Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW5690

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-03-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 06/197
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet goederenvervoer over de weg

Wetsverwijzingen
Wet goederenvervoer over de weg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 06/197 30 maart 2006

14000 Wet goederenvervoer over de weg

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, h.o.d.n. B Internationaal Transport, te X, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.J. Likkel, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie, verweerster,

gemachtigde: R.A. Scherpenisse, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij besluit van 22 december 2005 heeft verweerster aan verzoeker meegedeeld dat zijn bezwaar tegen het besluit van 23 februari 2005, waarbij verzoekers aanvraag voor verlenging van de tot 8 december 2004 aan hem op grond van de Wet goederenvervoer over de weg verleende communautaire vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer werd afgewezen, ongegrond is verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 januari 2006 beroep ingesteld en bij brief van 23 februari 2006 heeft hij de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerster heeft bij brief van 9 maart 2006 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en schriftelijk op het verzoek gereageerd.

Het verzoek is op 24 maart 2006 ter zitting behandeld, waarbij gemachtigden zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening EEG nr. 881/92 van 26 maart 1992 van de Raad betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten (hierna: de Verordening) bepaalt onder meer het volgende:

“Artikel 3

1. Het internationale vervoer wordt uitgevoerd onder dekking van een communautaire vergunning.

2. De communautaire vergunning wordt door een Lid-Staat, overeenkomstig de artikelen 5 en 7, afgegeven aan alle ondernemers die beroepsgoederenvervoer over de weg verrichten en die:

- zijn gevestigd in een Lid-Staat (…) overeenkomstig de daar geldende wetgeving,

- in die Lid-Staat, overeenkomstig de voorschriften van de gemeenschap en van die Lid-Staat inzake de toegang tot het beroep van vervoerondernemer, gemachtigd zijn internationaal vervoer van goederen over de weg te verrichten.

(…)

Artikel 5

De in lid 3 bedoelde communautaire vergunning wordt afgegeven door de bevoegde instanties van de Lid-Staat (…).

(…)

Artikel 7

Bij de indiening van een aanvraag om een communautaire vergunning en ten hoogste vijf jaar na de afgifte ervan en vervolgens ten minste om de vijf jaar onderzoeken de bevoegde instanties van de Lid-Staat van vestiging of de vervoerder voldoet of nog steeds voldoet aan de in artikel 3, lid 2, bedoelde voorwaarden.

Artikel 8

1. Ingeval aan de in artikel 3, lid 2, genoemde voorwaarden niet is voldaan, weigeren de bevoegde instanties van de Lid-Staat (…) bij een met redenen omkleed besluit de communautaire vergunning af te geven of te verlengen.

(…)”

Richtlijn nr. 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers (hierna: de Richtlijn), bepaalt onder meer het volgende:

“Artikel 3

1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerder wensen uit te oefenen, moeten

a. (…)

b. over voldoende financiële draagkracht beschikken,

c. (…)

(…)”

De Wet goederenvervoer over de weg (Wgw) bepaalt onder meer het volgende:

“Artikel 5

1. Het is verboden binnenlands beroepsvervoer te verrichten zonder een daartoe strekkende vergunning.

2. In afwijking van het verbod in het eerste lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven omtrent de voorwaarden waaronder niet in Nederland gevestigde ondernemers beroepsvervoer op Nederlands grondgebied kunnen verrichten.

3. Het is verboden grensoverschrijdend beroepsvervoer te verrichten zonder een communautaire vergunning.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen vormen van beroepsvervoer worden aangewezen, waarop de in het eerste en derde lid bedoelde verboden niet van toepassing zijn.

(…)

Artikel 8

1. Een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer wordt verleend indien wordt voldaan aan de eisen van:

a. betrouwbaarheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ieder van hen;

b. kredietwaardigheid, door de ondernemer of indien meer natuurlijke personen gezamenlijk als ondernemer optreden, door hen gezamenlijk; en

c. vakbekwaamheid, door degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het beroepsvervoer of indien deze leiding bij meer personen berust, door ten minste een van hen.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde eisen.

Artikel 9

1. Een communautaire vergunning wordt slechts verleend en is na verlening slechts geldig, indien de aanvrager van die vergunning in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer als bedoeld in artikel 5, eerste lid.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt een communautaire vergunning slechts verleend, indien binnen de onderneming wordt voldaan aan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aanvullende eis van vakbekwaamheid voor grensoverschrijdend beroepsvervoer.

