Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW5695

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/428
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/428 13 april 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Oosterkamp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 24 juni 2005, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 mei 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag akkerbouwsteun voor het jaar 2003 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij brief van 19 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 3 maart 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig was. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/199 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“1. De areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen worden uitsluitend toegekend voor oppervlakten:

a) (…)

b) die volledig zijn ingezaaid volgens de plaatselijke normen. (…)

c) waarop het akkerbouwgewas in normale groeiomstandigheden en volgens de plaatselijke normen in stand wordt gehouden tot tenminste het begin van de bloei. (…)”

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 20

Controleverslag

1. Van elke controle ter plaatse wordt een controleverslag opgesteld aan de hand waarvan de bijzonderheden van de controle kunnen worden nagetrokken. In het verslag worden met name de volgende gegevens vermeld:

a) (…)

b) de aanwezige personen;

c) de gecontroleerde percelen landbouwgrond, de opgemeten percelen landbouwgrond en de meetresultaten per perceel landbouwgrond, alsmede de gebruikte meettechnieken;

d) (…)

e) of het bedrijfshoofd van de controle in kennis was gesteld en, zo ja, hoelang van tevoren;

2. Het bedrijfshoofd of zijn vertegenwoordiger moet in de gelegenheid worden gesteld het verslag te ondertekenen om aldus te bevestigen dat hij bij de controle aanwezig was, en er opmerkingen over de controle aan toe te voegen. Wanneer onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt aan het bedrijfshoofd een afschrift van het verslag verstrekt. (…)

Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30%, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

Wanneer het verschil groter is dan 50 %, wordt het bedrijfshoofd bovendien tot een bedrag dat gelijk is aan het op grond van de eerste alinea geweigerde steunbedrag, nogmaals uitgesloten van de steun. Dit bedrag wordt verrekend met de betalingen in het kader van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop het bedrijfshoofd aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld.”

Artikel 48

Overmacht en buitengewone omstandigheden

1. Gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden moeten binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop zulks voor het bedrijfshoofd mogelijk is met het relevante door de bevoegde instantie afdoende geachte bewijs bij de bevoegde instantie worden gemeld.

2. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft in zijn aanvraag oppervlakten 2003 de percelen 2 (10.50 ha), 3 (2.20 ha) en 4 (0.48 ha) met korrelmaïs voor akkerbouwsteun opgegeven.

- Op 8 oktober 2003 heeft de AID op het bedrijf van appellant een controle uitgevoerd. In het van deze controle opgemaakte rapport fysieke controle is onder rubriek D “Opmerkingen producent/vertegenwoordiger” het volgende vermeld:

“Perceel 2 en 3 zijn ingezaaid met maïs in april 2003.

Veel last van vogelvraat, waardoor de maïs te dun kwam te staan.

Toen kwam de aanbieding van Hyko BV om als hoofdteelt sperziebonen te telen. Toen heb ik de maïs kapot gefreesd en op 16-06-2003 de sperziebonen ingezaaid.”

- Naar aanleiding van de bevindingen van de AID heeft verweerder bij besluit van 16 december 2003 beslist dat de percelen 2 en 3 niet voor steun in aanmerking komen. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte 2645,83 % bedraagt. Met toepassing van het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en appellant tevens voor het komend jaar uitgesloten voor een bedrag van € 201,40.

- Bij brief van 3 januari 2004 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 3 maart 2005 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen.

Appellant heeft, naar hij op de hoorzitting van 3 maart 2005 heeft verklaard, rond 18 tot 20 april 2003 maïs gezaaid op de door hem voor steun opgegeven percelen. Toen de maïs ten gevolge van vogelvraat niet goed aansloeg heeft hij de maïspercelen 2 en 3 gefreesd en op 16 juni 2003 heeft hij daar sperziebonen, een niet steunwaardig gewas, gezaaid.

