Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW5693

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/390
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/390 13 april 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Slor, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 30 mei 2005, bij het College binnengekomen op 2 juni 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 mei 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 9 juli 2004, waarbij appellants aanvraag akkerbouwsteun voor het jaar 2004 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen ( hierna: de Regeling) is afgewezen.

Bij brief van 11 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 8 december 2005 heeft appellant op verzoek van het College een nader stuk overgelegd.

Op 3 maart 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, bijgestaan door zijn echtgenote, zijn verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde gïntegreerde beheers- en controle systeem voor bepaalde communautaire steunregelingen is het volgende bepaald:

“1. Behoudens overmacht en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 wordt bij indiening van een steunaanvraag "oppervlakten" of een steunaanvraag "dieren" na de in de betrokken sectorspecifieke voorschriften bepaalde termijn het steunbedrag waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, verlaagd met 1 % per werkdag vertraging.

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…)”

Artikel 8 van de Regeling luidde ten tijde van belang:

“1. De aanvraagperiode voor de aanvraag oppervlakten loopt van 1 april tot en met 15 mei.

2. Indien de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de subsidie waarop de producent recht zou hebben indien LASER de aanvraag oppervlakten tijdig zou hebben ontvangen, verlaagd overeenkomstig artikel 13 van verordening 2419/2001, (…)

3. Indien de aanvraag oppervlakten meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de aanvraag afgewezen, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 13.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met het op 28 juni 2004 bij verweerder ontvangen formulier “Gecombineerde Opgave 2004 voor Landbouwtelling, gebruik gewaspercelen en aanvraag oppervlakten” onder meer een aanvraag voor akkerbouwsteun op grond van de Regeling ingediend.

- Bij besluit van 9 juli 2004 heeft verweerder de aanvraag wegens te late indiening afgewezen.

- Bij brief van 12 juli 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder, met de vermelding dat hij op grond van het bepaalde in artikel 7: 3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft afgezien van het horen van appellant, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Appellant heeft, nadat hij vanwege LASER (thans de Dienst Regelingen) in maart 2004 geïnformeerd was dat hij het formulier Gecombineerde Opgave rond 1 april 2004 zou ontvangen, nagelaten enige actie te ondernemen toen hij het formulier rond die datum niet ontvangen had. Pas toen hij eind juni 2004 een brief van LASER had ontvangen met het verzoek alsnog zijn gegevens voor de landbouwtelling in te dienen, heeft hij telefonisch contact opgenomen met LASER. Naar aanleiding van dit gesprek is hem het formulier toegezonden. Het ingevulde formulier heeft LASER vervolgens op 28 juni 2004 ontvangen.

De aanvraag is daarmee ontvangen na afloop van de indieningstermijn, die ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Regeling eindigde op 15 mei 2004. De aanvraag is ook niet binnen de zogenoemde kortingstermijn, die eindigde op 11 juni 2004, bij LASER ontvangen. Verweerder was vervolgens, nu niet gebleken is van overmacht of buitengewone omstandigheden, op grond van het bepaalde in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, gehouden de aanvraag af te wijzen.

Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het automatisch toesturen van aanvraagformulieren een service van verweerder is. Aan niet toezending kan een aanvrager geen rechten ontlenen. Het is immers de eigen verantwoordelijkheid van een aanvrager van steun om, als hij subsidie wenst aan te vragen, er voor te zorgen dat hij tijdig over de juiste formulieren beschikt en dat hij deze vervolgens ook tijdig indient.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Appellant heeft LASER, toen deze bekend maakte dat de aanvraag akkerbouwsteun digitaal kon worden ingediend, kenbaar gemaakt de papieren aanvraag te willen blijven benutten, omdat hij niet over een internetaansluiting beschikt. Hem is bij brief van 23 maart 2004 bericht dat hij de benodigde formulieren rond 1 april 2004 zou ontvangen. Daarop heeft hij vervolgens gewacht.

In mei heeft zijn accountant hem er op gewezen dat hij zijn aanvraag akkerbouwsteun nog diende in te leveren. Telefonisch contact met LASER leerde hem toen dat er van alles was misgelopen met de toezending van formulieren. Het formulier zou hem alsnog worden toegezonden. Toen hij eind juni 2004 van LASER een aanmaning kreeg heeft hij opnieuw met LASER gebeld. Daarop ontving hij uiteindelijk wel het gewenste formulier, dat hij op 25 juni 2004 heeft ingevuld en aan LASER heeft toegezonden.

Nu er kennelijk van alles is misgegaan bij verweerder meent appellant dat hij niet de dupe mag worden van de misslagen die verweerder heeft gemaakt bij het toezenden van formulieren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag oppervlakten pas op 28 juni 2004 - dus na de uiterste datum van 11 juni 2004, waarop de aanvraag, onder toepassing van een korting, nog tijdig kon worden ingediend - bij verweerder is ontvangen.

5.2 Het College stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van de aanvrager van steun is om conform de geldende voorschriften - en dus tijdig - zijn aanvraag in te dienen. Daarin past niet het aannemen van een afwachtende houding als het gaat om de tijdige verkrijging van de voor indiening van de aanvraag noodzakelijke formulieren.

5.3 Indien juist is dat appellant rond 1 april 2004 nog niet de benodigde formulieren had ontvangen, had het op de weg van appellant gelegen zich te richten tot verweerders uitvoerende Dienst Regelingen, teneinde het aanvraagformulier alsnog te verkrijgen en wel op een zodanig tijdstip dat de aanvraag tijdig bij verweerder kon worden ingediend. Doordat appellant heeft volstaan met een telefoongesprek in mei en vervolgens pas na 11 juni 2004 nogmaals telefonisch contact heeft gezocht, is het aanvraagformulier buiten de termijn ingediend. Aldus is de te late indiening niet het gevolg van abnormale en onvoorziene omstandigheden, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Het beroep op overmacht slaagt niet.

Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 was verweerder gehouden de aanvraag af te wijzen.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

w.g. F. Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas