Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW5691

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/247hb
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 49

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/247 14 april 2006

15300 Telecommunicatiewet

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Economische Zaken (hierna: de minister),

gemachtigde: mr. E. Simon, werkzaam op het Ministerie van Economische Zaken,

tegen de uitspraak van 23 februari 2005 van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) in de gedingen tussen de minister

en

1) Orange Nederland N.V., te Den Haag (hierna: Orange),

2) Telfort B.V., te Amsterdam (hierna: Telfort),

3) T-Mobile Netherlands B.V., te Den Haag (hierna: T-Mobile), en

4) Vodafone Libertel N.V., te Maastricht (hierna: Vodafone),

(hierna ook gezamenlijk te noemen: de mobiele aanbieders),

gemachtigden: mr. G.-J. Zwenne en mr. F.J. Webbink, beiden advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Op 5 april 2005 heeft het College van de minister een beroepschrift ontvangen, waarbij hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2005, kenmerk TELEC 03/970/971/972//974 HRK.

Bij brief van 2 juni 2005 heeft de minister de gronden van het hoger beroep ingediend.

Bij brief van 4 juli 2005 hebben de mobiele aanbieders gereageerd op hetgeen de minister in hoger beroep heeft aangevoerd.

Bij brief van 17 augustus 2005 heeft de minister een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij griffiersbrief van 19 augustus 2005 heeft het College aan de mobiele aanbieders gevraagd of zij er mee instemmen dat de minister uitvoering van de uitspraak van de rechtbank in afwachting van een in januari 2006 te behandelen hoofdzaak achterwege laat. Bij brief van 29 augustus 2005 hebben genoemde partijen deze instemming gegeven. Naar aanleiding hiervan heeft de minister bij brief van 6 september 2005 zijn verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Bij brief van 20 december 2005 heeft de minister het College met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat in hoger beroep uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van de stukken ten aanzien waarvan de rechtbank beperking van de kennisneming gerechtvaardigd heeft geoordeeld.

Bij beschikking van 6 januari 2006 heeft het College beslist dat beperking van de kennisneming van deze stukken - behoudens één uitzondering - gerechtvaardigd is te achten.

Bij brief van 12 januari 2006 hebben de mobiele aanbieders aangegeven erin toe te stemmen dat het College mede op grond van de vertrouwelijke stukken zal beslissen.

Op 20 januari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 12, derde lid, van de Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP) (hierna: de Richtlijn) luidt als volgt:

"3. (…) Om daadwerkelijke mededinging te waarborgen, dragen de nationale regelgevende instanties er zorg voor dat de procedures voor de toewijzing van individuele nummers en/of nummerreeksen, transparant, billijk en snel zijn, en dat de toewijzing op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze geschiedt."

In de Telecommunicatiewet, zoals deze luidde tot 19 mei 2004 (hierna: Tw (oud)), was onder meer het volgende bepaald

"Artikel 4.1

1. Onze Minister stelt, na overleg met het college, nummerplannen vast waarin in ieder geval de bestemming van de daarin opgenomen nummers wordt aangegeven.

(…)

4. Het is verboden voor een bestemming die voorkomt in een nummerplan andere nummers te gebruiken dan de nummers die in dat plan voor die bestemming zijn opgenomen.

Artikel 4.2

(…)

6. In het geval er meerdere aanvragen om toekenning van nummers voor eenzelfde bestemming bij het college ter behandeling voorliggen en bij die aanvragen een gelijke voorkeur wordt uitgesproken voor toekenning van een bepaald nummer, dan wel bepaalde nummers kan het college besluiten de aanvragen om toekenning van die nummers verder te behandelen volgens een procedure van veiling, dan wel besluiten op die aanvragen te beslissen door middel van het lot. In het geval van veiling komt de opbrengst ervan toe aan de staat.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de in het zesde lid bedoelde procedures. (…)

8. Het is verboden (…) nummers voorkomende in een nummerplan te gebruiken voor de in (…) een nummerplan opgenomen bestemming zonder of in afwijking van een toekenning."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 22 november 2001 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat een besluit genomen tot wijziging van het Nummerplan telefoon- en ISDN-diensten (hierna: het Nummerplan).

- Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door:

- Telfort Mobiel B.V., rechtsvoorgangster van Telfort, op 16 januari 2002;

- Ben Nederland B.V., rechtsvoorgangster van T-Mobile, op 16 januari 2002;

- Vodafone op 16 januari 2002 en

- Dutchtone N.V., rechtsvoorgangster van Orange, op 17 januari 2002.