Daarmee heeft appellant niet voldaan aan de in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2316/1999 vermelde eis dat een areaalbetaling slechts kan worden gedaan als het om een volledig ingezaaid perceel gaat, waarop het akkerbouwgewas, in dit geval maïs, tenminste tot het begin van de bloei in stand is gehouden.

In de landbouwpraktijk is het niet aannemelijk dat rond 18 april gezaaide maïs reeds op 16 juni 2003 in bloei heeft gestaan.

Voorzover appellant meent dat er tengevolge van de vogelvraat een situatie van overmacht heeft bestaan, kan een beroep daarop niet slagen. Appellant heeft immers nagelaten verweerder binnen de in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 genoemde termijn van tien werkdagen schriftelijk te informeren over het optreden van vogelvraat.

Uit intern onderzoek is verweerder niet gebleken dat de controlerend ambtenaar tijdens de controle op 10 oktober 2003 zodanige toezeggingen heeft gedaan dat appellant er op mocht vertrouwen dat hij voor steunverlening in aanmerking zou komen als hij zaainota’s van de maïs kon overleggen. Overigens kunnen aan eventuele uitlatingen van een AID ambtenaar geen rechten worden ontleend, daar de AID terzake van de steunverlening geen beslissingsbevoegde instantie is.

Nu niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 is verweerder gehouden toepassing te geven aan artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 en dient de steunaanvraag te worden afgewezen, terwijl daarnaast appellant voor het volgende jaar moet worden uitgesloten voor een bedrag van € 201,40.

4. Het standpunt van appellant

Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de rond de periode 18 april tot 20 april 2003 gezaaide maïs op 16 juni nog niet het stadium van bloei kan hebben bereikt. Door de vogelvraat was er zeker geen sprake van normale groeiomstandigheden en bovendien kan de maïs door deze vraat in de stress zijn geschoten, waardoor de bloei vervroegd kan hebben plaatsgevonden. Daarenboven kan de AID op 8 oktober 2003 nooit geconstateerd hebben dat de maïs op 16 juni 2003 niet in bloei heeft gestaan.

De AID-controleur heeft tijdens de controle op 10 oktober aangegeven dat bij een late controle, zoals hier, de teelt van een reeds geoogst gewas moeilijk te bewijzen is. In die situatie kan, naar de controleur meedeelde, het overleggen van zaai- en spuitnota’s voldoende zijn om de teelt aan te tonen. Dergelijke nota’s heeft appellant overgelegd, waarmee de teelt daadwerkelijk is aangetoond en de percelen 2 en 3 aan de voorwaarden voor steunverlening voldoen.

Verweerder heeft verder niet conform artikel 20 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 gehandeld. Appellant is namelijk niet in de gelegenheid gesteld het AID- rapport te ondertekenen en daarbij kanttekeningen te plaatsen. Hij kreeg het rapport pas in de bezwaarfase, op 20 december 2004, onder ogen.

Tenslotte geldt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

5. De beoordeling van het geschil

Niet in geschil is dat appellant tussen 18 en 20 april 2003 op de percelen 2 en 3 maïs heeft gezaaid en dat de maïs vervolgens is ondergefreesd, waarna deze percelen op 16 juni 2003 met sperziebonen zijn ingezaaid. Daarmee staat vast dat er in ieder geval vanaf 16 juni 2003 op deze percelen geen maïs meer stond.

Hetgeen partijen verdeeld houdt is of op of vlak voor 16 juni 2003 de situatie op de percelen 2 en 3 zo was, dat gesproken kon worden van volledig ingezaaide maïspercelen, waarop de maïs tenminste tot het begin van de bloei in stand is gehouden. Slechts indien aan deze voorwaarden is voldaan kan appellant immers ingevolge artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2316/1999 aanspraak maken op een areaalbetaling.

Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat op of vlak voor 16 juni sprake is geweest van maïs die in bloei heeft gestaan. Het overweegt daartoe als volgt.

Uit een literatuur-onderzoek door verweerder naar de ontwikkeling en groei van korrelmaïs van het door appellant geteelde ras Husar is gebleken dat, gemeten over de jaren 1998 tot en met 2003, gemiddeld 50 % van de planten ongeveer 77 tot 80 dagen na het zaaien in bloei staat. Bij dit onderzoek heeft verweerder gebruik gemaakt van gegevens uit het document “teelt van maïs” van december 1993 van het proefstation Lelystad, de Rassenlijst Landbouwgewassen, onderdeel snijmaïs zoals bijgewerkt tot 7 april 2005 van de Universiteit Wageningen, het Rassenbulletin Korrelmaïs 2005 van het Praktijkonderzoek Plant en Omgeving B.V. te Lelystad, de publicatie uit het handboek snijmaïs onderdeel korrelmaïs PPO Rassenbulletin 2004 en het Rassenbulletin korrelmaïs 2003 van het Praktijkonderzoek Plant en Omgeving te Lelystad.

Uit het onderzoek is verder niet naar voren gekomen dat vogelvraat stress kan veroorzaken bij de planten, waardoor de bloei vervroegd zou kunnen plaatsvinden, zoals appellant heeft gesuggereerd. Echter, zelfs indien hiermee rekening wordt gehouden, en zelfs indien in aanmerking wordt genomen dat de omstreden percelen in het zuiden van Nederland liggen en dat het om een vroegbloeiend ras gaat, is de conclusie van verweerder, dat het vrijwel onmogelijk is dat appellant de maïs tot aan de bloei heeft onderhouden. Daarvoor is de periode tussen de inzaai van maïs op 19 april 2003 en de inzaai van sperziebonen op 16 juni 2003, die 59 dagen bedraagt, te zeer afwijkend van de gemiddelde tijd die maïs nodig heeft om tot bloei te komen. Het College ziet geen aanleiding om, gelet op de door verweerder overgelegde onderzoeksgegevens, te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie van verweerder.

De grief van appellant, dat de AID controleur op 8 oktober 2003 niet heeft kunnen vaststellen dat de maïs nog niet tot bloei was gekomen, kan niet slagen. Vast staat immers dat er op 16 juni geen maïs meer stond op de percelen 2 en 3. Uitgaande van het gegeven dat op deze datum nog geen controle had plaatsgevonden valt het niet in te zien waarom verweerder niet langs andere weg dan een waarneming met het oog mag onderzoeken of aan de voorwaarde genoemd in artikel 3, eerste lid, onder c van Verordening (EG) nr. 2316/1999 is voldaan.

Voorts valt evenmin in te zien waarom appellant benadeeld zou zijn nu hij pas achteraf inzage heeft gekregen in het door de AID naar aanleiding van de controle op 8 oktober 2003 opgemaakte rapport. Vast staat immers dat de conclusies uit het rapport dezelfde dag met appellant zijn doorgesproken.

Door appellant is betoogd dat de AID controleur hem mondeling zou hebben toegezegd dat hij met de overlegging van nota’s voor het spuiten van maïs voldoende kan aantonen dat door hem inderdaad maïs is geteeld en verzorgd, waarvoor hij akkerbouwsteun kan ontvangen. Wat er ook zij van de waarde die moet worden gehecht aan de uitlatingen van de AID-ambtenaar, het College stelt vast dat de teelt van achtereenvolgens de gewassen maïs en sperziebonen als zodanig niet in geschil is, maar dat wel de vraag is of de korrelmaïs tot het begin van de bloei door appellant is verzorgd, wil appellant voor steun in aanmerking komen. Dat aan die laatste voorwaarde zou zijn voldaan is niet met de door appellant overgelegde spuitnota’s aangetoond.

Voorzover appellant een beroep op overmacht in verband met vogelvraat heeft willen doen stuit dit af op de in artikel 48, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 neergelegde eis dat de overmacht binnen 10 dagen na het intreden daarvan aan verweerder had moeten worden gemeld. Appellant heeft een dergelijke melding niet gedaan en heeft ook niet gemeld dat hij de maïspercelen op 16 juni 2003 heeft ingezaaid met sperziebonen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

w.g. F.Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas