Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2006:AW3623

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
25-04-2006
Zaaknummer
AWB 04/879
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 04/879 11 april 2006

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

IF Technology B.V., te Arnhem, appellante,

gemachtigden: A, werkzaam bij appellante, alsmede B, werkzaam bij C te X,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. R.E. Groenewold en L.M. Tijhuis, werkzaam bij SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 28 oktober 2004, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 september 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift van appellante tegen de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag om een verklaring als bedoeld in artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna ook: WVA).

Bij brief van 22 november 2004 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Bij brief van 21 december 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 16 februari 2006 heeft het College van appellante enkele nadere stukken ontvangen.

Op 28 februari 2006 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen luidde, ten tijde en voor zover van belang, als volgt:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe:

1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

3°. fysieke productieprocessen;

4°. onderdelen van fysieke productieprocessen;

5°. programmatuur of

6°. onderdelen van programmatuur;

(…)

Artikel 24

1. Aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten geeft Onze Minister van Economische Zaken op verzoek een S&O-verklaring af. In de verklaring wordt vermeld dat het aangemelde werk is aangemerkt als speur- en ontwikkelings-werk. Voorts wordt in de verklaring vermeld het bedrag van het vermoedelijke beloop van het in dat kalenderjaar te genieten loon voor zover dat betrekking zal hebben op speur- en ontwikkelingswerk en welk gedeelte daarvan, gelet op het in artikel 22, eerste lid, bedoelde maximum ten hoogste in aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van dat artikel. Indien de S&O-inhoudings-plichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, wordt in de verklaring tevens vermeld welk deel van het op de fiscale eenheid betrekking hebbende bedrag van € 7 941 154, genoemd in artikel 21, eerste lid, wordt toegerekend aan de S&O-inhoudingsplichtige.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op een daartoe bestemd formulier, door verweerder op 15 januari 2004 ontvangen, heeft appellante een aanvraag ingediend voor een S&O-verklaring met betrekking tot een zestal projecten, waaronder het ontwikkelingsproject "ASR".

- Bij brief van 26 april 2004 heeft verweerder met betrekking tot de projecten een aantal vragen gesteld, die bij emailbericht van 27 mei 2004 door appellante zijn beantwoord.

- Bij besluit van 4 juni 2004 heeft verweerder de aanvraag met betrekking tot het ontwikkelingsproject "ASR" afgewezen.

- Bij brief van 12 juli 2004 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 19 augustus 2004 heeft een hoorzitting plaatsgehad.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de werkzaamheden die in het kader van het ontwikkelingsproject "ASR" worden verricht niet kunnen worden aangemerkt als S&O in de zin van de wet. Appellante beoogt met dit project het verstoppingsproces bij opslagprojecten goed in beeld te krijgen en er slimme oplossingen voor te vinden. De nieuwe technische ontwikkeling zit volgens appellante in het capaciteitsprobleem en in de voorzuivering. Uit de door appellante verstrekte informatie is echter gebleken dat zij met dit project vooral bezig is met doen van onderzoek en studie. Als mogelijke oplossing heeft appellante het toepassen van drains en een elektrisch veld genoemd. Appellante heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van S&O in de zin van de wet. Het fysieke karakter van de ontwikkeling en het voorgenomen S&O is onvoldoende naar voren gekomen. Op dit moment is geen sprake van concreet voorgenomen ontwikkelingswerk.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft betoogd dat zij wel degelijk speur- en ontwikkelingswerk uitvoert zoals bedoeld in de WVA. Daartoe heeft zij, samengevat weergegeven, aangevoerd dat zij voornemens is een systeem te ontwikkelen waarmee het mogelijk wordt om de hoeveelheden grond- en oppervlaktewater te managen. Met het systeem moet het mogelijk worden om water in een grondlaag te pompen waar het wordt opgeslagen om het op een later tijdstip weer ter beschikking te krijgen. Het principe waarop de techniek is gebaseerd, is bekend als Aquifer Storage Recovery (ASR). Een belangrijk aspect is het risico van putverstopping. Daarom wordt vanaf 1 januari 2004 speur- en ontwikkelingswerk verricht naar een tweetal oplossingsrichtingen om verstopping door kleine (slib)deeltjes tegen te gaan. Het gaat om de ontwikkeling van een inlaatconstructie gericht op het verwijderen van kleine deeltjes en om het ontwikkelen van een deeltjesverwijderingstechniek op basis van een elektrisch veld.

Als steunargument in het beroep heeft appellante aangevoerd dat het project in 2003 wel is toegewezen, dat de afwijzing in 2004 door een andere medewerker van verweerder is voorbereid, dat deze ook voornemens is geweest de aanvraag van 2005 af te wijzen, maar dat vervolgens een nieuwe medewerker de behandeling heeft overgenomen, waarna toewijzing is gevolgd. Hieruit leidt appellante af dat het project in 2004 onterecht is afgewezen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geding is of verweerder terecht heeft geoordeeld dat de werkzaamheden die appellante in het jaar 2004 wilde gaan verrichten binnen het ontwikkelingsproject "ASR" niet kunnen worden aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt dienaangaande als volgt.

5.2 Verweerder heeft bij de beoordeling van de aanvraag geconstateerd dat de werkzaamheden die appellante voornemens was te verrichten, algemeen waren omschreven, en slechts duidden op technisch ingewikkelde problemen waarvoor een oplossing zou moeten worden gevonden. Terecht heeft verweerder hieruit afgeleid dat appellante met haar project op dat moment nog in een voorfase zat, waarin wordt bekeken of iets ontwikkeld moet worden en zo ja, welke technische knelpunten aan de orde zijn en in welke richting deze zouden kunnen worden opgelost. Ook in bezwaar heeft appellante niet aannemelijk kunnen maken dat zij in het jaar 2004 het stadium van studie en vooronderzoek reeds gepasseerd was en dat zij concrete speur- en ontwikkelingswerkzaamheden zou gaan verrichten.

5.3 Ook het door appellante aangevoerde steunargument kan niet slagen. De omstandigheid dat een aanvraag in 2003 wordt goedgekeurd, brengt niet zonder meer mee dat ook een aanvraag in 2004 moet worden toegekend. Uitgangspunt is dat iedere aanvraag op zich moet worden beoordeeld. Uit een vergelijking tussen de aanvragen blijkt dat zij van elkaar verschillen in die zin dat in 2003 wel sprake was van een voldoende concrete projectbeschrijving, waarbij mogelijke oplossingsrichtingen voor de gesignaleerde knelpunten zijn aangegeven. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte opgemerkt dat bij een doorlopend project in een volgend jaar meer concrete informatie kan worden verwacht, die in dit geval echter ontbrak.

Dat de aanvraag voor 2005 ten dele is gehonoreerd, is ook terug te voeren op de projectomschrijving in dat jaar, welke afweek van die in 2004. Ook voor 2005 worden technische oplossingsrichtingen aangegeven. Uit de toekenning voor 2005 kan derhalve niet de conclusie worden getrokken dat de afwijzing in 2004 rechtens onjuist is te achten.

5.4 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 april 2006.

w.g. J.A. Hagen w.g. L. van Duuren