Artikel 10

1. (…)

2. (…)

3. Behoudens het bepaalde in artikel 13, derde lid, wordt een communautaire vergunning verleend voor vijf jaar en kan op aanvraag telkens voor dezelfde periode worden verlengd.

4. (…)

Artikel 11

1. (…)

2. Behoudens het bepaalde in de artikelen 10, derde lid, en 13, derde lid, vervalt een communautaire vergunning van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de vergunning, bedoeld in het eerste lid, vervalt.

Artikel 12

1. (…)

2. (…)

3. (…)

4. Een communautaire vergunning wordt ingetrokken:

a. indien de vergunninghouder niet meer in het bezit is van een vergunning voor binnenlands beroepsvervoer; of

b. indien binnen de onderneming niet meer wordt voldaan aan de aanvullende eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 9, tweede lid.

5. (…)

6. (…)”

Het Besluit goederenvervoer over de weg bepaalt onder meer het volgende:

“Artikel 20

1. Ter voldoening aan de eis van kredietwaardigheid, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de wet dient de ondernemer te beschikken over een bij ministeriële regeling vast te stellen kapitaal en reserves benodigd voor een correcte aanvang en een goed beheer van de onderneming.

2. Omtrent het voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis van kredietwaardigheid stelt de NIWO een onderzoek in op de voet van het bepaalde in artikel 3, derde lid, onder b) van richtlijn nr. 96/26/EG.

3. De NIWO onderzoekt iedere vijf jaar of aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan. De NIWO kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van het tijdstip van dat onderzoek.

4. De NIWO kan de ondernemer tijdens het onderzoek, bedoeld in het derde lid, een uitstel van ten hoogste een jaar verlenen ten behoeve van de vaststelling van het voldoen aan de eis van kredietwaardigheid indien de ondernemer heeft aangetoond dat het op grond van de algemene economische situatie van zijn onderneming waarschijnlijk is dat hij voor afloop van het verleende uitstel zal voldoen aan de eis van kredietwaardigheid.

5. (…)”

De Regeling kredietwaardigheid beroepsvervoer 2002 bepaalt onder meer het volgende:

“Artikel 1

Het kapitaal en de reserves waarover een ondernemer in het beroepsvervoer ter voldoening aan de eis van kredietwaardigheid dient te beschikken bedraagt ten minste:

a. € 18.000 wanneer hij in zijn onderneming één of twee vrachtauto's gebruikt;

b. € 19.000 wanneer hij in zijn onderneming drie vrachtauto's gebruikt;

c. € 24.000 wanneer hij in zijn onderneming vier vrachtauto's gebruikt;

d. € 5.000 per vrachtauto boven het onder c. vermelde bedrag voor elke extra vrachtauto, die hij in zijn onderneming gebruikt.

Artikel 2

1. Onder het kapitaal en de reserves van de ondernemer wordt verstaan het voor de onderneming beschikbare risicodragend vermogen, bestaande uit het eigen vermogen van de ondernemer, vermeerderd met een ten opzichte van alle andere schulden achtergestelde lening of met een belegging in durfkapitaal, zoals geregeld bij of krachtens de artikelen 5.17 en 5.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001, aan een beginnende ondernemer.

2. De ondernemer toont tegenover de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie zijn kredietwaardigheid aan door het overleggen van een balans en een toelichting daarop, voorzien van een door een registeraccountant of door een accountant-administratieconsulent afgegeven verklaring, inhoudende dat de waardering van het voor de onderneming beschikbare risicodragend vermogen is geschied volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, en dat dit vermogen voldoet aan de in artikel 1 gestelde eisen.

3. Is de ondernemer een rechtspersoon, die op grond van titel 9 van Boek 2 BW verplicht is om voor zijn onderneming een jaarrekening op te maken, dan kan hij volstaan met het overleggen van zijn jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar voorzien van een door een registeraccountant of door een accountant-administratieconsulent afgegeven verklaring, indien daaruit blijkt dat het voor de onderneming beschikbare risicodragend vermogen voldoet aan de in artikel 1 gestelde eisen.

(…)”

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker drijft sinds 18 oktober 1999 – volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg, maar naar eigen zeggen feitelijk sinds 2001 – een onderneming, genaamd B Internationaal Transport, in goederentransport in opdracht van derden over de weg met behulp van vrachtwagentrekkers.

- Bij brief van 31 januari 2005 heeft accountant D AA namens verzoeker om verlenging van de vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer verzocht. Naast het daarop betrekking hebbende aanvraagformulier, is daarbij een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg, een verklaring omtrent het gedrag en een vermogensopstelling per 31 december 2003 overgelegd.

- Uit evengenoemde vermogensopstelling blijkt dat het risicodragend vermogen van verzoekers onderneming per 31 december 2003 € 74.376,- negatief bedroeg.

- Bij besluit van 23 februari 2005 heeft verweerster de aanvraag afgewezen, omdat blijkens de overgelegde financiële gegevens verzoeker niet voldoet aan de eis van kredietwaardigheid, meer in het bijzonder de eis dat de onderneming over een kapitaal en reserves van minimaal € 18.000,- beschikt.

- Bij brief van 7 april 2005 heeft verweerster de ontvangst van het bezwaar van 5 april 2005 aan verzoekers gemachtigde D bevestigd en een afschrift van deze brief aan verzoeker gezonden. Tevens heeft verweerster meegedeeld dat, gelet op de beschikbare gegevens, besloten is verzoeker uitstel te verlenen tot 8 december 2005 ten behoeve van de vaststelling dat hij voldoet aan de eis van kredietwaardigheid, waarbij is verzocht om vóór 18 november 2005 de hierop betrekking hebbende financiële gegevens over te leggen. Aan verzoeker is een tijdelijke vergunning met een geldigheid tot 8 december 2005 gezonden.

- Bij brief van 21 oktober 2005 heeft verweerster verzoekers gemachtigde eraan herinnerd dat de gevraagde financiële gegevens vóór 18 november 2005 dienen te zijn overgelegd.

- Bij brief van 18 november 2005 heeft verweerster verzoekers gemachtigde erop gewezen dat niet is gereageerd op het verzoek om financiële gegevens over te leggen. Tevens heeft verweerster hem verzocht om uiterlijk 21 november 2005 contact op te nemen teneinde een datum voor de hoorzitting vast te stellen.

- Bij brief van 21 november 2005 heeft verzoekers gemachtigde meegedeeld dat de jaarstukken 2004 van verzoekers onderneming niet gereed zijn en ook niet op zeer korte termijn zullen worden, zodat verzoeker geen gebruik wenst te maken van het recht om gehoord te worden. Zodra de jaarstukken gereed zijn, zullen zij alsnog ter informatie worden gezonden, aldus verzoekers gemachtigde. Tevens heeft hij meegedeeld dat alle correspondentie aan verzoekers raadsman is overgedragen.

- Bij brief van 24 november 2005 heeft verweerster aan verzoeker – gegevens omtrent zijn raadsman waren verweerster niet bekend – meegedeeld dat tot en met 12 december 2005 de gelegenheid bestaat om nadere (financiële) stukken over te leggen.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerster heeft het bezwaar ongegrond verklaard, waartoe het volgende is overwogen.

Verzoeker is gedurende een jaar in de gelegenheid gesteld om alsnog aan te tonen dat aan de eis van kredietwaardigheid wordt voldaan, in verband waarmee tijdelijke vergunningen met een geldigheid tot 8 december 2005 aan hem zijn verstrekt. Ondanks uitstel heeft verzoeker geen gegevens meer overgelegd, waaruit blijkt dat zijn onderneming over voldoende risicodragend vermogen beschikt. Derhalve moet op basis van de beschikbare gegevens worden geconcludeerd dat de onderneming (per 31 december 2003) over een negatief risicodragend vermogen van € 74.376,- beschikt, zodat niet aan de eis van kredietwaardigheid wordt voldaan.

4. Het standpunt van verzoeker

Met zijn verzoek om voorlopige voorziening wil verzoeker bereiken dat op korte termijn een oordeel wordt geveld over de weigering de communautaire vergunning te verlengen. Dit is volgens verzoeker van wezenlijk belang voor het voortbestaan van zijn bedrijf.

Verzoeker stelt dat hij, noch zijn gemachtigde D de brief van 7 april 2005 hebben ontvangen. Eerst op 21 oktober 2005 bleek dat vóór 18 november 2005 financiële stukken moesten worden overgelegd. De heer D heeft erop gewezen dat hij de stukken niet tijdig gereed kon hebben. Het had in de rede gelegen hem hiervoor nog enig respijt te geven. Volgens verzoeker heeft de heer D de jaarrekening 2004 en de jaarrekening over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 op 5 december 2005 aan verweerster gezonden.

De weigering de communautaire vergunning te verlengen, betekent volgens verzoeker dat het hele proces gericht op het weer financieel gezond maken van zijn onderneming stukloopt. Verzoeker heeft een accountant ingeschakeld, hij heeft geen personeel meer in dienst en is thans als enige als chauffeur werkzaam. In het kader van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen heeft de gemeente Z, naar aanleiding van een positief advies van E Consultancy, aan verzoeker een krediet van € 85.000,- toegekend. Er is sprake van een stijgende lijn in verzoekers financiële positie. Indien hij doorgaat op het niveau waarop hij met een communautaire vergunning opereerde, zal er op niet al te lange termijn een positief kapitaal ontstaan. Volgens verzoeker had verweerster op basis van deze gegevens de aanvraag kunnen honoreren.

Ten slotte is verzoeker van mening dat er een bijzondere omstandigheid is die verweerster tot verlenging van de vergunning had moeten leiden, te weten dat verzoeker vanuit een grensgebied opereert op twee kilometer afstand van Duitsland en acht kilometer van België.

5. Het nadere standpunt van verweerster

Verweerster vindt het onwaarschijnlijk dat de brief van 7 april 2005 respectievelijk een afschrift van deze brief zowel de gemachtigde van verzoeker als verzoeker zelf niet heeft bereikt.

Verder wijst verweerster erop dat verzoeker al sinds 8 december 2004 niet meer over een geldige communautaire vergunning beschikt, terwijl hij pas op 1 februari 2005 om verlenging heeft verzocht. Vanaf de datum waarop bezwaar is gemaakt tot 18 november 2005 hebben verzoeker, noch zijn gemachtigde gereageerd. Verweerster meent dat er geen sprake is van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Verweerster is van mening dat de beslissing op bezwaar zorgvuldig en op deugdelijke gronden tot stand is gekomen. Verzoeker heeft een jaar de tijd gehad om de kredietwaardigheid alsnog aan te tonen. Ondanks de herinnering aan de termijn waarbinnen financiële gegevens overgelegd moesten worden, heeft verzoeker niet gereageerd. Ook van de tot 12 december 2005 geboden termijn om stukken in te dienen en van de gelegenheid om te worden gehoord, heeft hij geen gebruik gemaakt. Verweerster stelt de volgens verzoeker op 5 december 2005 gezonden financiële gegevens niet te hebben ontvangen en zij betwijfelt ook, gelet op de inhoud van het faxbericht van 21 november 2005 van de heer Van de Bergh, of de stukken daadwerkelijk zijn verzonden.

De volgens verzoeker uit deze stukken blijkende stijgende lijn en een op termijn positief kapitaal maakt naar het oordeel van verweerster nog niet dat ten tijde van belang aan de voorgeschreven maatstaven van financiële draagkracht is voldaan. Overigens kan verweerster uit de overgelegde gegevens geen stijgende lijn afleiden. De geografische ligging van verzoekers onderneming is volgens verweerster geen criterium bij verlenging van een communautaire vergunning en is ook niet als een bijzondere omstandigheid aan te merken.

6. De beoordeling van het geschil

In de eerste plaats overweegt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat verzoeker thans een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Ter zitting is gebleken dat het advies inzake zijn aanvraag voor krediet op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen, waarin de afhankelijkheid van de onderneming van twee binnenlandse opdrachtgevers als een risico werd beschreven, voor verzoeker reden is geweest zich ook op grensoverschrijdend beroepsvervoer te gaan toeleggen. Hoewel niet is aangetoond dat verzoeker voor een belangrijk deel afhankelijk is van opdrachten voor grensoverschrijdend vervoer en gebleken is dat zijn vergunning voor binnenlands vervoer nog niet is ingetrokken, kan er worden aangenomen dat door het sinds 8 december 2005 niet langer beschikken over een communautaire vergunning de continuïteit van de onderneming minder is gewaarborgd dan indien verzoeker wel over die vergunning zou beschikken.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter staat derhalve de vraag of het bestreden besluit van 22 december 2005, waarbij verweerder de weigering heeft gehandhaafd om verzoekers communautaire vergunning te verlengen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in rechte stand kan houden.

Het antwoord op de vraag of de gemachtigde van verzoeker en/of verzoeker zelf op de hoogte waren van de bij brief van 7 april 2005 gestelde termijn voor het overleggen van financiële gegevens teneinde alsnog de kredietwaardigheid van de onderneming aan te tonen, kan in het midden worden gelaten. Vast staat dat verzoekers gemachtigde in ieder geval sinds 21 oktober 2005 ervan op de hoogte was dat deze gegevens vóór 18 november 2005 moesten worden ingeleverd en ook staat vast dat deze termijn bij brief van 24 november 2005 is verlengd tot en met 12 december 2005. Uit de gedingstukken lijkt tevens te kunnen worden opgemaakt dat het voor verzoeker mogelijk was om de financiële gegevens binnen deze laatstgenoemde termijn over te leggen, nu de jaarrekening over het jaar 2004 en de jaarrekening over de periode 1 januari tot en met 30 september 2005 beide op 5 december 2005 zijn opgemaakt. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat de accountant de jaarstukken op 5 december 2005 naar hem heeft gezonden en dat hij ervan is uitgegaan dat de accountant ze ook naar verweerder had gestuurd. Daarmee heeft verzoeker bevestigd dat de jaarstukken niet of niet tijdig naar verweerder zijn gezonden. Het misverstand met zijn accountant komt voor zijn risico.

Nu verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om door middel van financiële gegevens aan te tonen dat zijn onderneming alsnog aan de eis van kredietwaardigheid voldoet, kon verweerder niet anders dan op basis van de beschikbare financiële gegevens op het bezwaar van verzoeker beslissen. Blijkens deze financiële gegevens beschikte verzoekers onderneming per 31 december 2003 over een negatief risicodragend vermogen van € 74.376,--. Er werd dan ook niet voldaan aan de eis van kredietwaardigheid waaraan een onderneming moet voldoen om voor verlenging van de vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer in aanmerking te kunnen komen. De bepalingen omtrent de afgifte of verlenging van de vergunning voor grensoverschrijdend beroepsvervoer laten verweerster geen ruimte om, rekening houdend met eventuele bijzondere omstandigheden, de toetsing aan de eis van kredietwaardigheid achterwege te laten of daarvoor lagere grensbedragen te hanteren.

Verweerster heeft aan de weigering verzoekers vergunning te verlengen ten grondslag gelegd het bepaalde in artikel 10, derde lid, Wgw alsmede artikel 7 in verbinding met artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Anders dan verweerster meent, volgt uit deze bepalingen niet dat een communautaire vergunning voor vijf jaar wordt verlengd indien aan de voorwaarden van, onder andere, kredietwaardigheid is voldaan. Die eis om voor een communautaire vergunning in aanmerking te kunnen komen, is in die bepalingen niet terug te vinden. Evenmin is deze eis van kredietwaardigheid voor de communautaire vergunning terug te vinden in artikel 8 Wgw, zoals verweerster ter zitting heeft gesteld. Deze bepaling heeft slechts betrekking op vergunningen voor binnenlands beroepsvervoer.

Verweerster heeft niet onderkend dat ondernemingen, ongeacht de vraag of zij zich met grensoverschrijdend beroepsvervoer bezighouden, op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn aan de eisen van betrouwbaarheid, voldoende financiële draagkracht en vakbekwaamheid moeten voldoen. In de Wgw zijn deze eisen neergelegd in artikel 8 Wgw. Deze eisen zijn slechts gesteld ten aanzien van de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer. In de Wgw is een koppeling aangebracht tussen de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer en de communautaire vergunning, hetgeen onder andere tot uitdrukking komt in de artikelen 9, eerste lid, 11, tweede lid en 12, vierde lid, Wgw. Uit deze bepalingen blijkt dat de communautaire vergunning afhankelijk is van de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer, anders gezegd, zonder vergunning voor binnenlands beroepsvervoer geen communautaire vergunning. Volgens deze systematiek leidt het niet voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid, kredietwaardigheid en betrouwbaarheid tot intrekking van de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer, hetgeen vervolgens leidt tot intrekking van de communautaire vergunning, louter om het feit dat de binnenlandse vergunning is ingetrokken.

Voorhands is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nu de vergunning voor binnenlands beroepsvervoer niet is ingetrokken, de grondslag voor het niet verlengen van de communautaire vergunning kan worden gevonden in het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Verordening in verbinding met artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn. Indien het College in de hoofdzaak tot het oordeel zou komen dat de bestreden beslissing in verband met het hiervóór overwogene niet in stand kan blijven, zal dit er dan ook naar verwachting niet toe leiden dat verzoekers aanvraag voor verlenging van de communautaire vergunning alsnog moet worden gehonoreerd. Vast blijft immers staan dat ten tijde van belang verzoeker niet aan de eis van kredietwaardigheid c.q. voldoende financiële draagkracht voldeed.

Er bestaat dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

w.g. C.M. Wolters w.g. C.G.M. van Ede