Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW3632

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
25-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/281
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 05/281 5 april 2006

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Slor, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 28 april 2005, bij het College binnengekomen op 29 april 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 maart 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 15 december 2004, genomen op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 15 juni 2005 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 22 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij A en B zijn verschenen en verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 3

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 2419/2001, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

2. Een aanvraag oppervlakten heeft betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent.

Artikel 8

1. De aanvraagperiode voor de aanvraag oppervlakten loopt van 1 april tot en met 15 mei.

2. Indien de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de subsidie waarop de producent recht zou hebben indien LASER de aanvraag oppervlakten tijdig zou hebben ontvangen, verlaagd overeenkomstig artikel 13 van verordening 2419/2001, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 13.

3. Indien de aanvraag oppervlakten meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de aanvraag afgewezen, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 13.

Artikel 9

1. Na sluiting van de aanvraagperiode, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld, kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van verordening 2419/2001.

2. (…)

3. In afwijking van het tweede lid, worden de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, die meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode door LASER worden ontvangen, niet meer geaccepteerd. Indien deze uiterste datum evenwel ligt voor of op de in het eerste lid bedoelde datum voor de inzaai, worden de wijzigingen die na de datum voor de inzaai worden ontvangen niet meer geaccepteerd.

4. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten in geval van een door LASER erkende kennelijke fout na de in het eerste lid bedoelde datum worden verbeterd.

5. (…)”

In Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb 2001, L327, blz. 11; hierna: de Verordening), is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 12

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft door middel van het formulier “Gecombineerde opgave 2004 voor Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag oppervlakten” op grond van de Regeling subsidie aangevraagd.

- In de aanvraag heeft appellante achter perceel met volgnummer 16 de gewascode 266 (tijdelijk grasland) en de bijdrage code 875 (geen bijdrage) ingevuld. Tevens heeft zij 3 percelen maïs met een totale oppervlakte van 8,3 ha voor subsidie opgegeven.

- Bij brief van 7 oktober 2004 heeft verweerder appellante medegedeeld dat bij controle van de ingezonden “Gecombineerde opgave 2004” administratieve onvolkomenheden zijn geconstateerd en heeft hij appellante de mogelijkheid tot een reactie geboden.

- Op 11 oktober 2004 heeft verweerder van appellante een schriftelijke reactie ontvangen, waarin onder meer is aangegeven dat Alfa Accountants en Adviseurs achter perceel 16 de verkeerde gewascode heeft ingevuld. De code moet 259 (snijmaïs) in plaats van 266 zijn. Tevens heeft appellante nota’s bijgevoegd met vermelding dat maïs is gezaaid op 24 maart en is geoogst in september.

- Bij besluit van 15 december 2004 heeft verweerder akkerbouwsteun toegekend voor een bedrag van € 3.021,10 voor 8,3 ha maïs.

- Bij brief van 22 december 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat, het volgende overwogen.

De producent is verantwoordelijk voor het juist invullen van de eigen aanvraag en de gevolgen van een onjuiste opgave dienen dan ook voor zijn rekening te blijven. Op grond van de Regeling is wijziging van de aanvraag niet meer mogelijk na 11 juni 2004. Het doorgeven van een wijziging op 11 oktober 2004 is te laat. Verweerder heeft geen tegenstrijdigheid in de aanvraag geconstateerd die wijst op een vergissing. De aanvraag van appellante is als zodanig niet onvolledig of inconsequent ingevuld. Het staat de producent vrij om voor een perceel al dan niet subsidie aan te vragen. Van een kennelijke fout in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie nr. AGR 49533/2002 is geen sprake.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt dat uit de aanvraag wel duidelijk een vergissing blijkt. Voor alle opgegeven percelen werd subsidie gevraagd, namelijk deels maïspremie, deels droogpremie voor de graspercelen. Het niet opgeven van perceel 16 voor steun is daarom onlogisch.

In een reactie op de brief van verweerder van 7 oktober 2004 heeft appellante reeds aangegeven dat de verkeerde gewascode was ingevuld. Appellante heeft aan de hand van bescheiden aangetoond dat er maïs op perceel 16 is geteeld. Appellante heeft dit nogmaals persoonlijk bij LNV in Assen gemeld, bij welke gelegenheid is toegezegd dat wijziging van de aanvraag geen probleem was.

Er is geen opzet in het spel en de indiening van de aanvraag vindt plaats in de drukste periode van het bedrijf. Gezien het feit dat verweerder zelf wel altijd uitstel van termijnen vraagt, had verweerder toegeeflijker kunnen zijn.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In deze zaak gaat het om de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag akkerbouwsubsidie van appellante voor het jaar 2004 niet de door appellante gestelde kennelijk fout bevat. Uit artikel 9 van de Regeling volgt namelijk dat alleen in dat geval ook na afloop van de uiterste indieningsdatum de aanvraag kan worden gewijzigd. Het zou in strijd zijn met de Regeling als de aanvraag na de uiterste indieningsdatum zou worden gewijzigd vanwege een vergissing die geen kennelijke fout is.

5.2 Naar het College eerder heeft overwogen is van een kennelijke fout alleen sprake als aan de hand van de aanvraag oppervlakten zelf objectief kan worden vastgesteld dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Dat is hier niet het geval. De door appellante ingevulde gewascode 266 en bijdragecode 875 is een toegestane combinatie en ook voor het overige bevat de aanvraag geen tegenstrijdigheden. Uit de aanvraag is geenszins op te maken dat appellante voor perceel 16 maïspremie had willen aanvragen. Een producent is zelf verantwoordelijk voor de invulling van de aanvraag. Het is niet de taak van verweerder zich te verdiepen in de beweegredenen die ten grondslag liggen aan de wijze waarop de aanvraag wordt ingevuld, of te beoordelen of de aanvrager door wijziging van de aanvraag niet een hoger bedrag aan steun zou kunnen verwerven.

5.3 Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen daarom al niet slagen, omdat appellante niet nader heeft kunnen aangeven welke mededelingen zijn gedaan en welke ambtenaar zij heeft gesproken. Aldus is niet komen vast te staan dat bij appellante de uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat wijziging van zowel de gebruikscode als de bijdragcode bij perceel 16 alsnog was toegestaan.

5.4 Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat verweerder gehouden was anders te beslissen dan hij heeft gedaan. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Servaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006.

w.g. F. Stuurop w.g. F.W. du Marchie Servaas