Hun bezwaren zijn gericht tegen verweerders beslissing om de nummers in de 12- en 13-serie slechts te bestemmen voor diensten ter ondersteuning van de door de aanbieders geboden telefoondienst. De nummers uit de 12- en 13-serie zijn korte, viercijferige, nummers, die slechts voor de gebruikers van het eigen netwerk bereikbaar zijn. De mobiele aanbieders menen dat deze nummers ook kunnen worden gebruikt voor het aanbieden van andere diensten aan hun abonnees. Op deze wijze kunnen de eigen abonnees als specifieke doelgroep door hen of door derden worden benaderd, hetgeen ook hun concurrentiemogelijkheden kan vergroten.

- De Staatssecretaris van Economische Zaken, die bij besluit van 25 oktober 2002 (Stcrt. 2002, 208) door de minister tijdelijk was belast met onder meer het telecommunicatie- en postbeleid, heeft deze bezwaren bij afzonderlijke besluiten van 14 februari 2003 ongegrond verklaard.

- Op 26 maart 2003 zijn tegen deze besluiten bij de rechtbank beroepen ingesteld door Dutchtone N.V., O2 Netherlands B.V. (rechtsopvolgster van Telfort B.V. en rechtsvoorgangster van Telfort), T-Mobile en Vodafone.

- Op 1 april 2003 hebben de hierboven genoemde partijen de rechtbank verzocht de vier beroepen ter behandeling te voegen.

- Bij brief van 16 juni 2003 hebben genoemde partijen gezamenlijk de gronden van hun beroepschriften ingediend.

- In een besluit van 28 april 2004 (Stcrt. 2004, 85; hierna: het besluit van 28 april 2004) heeft de minister het Nummerplan wederom gewijzigd.

- Vervolgens heeft de rechtbank op 23 februari 2005 de thans aangevallen uitspraak gedaan.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft de ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd en de minister opgedragen nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren. De rechtbank heeft daartoe - voorzover thans van belang - het volgende overwogen.

3.1 Het primaire besluit betreft een wijziging van bijlage 1 van het Nummerplan. In deze bijlage zijn de bestemmingen van nummers voor telefoon- en ISDN-diensten vastgesteld. De bestemming van de nummers in de 13-serie is als volgt geworden:

- 13..: Nummers voor diensten die de eigen vaste of mobiele openbare telefoondienst ondersteunen en voor toegang tot netwerklokale faciliteiten voor gebruikers van een netwerk;

- 1300 t/m 1309: Nummers voor diensten die de eigen vaste of mobiele openbare telefoondienst ondersteunen en voor toegang tot netwerklokale faciliteiten voor gebruikers van een netwerk;

- 1330 t/m 1399: Nummers voor diensten die de eigen vaste of mobiele openbare telefoondienst ondersteunen en voor toegang tot netwerklokale faciliteiten voor gebruikers van een netwerk.

Ambtshalve heeft de rechtbank te beoordeeld of uit de wijziging door de minister van het Nummerplan bij besluit van 28 april 2004, waarbij bijlage 1 in zijn geheel is vervangen, consequenties voortvloeiden voor de ontvankelijkheid van de mobiele aanbieders. De wijzigingen bij het besluit van 28 april 2004 hebben geen betrekking op de 13-serie en de hernieuwde vaststelling van deze nummerseries heeft geen rechtsgevolg en is daarop ook niet gericht, aldus de rechtbank. In zoverre is er geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid Awb en heeft de integrale vervanging van bijlage 1 bij besluit van 28 april 2004 geen gevolgen voor het belang van de mobiele aanbieders bij de thans bestreden besluiten.

Uit het hetgeen ter zitting van de rechtbank namens de mobiele aanbieders is verklaard, heeft de rechtbank afgeleid dat nog slechts de tegen de wijziging van de nummers 1300 tot en met 1309 en 1330 tot en met 1399 gerichte beroepen ter beoordeling stonden.

