Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW5692

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 04/1122
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 04/1122 13 april 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. F.S. Cooke en J. Riddersma, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 11 december 2004, bij het College binnengekomen op 15 december 2004, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 november 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 25 december 2003, waarbij verweerder akkerbouwsubsidie heeft toegekend op appellantes aanvraag akkerbouwsteun voor het jaar 2003 in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij brief van 22 februari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 14 september 2005 heeft verweerder, op verzoek van het College, nadere informatie verstrekt. Naar aanleiding hiervan heeft appellante bij brief van 8 oktober 2005 een nadere reactie gegeven.

Op 3 maart 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante, bijgestaan door L.C. Bos, zijn verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 2

1. In de Gemeenschap gevestigde producenten van akkerbouwgewassen kunnen onder de in deze verordening aangegeven voorwaarden een areaalbetaling aanvragen.

2. De areaalbetaling wordt vastgesteld per hectare en wordt naar regio gedifferentieerd. De areaalbetaling wordt toegekend voor een met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakte of een overeenkomstig artikel 6 braakgelegde oppervlakte (…)

Artikel 6

1. De braakleggingsverplichting wordt voor elke producent die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend en dat op grond van deze verordening uit productie wordt genomen.

Het basispercentage van de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op 10 % vanaf verkoopseizoen 2000/2001 tot verkoopseizoen 2006/2007.

2. (…)”

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 118/2004, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30 %, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 14 mei 2003 heeft appellante door middel van het formulier Gecombineerde Opgave 2003 akkerbouwsteun aangevraagd voor 11.59 ha wintertarwe, 14.81 ha zomertarwe, en 2.94 ha groene braak.

- Op 22 juli 2003 heeft de AID een controle uitgevoerd op het bedrijf van appellante. Blijkens het daarvan opgemaakte verslag fysieke controle zijn de percelen 1 met wintertarwe, 3 met zomertarwe en 5 met wintertarwe door de AID groter gemeten dan door appellante opgegeven. De percelen 2 (opgegeven voor 1.47 ha) en 4 (opgegeven voor 1.47 ha) met groene braak werden gemeten op 1.25 respectievelijk 1.19 ha.

Het door appellante ondertekende rapport vermeldt verder dat van het perceel 4 een klein puntje niet voldoet aan de eis dat een braakperceel minimaal 20 meter breed moet zijn.

Onder rubriek D “Opmerkingen producent” vermeldt het rapport:

“Wij hebben ons bedrijf nooit eerder opgemeten. Wij zijn uitgegaan van de oppervlakte van Domeinen. Blijkbaar is ons bedrijf in totaal groter, maar op perceelsniveau zit er een afwijking in”.

- Bij besluit van 25 december 2003 heeft verweerder op de aanvraag beslist. In de gewasgroep overige gewassen wordt appellante conform haar aanvraag voor 26.40 ha akkerbouwsubsidie toegekend. In de gewasgroep braak wordt, conform de metingen van de AID, 2.44 ha als geconstateerd aangemerkt. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 20.49 % bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 heeft verweerder vervolgens voor de gewasgroep braak geen steun toegekend. Nu appellante minimaal 2.9333 ha braak had moeten leggen en voor haar slechts 2.44 ha braak als geconstateerd is aangemerkt heeft verweerder tevens besloten dat het percentage braak op basis waarvan wordt uitbetaald 83,18 % bedraagt.

- Bij brief van 3 februari 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 25 augustus 2004 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Bij het nemen van het besluit is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de door de AID vastgestelde gegevens. Nu appellante meent dat de door de AID gehanteerde meetmethode een onjuist resultaat heeft opgeleverd heeft verweerder navraag gedaan bij de betrokken controleur. Deze heeft vervolgens aangegeven dat de scheiding tussen de tarwe en de braakpercelen met bladramenas niet moeilijk was te onderkennen. De gewassen stonden tegen elkaar aan. De lijn waarlangs gemeten is kon dus voor beide percelen hetzelfde worden gehouden. Op grond van deze aanvullende informatie heeft verweerder geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de AID gemeten oppervlakten.

Dat de AID een grotere totale oppervlakte heeft gemeten dan de topografische oppervlakte is te verklaren. De topografische oppervlakte wordt gemeten aan de hand van luchtfoto’s, terwijl de AID meet met gebruikmaking van GPS. Daarenboven meet de AID steevast iets ruimer en dus in het voordeel van een aanvrager. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat dit verschil relatief klein is. Uitgedrukt in een percentage bedraagt dit in dit geval slechts 0,6 %.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

De door de AID gemeten oppervlakten kunnen niet juist zijn. Volgens de bedrijfskaart bedraagt de totale oppervlakte van de percelen 1, 2, 3 en 4 gezamenlijk 26.55 ha. Met de opgegeven oppervlakte van 26.40 ha blijft appellante daarbinnen. De AID meet vervolgens een grotere oppervlakte, namelijk 26.71 ha. Dit doet de vraag rijzen hoe men meer oppervlakte kan bebouwen dan topografisch mogelijk is.

De verklaring is dat de controleur te ruim heeft gemeten, omdat hij niet langs de perceelsranden heeft gemeten. Dat klopt ook met persoonlijke waarnemingen tijdens de controle. Appellante heeft waargenomen dat vanuit de sloot werd gemeten en dus duidelijk niet langs de randen.

