit opgewekt wordt door het stoken van aardgas - een wkk-installatie is, die voor MEP-subsidie in aanmerking komt. Voor het overige voor zover elektriciteit zou worden opgewekt door middel van biogas kan de installatie in aanmerking komen voor MEP-subsidie voor duurzame elektriciteit. Dat is bij appellante overigens niet het geval, nu door het bijstoken van biogas in ketel 2 slechts warmte wordt opgewekt. Verweerder beroept zich op een verkeerde uitleg van de toelichting op artikel 1 van de wet door deze splitsing van de installatie niet toe te staan. De uitleg van appellante van de toelichting op artikel 1 van de wet die inhoudt dat het stoken van biogas als een apart proces moet worden gezien, ligt meer voor de hand, nu deze uitleg de doelstelling van de MEP-regeling ondersteunt en geen afbreuk doet aan de wens van de wetgever om het stapelen van subsidies te voorkomen.

Appellante is voorts van mening dat de uitleg die verweerder geeft aan de definitie van een wkk-installatie strijdig is met andere bepalingen van de wet en met de bepalingen van de Regeling CO2-index warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 en de voorganger daarvan, de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998. De wijze waarop verweerder toepassing geeft aan artikel 1, eerste lid, onder w, van de wet is overigens strijdig met doel en strekking van verschillende Europese richtlijnen.

Ter zitting heeft appellante voorts toegelicht dat zij in het kader van een nieuwe aanvraag ketel 2 waarin biogas wordt gestookt, buiten de getekende grenzen van de installatie heeft gelaten. Deze wijziging heeft ertoe geleid dat dezelfde installatie thans door verweerder als een wkk-installatie wordt aangemerkt.

5. De beoordeling van de geschillen

5.1 Het College volgt appellante niet in haar stelling dat de besluiten van 28 oktober 2004 onbevoegd zijn genomen. Blijkens de Regeling mandatering bezwaar en beroep TenneT en EnerQ nr. 2.00 van 10 juli 2003, in werking getreden op 15 juli 2003 en het daarop gebaseerde Besluit houdende verlening van mandaatverlening aan de Bezwaar en beroep commissaris van EnerQ van 17 juni 2004, in werking getreden op 15 juli 2004, is door verweerder aan ir. B.G.M Voorhorst, Bezwaar en beroep commissaris van EnerQ, mandaat verleend voor “de afwikkeling van de beslissingen op bezwaarschriften en ingestelde beroepen naar aanleiding van een besluit op de aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 69 en verder van de Elektriciteitswet”. Anders dan appellante in haar beroepschrift heeft betoogd, ontneemt het feit dat deze regeling ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten niet door middel van een publicatie bekend was gemaakt, niet de geldigheid eraan. Hieruit volgt dat ir. Voorhorst bevoegd was de besluiten van 18 november 2004 namens verweerder te nemen. Verweerder heeft zich, conform de hierboven genoemde mandaatregeling, laten adviseren door de ingestelde bezwaarschriftencommissie MEP. Het College is voorts niet gebleken dat aan de eisen die aan het horen en adviseren worden gesteld, door de bezwaarschriftcommissie MEP niet is voldaan. Het College ziet tenslotte niet in dat mandatering aan ir. Voorhorst ontoelaatbaar zou zijn omdat EnerQ niet voldoende vrij staat van de producenten van energie. Deze grief faalt derhalve.

5.2 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het College stelt vast dat verweerder met zijn brief van 16 februari 2005 waarin hij zijn besluiten van 28 oktober 2004 intrekt en waarbij hij de inhoud daarvan bekrachtigt door ondertekening namens de directie, geen andere rechtsgevolgen in het leven heeft willen roepen dan die reeds door de ingetrokken besluiten teweeg waren gebracht. De brief van 16 februari 2005 moet derhalve als een herhaling van die besluiten worden aangemerkt. Naar het oordeel van het College en volgens vaste jurisprudentie is een herhaald besluit slechts een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, indien het rechtsgevolgen in het leven roept die niet reeds door het eerdere besluit waren teweeggebracht. Daarvan is in onderhavig geval geen sprake. Derhalve is evenmin sprake van een situatie als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 Awb en zijn de onderhavige beroepen dan ook uitsluitend gericht tegen de besluiten van verweerder van 18 november 2004.

5.3 Het College ziet zich thans voor de vraag gesteld of de wkk-installatie van appellante voldoet aan de definitie van artikel 1, lid 1, onder w van de wet. Ter zake overweegt het College als volgt.

Verweerder heeft allereerst betoogd dat de tekst van artikel 1, in samenhang bezien met de toelichting op dat artikel in de memorie van toelichting, niet anders kan worden gelezen dan dat in een installatie voor warmtekrachtkoppeling voor de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, geen hernieuwbare energiebron mag worden verstookt. Het College onderschrijft dit standpunt. Dat in de zinsnede van de artikeltekst “waarin een brandstof, niet zijnde een hernieuwbare energiebron, wordt verstookt” niet een woord als “uitsluitend” is opgenomen, maakt de betekenis van het artikel, mede gezien de uitgebreide toelichting erop, niet anders. Verweerder heeft derhalve terecht het standpunt ingenomen dat een installatie waarbinnen ook een hernieuwbare energiebron, zoals biogas, wordt gestookt geen wkk-installatie is als bedoeld in de wet.

Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag voor subsidie betekenis toegekend aan de informatie die door appellante bij haar aanvraag is verstrekt. Uit de stukken is gebleken dat naar aanleiding van de aanvraag verweerder appellante heeft benaderd met vragen omtrent de werking van de installatie en met de specifieke vraag welke soort brandstof in de installatie wordt gebruikt. Appellante heeft in reactie hierop een tekening van haar installatie overgelegd en nadere gegevens verstrekt omtrent de brandstoffen die in installatie worden gestookt verstrekt. Uit deze gegevens, nader weergegeven in 2.2 van deze uitspraak, blijkt dat in een onderdeel van de installatie biogas wordt gestookt. Uit de door appellante verstrekte tekening van de installatie blijkt voorts dat dit onderdeel zich bevindt binnen de grenzen van de installatie waarop de aanvraag betrekking heeft. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de informatie van appellante, omtrent omvang en karakter van de installatie, steeds doorslaggevend is geweest bij de beoordeling van de vraag of de wkk-installatie voldoet aan de definitie van artikel 1, lid 1, onder w van de wet.

Het College acht deze benadering aanvaardbaar. Met verweerder is het College van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van een aanvraag voor subsidie af mag gaan op de informatie die de aanvrager in het kader van zijn aanvraag verstrekt. Dit geldt temeer nu appellante een professionele aanvrager is, die geacht mag worden ook in technisch opzicht juiste en volledige informatie omtrent haar aanvraag te verstrekken. Nu uit de door appellante verstrekte gegevens en tekening, in samenhang bezien, blijkt dat in de aangevraagde installatie ook biogas wordt gestookt, heeft verweerder terecht geoordeeld dat de installatie niet voldoet aan de wettelijke definitie en de subsidie geweigerd.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

5.4 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. W.E. Doolaard en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. F.W. du Marchie Sarvaas