3.2 De mobiele aanbieders hebben aangevoerd te betwijfelen of er schaarste zal ontstaan. Als er meerdere aanvragen voor bepaalde nummers zijn, kan het college van de Onafhankelijk Post- en Telecommunicatieautoriteit (hierna: OPTA) ingevolge artikel 4.2, zesde lid, Tw (oud) overgaan tot het veilen of verloten van die nummers. In een veiling zullen gewilde - korte - nummers veel kosten. Het vooruitzicht dat deze investering moet worden terugverdiend, zal de vraag naar deze nummers temperen. Eiseressen achten het veilingmechanisme zeer geschikt om in geval van nummerschaarste het verdeelprobleem op te lossen.

De minister heeft gesteld dat er weinig korte nummers zijn en dat deze daarom een bestemming moeten krijgen die niet te ruim is, omdat er anders schaarste ontstaat. Het niet willen creëren van schaarste als argument om aan de voor de markt aantrekkelijke korte nummers een beperkte bestemming te geven om zo te voorkomen dat de vraag naar deze nummers het beperkte aanbod overstijgt, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Louter het feit dat er slechts een beperkt aantal korte nummers is, is onvoldoende om van schaarste te kunnen spreken. Ook het gegeven dat het gaat om voor de markt aantrekkelijke nummers is onvoldoende om deze nummers als schaars te bestempelen. Schaarste wordt niet gedefinieerd aan de hand van kwantiteit en kwaliteit van het betreffende product, maar aan de hand van het verschil tussen vraag en aanbod en de daaruit voortkomende prijs. Maar ook indien de minister er in slaagt te onderbouwen dat bij een ruimere bestemming schaarste zal ontstaan, dan zal hij moeten aangeven waarom hij van mening is dat op voorhand het gebruik van de in artikel 4.2, zesde lid, van de Tw (oud) geregelde verdeelinstrumenten uitgesloten moet worden. De rechtbank ziet vooralsnog geen aanleiding voor een dergelijke beperkte lezing van deze bepaling.

3.3 Het ruimer bestemmen van de korte nummers tot elke dienst die een aanbieder van telecommunicatiediensten aan zijn eigen abonnees wenst aan te bieden - zoals door de mobiele aanbieders gewenst - acht de minister discriminerend ten aanzien van dienstaanbieders die geen telecommunicatiediensten maar wel informatiediensten aanbieden. Deze zouden dezelfde diensten onder een langer (0800- of 090x-) nummer moeten aanbieden. Dat door een verruiming van de bestemming van de korte nummers tot 'gewone' informatienummers de netwerkhouders in een voordeliger positie komen te verkeren ten opzichte van aanbieders van informatiediensten die geen eigen netwerk hebben (waaronder ook aanbieders van telecommunicatiediensten) leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ongerechtvaardigd onderscheid. Aan het hebben van een eigen infrastructuur zijn voordelen verbonden, maar deze mogen - binnen de grenzen voortvloeiende uit het algemene mededingingsrecht - ten volle ten eigen bate worden benut.

4. Het standpunt van de minister in hoger beroep

De minister heeft tegen de aangevallen uitspraak - samengevat - het volgende aangevoerd.

4.1 De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 28 april 2004 geen besluit is in de zin van de Awb. Bijlage 1 van het Nummerplan is op een aantal punten gewijzigd en door een nieuwe bijlage 1 vervangen. Derhalve bestaat het oorspronkelijke besluit waartegen bezwaar is ingediend niet meer en is het besluit van 28 april 2004 wel degelijk op rechtsgevolg gericht. Met de conclusie dat de mobiele aanbieders procesbelang hebben, is de minister het overigens eens. De rechtbank had echter de artikelen 6:18 en 6:19 Awb van toepassing moeten verklaren, op grond waarvan het beroep tegen de beslissingen op bezwaar kon worden geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe primaire besluit. Een consequentie hiervan is dat mogelijkerwijs de inmiddels gewijzigde telecommunicatieregelgeving van toepassing is. De Europese en nationale regelgeving is lopende de procedure echter niet zodanig gewijzigd dat de minister op grond van de huidige regelgeving tot andere conclusies zou zijn gekomen dan in de bestreden besluiten.

Ten aanzien van de vraag of het Nummerplan als zodanig een appellabel besluit is, refereert de minister zich aan het oordeel van het College.

4.2 De wetgever heeft de minister een grote mate van beleidsvrijheid toegekend bij het vaststellen van nummerplannen.

Artikel 12, derde lid, van de Richtlijn bepaalt dat procedures voor de toewijzing van individuele nummers en/of nummerreeksen, transparant, billijk en snel dienen te zijn en dat de toepassing op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze geschiedt.