Verder pacht appellante de percelen 1, 2, 3, en 4 als één stuk land met een kadastrale oppervlakte van 26.07.50 ha van Domeinen, zoals uit het overgelegde pachtcontract blijkt. Ook die oppervlakte wijkt dus af van hetgeen de AID heeft gemeten.

Daarenboven is het moeilijk de grens tussen de braakpercelen en de tarwepercelen precies te meten, in verband met het feit dat de percelen gerend lopen. Niet is uit te sluiten dat het onkruidbestrijdingsmiddel Aly over de rand van het tarweperceel heen op het braakperceel met bladramenas terecht is gekomen. Daardoor is het nog moeilijker de scheiding tussen bladramenas en tarwe exact vast te leggen. Het lijkt er op dat de controleur een strook braak, waarop ramenas stond die met Aly in aanraking is gekomen, meegemeten heeft met het tarweperceel. In ieder geval kan de door appellante uitgevoerde meting met de overslagstok nooit zo’n grote afwijking vertonen als de AID meting doet veronderstellen.

Resultaat is dat appellante door de onjuiste metingen van de AID niet alleen geen braakpremie ontvangt, maar ook nog eens een extra korting krijgt omdat zij te weinig land zou hebben braakgelegd. Dit is niet aanvaardbaar.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat appellante in totaal 26.40 ha tarwe voor steun heeft aangemeld in de gewasgroep overige gewassen. Dat de AID een grotere oppervlakte meet kan er niet toe leiden dat appellante in deze gewasgroep voor meer hectares dan opgegeven steun kan ontvangen. Voorzover appellante meent dat verweerder de subsidiabele oppervlakte tarwe ten onrechte niet op meer dan 26.40 ha heeft vastgesteld, kan haar betoog dus niet slagen.

5.2 Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of er aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen in het AID- rapport. Appellante noemt een aantal redenen waarom dit het geval zou zijn.

5.3 Appellante stelt dat de braakpercelen 2 en 4 door de AID te klein zijn gemeten, omdat is waargenomen dat de controleur met het GPS toestel op zijn hoofd door een sloot heeft gelopen en dat hij niet exact de perceelsgrenzen heeft gevolgd vanwege de overhangende tarwe.

Het College stelt vast dat, zo de waarneming juist is, deze afwijking het meetresultaat uitsluitend in voor appellante gunstige zin kan beïnvloeden, gezien de ligging van de braakpercelen.

De stelling van appellante dat met het spuiten van de tarwe met het bestrijdingsmiddel Aly een strook rammenas zou zijn meegenomen, waardoor de bladrammenas zeer kort of helemaal niet meer aanwezig zou zijn geweest, staat tegenover de resultaten van de navraag die verweerder heeft gedaan bij de controlerend AID medewerker. Deze heeft te kennen gegeven dat de scheiding tussen bladrammenas en tarwe juist zeer goed was te zien. Aldus is voor de scheiding tussen de tarwe- en de braakpercelen dezelfde grens aangehouden. De stelling van een foutmeting, doordat de tarwepercelen te ruim zijn gemeten ten koste van de omvang van de braakpercelen, wijst het College dan ook van de hand.

Tegen de constatering van de AID dat een kleine strook van perceel 4 niet voldoet aan het zogenoemde 20 meter- criterium, waardoor deze strook niet als steunwaardige braak kan gelden, heeft appellante niets aangevoerd. Op grond van de AID rapportage ziet het College geen aanleiding tot twijfel omtrent de juistheid van deze vaststelling.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de AID verkeerd moet hebben gemeten, omdat de gemeten oppervlakte van de percelen 1 tot en met 4 groter is dan de topografische oppervlakte van deze percelen, zoals aangegeven op de bedrijfskaart. Ook met de tekening behorend bij het pachtcontract is een verschil in het totaal gemeten oppervlak te zien.

Verweerder stelt hier tegenover dat de AID iets ruimere marges in het voordeel van de aanvrager aanhoudt. Daarnaast meet de controleur uitsluitend de beteelde oppervlakte en is de toegepaste meetmethode verschillend nu de AID gebruik maakt van GPS apparatuur en de topografische oppervlakte wordt bepaald aan de hand van luchtfoto’s, waarbij komt dat de bedrijfskaart niet actueel behoeft te zijn. Het College is van oordeel dat verweerder hiermee een genoegzame verklaring heeft gegeven voor het verschil in oppervlakte bij optelling van de afzonderlijke opgemeten percelen, zeker in het licht van de erkenning van appellante dat zij haar bedrijf nooit eerder heeft opgemeten.

Tenslotte is het College er geenszins van overtuigd dat de meting door middel van de overslagstok een nauwkeuriger resultaat oplevert dan meting met GPS-apparatuur, zoals uitgevoerd door de AID.

5.4 Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd op voldoende overtuigende wijze aannemelijk te maken dat de braakpercelen door de AID onjuist zijn gemeten. Het College meent dat verweerder daarom bij zijn beslissing op de aanvraag oppervlakten mocht uitgaan van de bevindingen van de AID bij de bedrijfscontrole.

Verweerder was vervolgens, uitgaande van de gegevens van de AID, gehouden toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Niet gebleken is dat verweerder bij de berekening van de aan appellante toe te kennen akkerbouwsteun een verkeerde toepassing aan dit artikel heeft gegeven.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2006.

w.g. F.Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas