Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW6164

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/589
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet

Boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/589 19 april 2006

15351 Telecommunicatiewet

Boete

Uitspraak op het hoger beroep van:

Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA),

gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag,

tegen de uitspraak van 7 juli 2005 van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) in de zaak met (rechtbank)procedurenummer 04/3026.

Aan de procedure in hoger beroep is als partij deelgenomen door:

KPN Telecom B.V., te Den Haag (hierna: KPN),

gemachtigde: mr. P.V. Eijsvoogel, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Op 15 augustus 2005 heeft het College van OPTA een beroepschrift ontvangen, waarbij hoger beroep wordt ingesteld tegen bovengenoemde rechtbankuitspraak.

Bij brief van 14 september 2005 heeft OPTA de gronden van haar hoger beroep ingediend.

Bij brief van 14 november 2005 heeft KPN een reactie op het hoger beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2006, alwaar de hierboven genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Voor een weergave van de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar § 2.1 en 2.2 van de aangevallen uitspraak.

Voor een weergave van de vaststaande feiten en omstandigheden wordt verwezen naar § 2.3 van de rechtbankuitspraak.

3. Het besluit van OPTA

Bij besluit van 16 juli 2004 heeft OPTA - kort samengevat - KPN met verwijzing naar artikel 6.9, eerste en tweede lid, juncto artikel 6.5, aanhef en onder b, van de Telecommunicatiewet, zoals luidend tot 19 mei 2004 (hierna: Tw (oud)), een boete opgelegd, omdat KPN aanbieders van carrier(pre)selectiediensten (hierna: CPS) die gebruikmaken van de Wholesale PreSelection-informatiedienst van KPN (hierna: WPS) minder nummerinformatie ter beschikking stelt dan waarover de retailorganisatie van KPN kan beschikken ten behoeve van het ongedaan maken van CPS-beschakelingen.

4. De uitspraak van de rechtbank

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met verwijzing naar haar uitspraak van eveneens 7 juli 2005 in de zaken met (rechtbank)procedurenummers 04/1691, 04/1692 en 04/1693 (<www.rechtspraak.nl>, LJN AU9579), geoordeeld dat WPS geen bijzondere toegangsdienst is in de zin van artikel 6.9 juncto artikel 1.1, aanhef en onder j, Tw (oud), zodat het handelen van KPN ter zake van WPS niet in strijd is met artikel 6.9, eerste en tweede lid, juncto artikel 6.5, aanhef en onder b, Tw (oud). Nu naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat KPN heeft gehandeld in strijd met een op haar rustende wettelijke verplichting en de grondslag voor het nemen van het bestreden (boete)besluit ontbreekt, kan dat besluit geen stand houden.

De rechtbank heeft het rechtstreeks beroep van KPN gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2004 vernietigd.

5. De beoordeling van het hoger beroep

5.1 In zijn uitspraak van heden in zaak 05/590 op het hoger beroep van OPTA tegen de rechtbankuitspraak van 7 juli 2005 in de zaken met (rechtbank)procedurenummers 04/1691, 04/1692 en 04/1693, heeft het College geoordeeld dat WPS geen vorm van bijzondere toegang is en dat WPS evenmin deel uitmaakt van de bijzondere toegangsdienst CPS.

Hieruit volgt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat het handelen van KPN ter zake van WPS niet in strijd is met artikel 6.9, eerste en tweede lid, juncto artikel 6.5, aanhef en onder b, Tw (oud) en dat niet is komen vast te staan dat KPN heeft gehandeld in strijd met een op haar rustende wettelijke verplichting. De rechtbank heeft het beroep van KPN dan ook terecht gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2004 van OPTA terecht vernietigd.

5.2 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep acht het College geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. H.O. Kerkmeester, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. B. van Velzen