Artikel 4.1 Tw (oud) geeft de minister de bevoegdheid tot het opstellen van nummerplannen. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting van hoofdstuk 4 Tw (oud) en de toelichting bij artikel 4.1 Tw (oud) (Kamerstukken 1996-1997, 25533, nr. 3), staat bij het nummerbeleid het faciliteren van de markt voorop. De minister moet er voor zorgen dat een ieder die nummers nodig heeft, deze toegewezen kan krijgen en voorkomen dat een reële behoefte aan nummers met een weigering moet worden beantwoord. Er dient spaarzaam te worden omgegaan met de beschikbare nummerruimte. Het Nummerplan moet voorzien in voldoende nummercapaciteit voor tientallen jaren.

In artikel 4.2, zesde lid, Tw (oud) is voor OPTA onder meer de mogelijkheid opgenomen om bij meerdere aanvragen voor de toekenning van nummers voor eenzelfde bestemming, te bepalen dat nummers worden toegekend door middel van een procedure van veiling, dan wel door middel van het lot. Artikel 4.2, zevende lid, Tw (oud) bepaalt dat bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur regels gesteld worden ten aanzien van de procedures omtrent veiling en loting. Een dergelijke algemene maatregel van bestuur is onder de Tw (oud) niet in werking getreden.

4.3 Het standpunt van de rechtbank dat schaarste gedefinieerd wordt aan de hand van het verschil tussen vraag en aanbod en de daaruit voortkomende prijs, is om meerdere redenen niet te verenigen met het nummerbeleid zoals vastgesteld in de Tw (oud) en de daarop berustende regelgeving.

In de eerste plaats mag de minister geen risico nemen wat betreft het creëren van schaarste. Omdat er tijdens de consultatieprocedure bleek dat er zeer grote belangstelling zal zijn voor de viercijferige nummers, kon de minister er in redelijkheid van uitgaan dat bij een bredere bestemming van de 13-serie schaarste zou ontstaan, mede omdat hij bij vaststelling van nummerplannen voor tientallen jaren vooruit moet plannen. Bovendien is voor de diensten die de mobiele aanbieders willen aanbieden ruimte beschikbaar in de 0800- en 090x-series van het Nummerplan.

In de tweede plaats doet de rechtbank ten onrechte vermoeden dat de hoogte van de vergoeding afhangt van de economische waarde van een nummer. Nummers worden als hoofdregel toegekend op basis van volgorde van binnenkomst. Indien het aantal nummers ontoereikend is voor de vraag, gaat de prijs niet omhoog, aangezien OPTA op grond van de Regeling vergoedingen OPTA niet de bevoegdheid heeft om in dat geval een hoger tarief in rekening te brengen. Weliswaar had OPTA op grond van artikel 4.2, zesde lid, Tw (oud) kunnen besluiten om bij meerdere aanvragen voor hetzelfde nummer de procedure van veiling toe te passen, maar dit betreft een kan-bepaling waarvan OPTA geen gebruik heeft gemaakt.

In de derde plaats is de rechtbank niet ingegaan op hetgeen door de minister naar voren is gebracht omtrent het verschil tussen absolute en relatieve schaarste. Absolute schaarste betekent dat er onvoldoende nummers aanwezig zijn in een nummerreeks, hetgeen de minister bij het formuleren van een beleid omtrent bestemmingen van de nummers moet vermijden. Relatieve schaarste van nummers is een ander verschijnsel. Om dit op te lossen kan onder meer gebruik worden gemaakt van artikel 4.2, zesde lid, Tw (oud). Dit is bedoeld voor het bijzondere geval dat er voldoende nummers beschikbaar zijn voor een bepaalde bestemming, maar enkele nummers de voorkeur van aanvragers genieten waardoor te verwachten is dat er meer aanvragen voor één bepaald nummer zullen komen. De in het leven geroepen verdelingsmechanismen zijn niet opgenomen voor het geval van absolute schaarste.

Het zou hiernaast discriminerend zijn indien dezelfde soort diensten door netwerk- en carrierpreselectaanbieders onder een kort - viercijferig - nummer zouden kunnen worden aangeboden, terwijl dienstenaanbieders hiervoor een lang - achtcijferig - nummer moeten gebruiken.

5. Het standpunt van de mobiele aanbieders in hoger beroep

De mobiele aanbieders hebben in hoger beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

5.1 Het onderhavige besluit tot wijziging van het Nummerplan moet worden beschouwd als een (concretiserend) besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, zodat hiertegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Aldus is ook geoordeeld door de president van het College (14 juli 1997, AB 1998/203) en de rechtbank (12 mei 1999, www.rechtspraak.nl, LJN: AT0667 en 25 februari 2005, www.rechtspraak.nl, LJN: AT0640). Ook de minister is hiervan uitgegaan, zoals blijkt uit de rechtsmiddelverwijzing onder besluiten tot wijziging van het Nummerplan.

In het besluit worden bestemmingen gegeven aan een aantal nummerreeksen. Dit betekent in feite een nadere bepaling van de toepassingssfeer van de bepalingen uit de Tw die verbieden voor een bestemming uit het Nummerplan andere nummers te gebruiken dan de nummers die in dat plan voor die bestemming zijn opgenomen, alsmede de bepalingen die verbieden nummers te gebruiken zonder of in afwijking van een toekenning door OPTA. De mobiele aanbieders hebben hiertoe gewezen op bepalingen uit de Tw die identiek zijn aan artikel 4.1, vierde lid, Tw (oud), respectievelijk artikel 4.2, achtste lid, Tw (oud). Weliswaar fungeert het Nummerplan als een normstellend kader bij de aanvraag en toekenning van nummers, maar het betreft hier geen zelfstandige normstelling. Het gaat slechts om een concretisering van bestaande normen uit de Tw.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit van 28 april 2004 geen betrekking heeft op de nummers waarop het bestreden besluit betrekking had.

5.2 Het onbestreden uitgangspunt is dat het Nummerplan de markt moet faciliteren in de zin dat wie nummers nodig heeft, deze in beginsel moet kunnen verkrijgen. De wet voorziet er uitdrukkelijk niet in dat bij het vaststellen van het Nummerplan overwegingen met betrekking tot veronderstelde concurrentievoordelen een rol spelen.

Er is alleen sprake van schaarste als de vraag groter is dan het aanbod, hetgeen moet blijken op het moment dat de nummers beschikbaar komen. Slechts in het - onaannemelijke - geval van schaarste is er sprake van een verdeelprobleem, waarvoor de wet specifieke oplossingen heeft, met name veiling en loting. Het vergaand beperken van de bestemming van nummers kan geen oplossing zijn. Dit is bovendien in strijd met de wet, die verlangt dat de minister bij de vaststelling van het nummerplan zoveel mogelijk rekening houdt met de behoeften van de markt en gebruikers. Het nummerbeleid van de minister moet ertoe leiden dat nummers efficiënt worden toegekend, ofwel dat er geen nummers onnodig ongebruikt blijven.

De 0800- en 090x-nummers bieden geen alternatief, omdat zij veel langer zijn dan de korte nummers. Bovendien hebben zij een landelijk bereik, terwijl de korte nummers netwerkafhankelijk zijn en daarmee de mogelijkheid bieden om te differentiëren naar netwerk en doelgroep.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ten aanzien van het rechtskarakter van het Nummerplan overweegt het College het volgende.

In zijn door de mobiele aanbieders aangehaalde uitspraak van 14 juli 1997 heeft de president van het College als voorlopig oordeel gegeven dat het Nummerplan een - voor bezwaar en beroep vatbaar - besluit van algemene strekking is. In overeenstemming hiermee heeft de rechtbank in zijn uitspraak van 12 mei 1999 het Nummerplan aangemerkt als een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Dit oordeel ligt eveneens aan de aangevallen uitspraak ten grondslag en ook de minister is hiervan uitgegaan. Het College ziet geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

Het enkele feit dat een samengesteld besluit na wijziging op onderdelen als geheel opnieuw wordt vastgesteld, betekent niet zonder meer dat bij dit nieuwe besluit ook over alle ongewijzigde onderdelen besloten is. Dat is onder meer afhankelijk van de aard van het besluit en de samenhang van de onderdelen. Hier moet worden geoordeeld dat voor de tussen partijen in geschil zijnde bestemming van de nummers 1300 tot en met 1309 en 1330 tot en met 1399 het besluit van 28 april 2004 geen rechtsgevolg heeft en daarop ook niet gericht is. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het besluit van 28 april 2004 geen gevolgen heeft voor het belang van de eiseressen in eerste aanleg bij de door hen bestreden besluiten.

6.2 Partijen zijn met name verdeeld over de vraag welke betekenis binnen het kader van het Nummerplan toekomt aan het begrip schaarste. De opvatting van de rechtbank hieromtrent - die strookt met hetgeen de mobiele aanbieders te berde hebben gebracht - is dat het gaat om relatieve schaarste, die er uit blijkt dat de vraag naar bepaalde - korte - nummers het aanbod overstijgt. Als een dergelijke situatie zich zou voordoen, zouden veiling en loting van nummers mogelijke instrumenten zijn om het schaarsteprobleem op te lossen.

De minister heeft hiertegen ingebracht dat hij absolute schaarste dient tegen te gaan, hetgeen inhoudt dat hij dient te voorkomen dat er onvoldoende nummers aanwezig zijn in een nummerreeks. De veiling- en lotingprocedures als bedoeld in artikel 4.2, zesde lid, Tw (oud), zijn niet bedoeld voor situaties van absolute schaarste.

De memorie van toelichting bij hoofdstuk 4 Tw (oud), waarnaar de minister heeft verwezen, vermeldt onder meer het volgende:

"Het is de taak van de overheid (…) te zorgen dat nummerplannen zodanig zijn ingericht dat eenieder altijd die nummerruimte kan krijgen die hij nodig heeft. Anders gezegd, indien de nummerplannen op een juiste wijze worden opgesteld zal er nooit een aanvraag tot toekenning van nummers behoeven te worden geweigerd omdat er geen nummers voor de desbetreffende bestemming meer zijn. Tegen deze achtergrond bestaat geen reden om bij toekenning van nummers een procedure te hanteren die ziet op een verdeling van een schaars goed."

Het College leidt hieruit af dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat de minister het Nummerplan zo inricht dat absolute schaarste wordt voorkomen. De minister heeft in overeenstemming hiermee gehandeld, door aan de nummers uit de 13-serie een zodanig beperkte bestemming te geven dat - ook binnen de lange periode van tientallen jaren waarop het Nummerplan ziet - geen situatie behoeft te worden gevreesd waarin de beschikbare nummers ontoereikend zijn. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft de minister aldus voldoende onderbouwd waarom hij voor de beperkte bestemming heeft gekozen.

Uit het voorgaande volgt dat het College evenmin de opvatting van de rechtbank deelt dat de minister diende aan te geven waarom hij van mening is dat veiling en loting moeten worden uitgesloten als verdelingsmechanismen in geval van schaarste. De minister heeft genoegzaam gemotiveerd dat, indien hij voorkomt dat zich een situatie van absolute schaarste voordoet, toepassing van bedoelde verdelingsmechanismen niet aan de orde is.

6.3 Het betoog van de mobiele aanbieders dat de minister heeft gehandeld in strijd met de van toepassing zijnde regelgeving treft geen doel. De mobiele aanbieders hebben hiertoe in essentie aangevoerd dat - aangezien langere, achtcijferige, nummers geen volwaardig alternatief zouden vormen - de minister het Nummerplan niet zo mag inrichten dat de meer gewilde viercijferige nummers onnodig onbenut blijven.

Daargelaten of de minister tot een ruimere toewijzing van de nummers uit de 13-serie had kunnen komen zonder het risico te lopen van het - vroeg of laat - optreden van absolute schaarste, kan niet worden staande gehouden dat hij heeft gehandeld in strijd met het voorschrift van artikel 12, derde lid, van de Richtlijn, dat de procedures voor de toewijzing van nummers transparant, billijk en snel dienen te zijn. De minister heeft de bestemming van de viercijferige nummers zodanig gekozen dat aan een ieder die een dergelijk nummer voor die bestemming nodig heeft dit kan worden toegewezen en heeft voldoende achtcijferige nummers bestemd ten behoeve van ruimer omschreven doeleinden. De door de mobiele aanbieders voorgestane alternatieven als veiling en het voor een korte periode uitgeven van nummers, zouden eerder tot tijdrovende en minder overzichtelijke procedures leiden.

6.4 Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De bij de rechtbank ingestelde beroepen dienen alsnog ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

7. De beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen tegen de besluiten van de minister van 14 februari 2003 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. W.E. Doolaard en mr. H.O. Kerkmeester, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2006.

w.g. C.J. Borman w.g. J.M.W. van de Sande